Toespraak Verhagen
tijdens herdenkingsbijeenkomst bij het Nationaal
Indië-Monument
7 september 2009 | Roermond| Minister Verhagen
Dames en heren,
Dat ik vandaag namens het kabinet het woord tot u mag
richten, is voor mij een grote eer. We herdenken
vandaag, net als voorgaande jaren, meer dan zesduizend
militairen die in de Oost zijn gesneuveld. Meer dan
zesduizend levens in de kiem gesmoord. Mannen en jongens
in de bloei van hun leven, vol plannen en verwachtingen
voor de toekomst. Zij lieten het leven in een land ver
van huis. Hun vaders en moeders zouden hen niet ouder
zien worden. Hun vrouwen zouden hen niet terugzien. Hun
kinderen zouden hen niet kennen. Dat hoogste offer
verdient onze volle aandacht en ons diepe respect.
Aandacht en respect die in het verleden maar al te vaak
ontbraken. Dat kunnen we ons vandaag de dag nauwelijks
voorstellen. Nu is er meer waardering voor het werk van
uitgezonden militairen. Er is meer begrip voor wat er
van hen gevraagd wordt. Ook de aandacht voor het werk en
de offers van veteranen groeit. Zo is er sinds vijf jaar
een jaarlijkse Veteranendag, op 29 juni, die bedoeld is
als eerbetoon en blijk van waardering voor alle
Nederlandse veteranen. Daar ben ik blij om. Die aandacht
is terecht. Het is goed dat we onze militairen en
veteranen laten weten dat we trots zijn op hun inzet,
dat zij een onmisbare bijdrage leveren aan het tot stand
brengen van een veiligere en welvarendere wereld. Als
minister weet ik: wij kunnen het besluiten, maar zij
voeren het uit. Dat vraagt heel wat van hen, van hun
familieleden, en van hun omgeving. Daarvoor mag
Nederland dankbaar zijn.
Voor u was er destijds weinig aandacht. Het respect dat
u toekwam, kreeg u niet. Er wachtte u na de oorlog geen
warm welkom, althans, vaak was dat niet het geval. In
Nederland was iedereen bezig met de wederopbouw en de
verwerking van zijn eigen oorlogservaringen. Er was geen
begrip of belangstelling voor wat u had meegemaakt, in
dat opgegeven land daar zo ver weg. Woorden als nazorg
en traumaverwerking bestonden toen nog niet. Er was
nauwelijks een luisterend oor. Van u werd verwacht dat u
zich schikte. Naar uw gezin, naar de samenleving, naar
de eisen die die tijd stelde. U moest vooral weer snel
overgaan tot de orde van de dag: er wachtten
belangrijkere zaken. Als het al over Indië ging, dan was
het vaak in een negatief daglicht. U werd bij wijze van
spreken met de nek aangekeken – voor een keuze die de
Nederlandse regering had gemaakt, maar waarvoor u zich
moest verdedigen. De verantwoordelijkheid werd op het
verkeerde bordje gelegd: op uw bordje.
Vandaag eren we de nagedachtenis van de meer dan
zesduizend soldaten die naar Nederlands-Indië, en later
Nieuw-Guinea, gingen en niet terugkeerden. Hun namen
mogen niet worden vergeten. Uw inspanningen en offers
mogen niet worden vergeten. Daarom sta ik hier vandaag.
Om dat te onderstrepen.
En daarom is het ook zo belangrijk dat er herdenkingen
zijn als deze, hier, op de plek waar voor velen de reis
naar Indië begon. U heeft enorm veel meegemaakt, onder
omstandigheden waar de meeste mensen vandaag de dag zich
geen voorstelling van kunnen maken. Het doorgeven van
die verhalen is van onschatbare waarde. Alleen als u het
ons vertelt, kunnen wij het weten. Kunnen wij het
begrijpen. Kunnen wij er lering uit trekken. Dat zeg ik
niet alleen als minister en als historicus, maar ook als
vader. Als ik kijk naar wat mijn kinderen op school
hebben geleerd over het Nederlandse verleden in Indië,
dan vind ik dat eigenlijk te weinig, te summier. Een
paar koude feiten uit de geschiedenisboeken. Verhalen
zonder gezicht. Eigenlijk zou iedereen verplicht een
deeltje uit de reeks van Anton P. de Graaff moeten
lezen. Hij tekende heel veel persoonlijke
geschiedenissen van Indië-gangers op. Als je zijn boeken
leest, begrijp je wel waarom soldaat Bob zegt: “Het
staat als met een stalen pin in mijn ziel gegrift.”
En zo, concludeert de Graaff, is het voor velen van u: u
bent levenslang op patrouille.
Indië zit voor altijd in u. Daar kunnen ook positieve
kanten aan zitten. Velen van u zullen, ondanks de
verschrikkingen die u er heeft meegemaakt, ook mooie
herinneringen koesteren aan het land. Misschien bent u
er nog eens teruggeweest. Nam u uw partner en kinderen
mee, om hen de plaatsen van uw herinnering te laten zien
en hen kennis te laten maken met het land dat uw leven
gekleurd heeft. Een land van grote schoonheid, met
typische geuren en kleuren, en een gastvrije bevolking.
Mijn vrouw, die haar vroege jeugd doorbracht in
Indonesië en ik, die het land inmiddels redelijk vaak
bezocht, hebben het tenminste altijd zo ervaren. En
zelfs in dagboeken van soldaten kom je fragmenten tegen
over het hartelijke contact met de Indonesiërs. Hetgeen
uw missie waarschijnlijk nog moeilijker maakte.
Dames en heren,
In 2005 hebben Nederland en Indonesië gezamenlijk een
streep gezet onder de geschiedenis. De Nederlandse
regering heeft toen spijt betuigd voor de
gewelddadigheden die van Nederlandse kant zijn begaan.
Die spijtbetuiging aan Indonesië en het respect voor u,
veteranen, zijn niet strijdig met elkaar. Ze gaan hand
in hand. U deed uw plicht in naam van het vaderland en
werd meegesleurd op de golven van de geschiedenis. Het
was een heel andere tijd. Een tijd waarin Nederland
verwikkeld was in een grimmige strijd. Een tijd waarin
Nederland en Indonesië op een pijnlijke en gewelddadige
manier uit elkaar gingen. Daarbij zijn ook ontoelaatbare
dingen gebeurd. En dat hebben we erkend. Dit was een
cruciale stap, die nodig was zodat Nederland en
Indonesië samen de blik konden richten op de toekomst.
Tegenwoordig hebben onze landen een brede relatie. Maar
een speciale band zal er altijd blijven. Tijdens mijn
laatste bezoek aan Indonesië afgelopen januari sprak ik
met drie weduwen uit Rawagedeh. Drie stokoude, breekbare
mensjes, die alleen Soendanees spraken. Via een tolk
hoorde ik aan hoe zij de gebeurtenissen destijds beleefd
hadden. Ze vertelden over de verschrikkingen die zij
hebben doorgemaakt, over het verlies van hun dierbaren,
over hun pijn. Ik vond het een moeilijk gesprek. Veel
moeilijker dan om tafel zitten met een buitenlandse
minister en een lastige boodschap brengen. Deze vrouwen
antwoorden, hen op een bepaalde manier troost bieden,
dat vond ik van een andere orde. Het gesprek raakte me
dan ook diep. Ik besefte: de geschiedenis heeft ons bij
elkaar gebracht, en de manier waarop dat is gelopen,
zorgt dat er een eeuwige band is. Die verwevenheid is
óók een consequentie van het verleden dat we delen, van
de strijd die geleverd is. Nu die achter ons ligt,
kunnen we uit die verwevenheid het positieve putten.
Samenwerken met Indonesië om de wereld van vandaag een
betere plaats te maken. Ik kan u zeggen dat de relatie
tussen onze twee landen zo goed is, dat we dat ook doen.
Als vrienden, op voet van gelijkheid en met respect voor
elkaars achtergrond.
Dames en heren,
H.J. Leebeek schreef een aangrijpend gedicht over het
gevoel dat veel Indië-gangers hebben overgehouden aan
hun uitzending. Het heet De nevel doorbroken en ik zou
er graag een aantal passages uit citeren:
(…)
Aan ons geen keus. Het was een plicht
die je volvoerde als een vent,
hoezeer je jeugd ook werd ontwricht.
Men rangschikt onze Indiëtijd
als een naoorlogs tafereel,
met af en toe wat narigheid
door wisselingen van toneel.
‘Het is geen oorlog’, werd gezegd,
‘die is toch immers al voorbij?’
Doch die ten grave zijn gelegd:
meer dan zesduizend?.... Zeg: weet jij
hun namen nog? Noem mij ze dan
en luid! Opdat de politiek
het nog eens duidlijk horen kan.
Na zestig jaar en en public!
Ieder trekt uit het gebeurde zijn eigen lessen. Het
belangrijkste dat ik geleerd heb, uit de gebeurtenissen
rondom het ‘loslaten’ van Nederlands-Indië, is dat
mensen het kostbaarste materieel zijn dat we bezitten.
Daar moeten we zuinig mee omspringen. Veel zuiniger dan
bij u is gebeurd. In dat opzicht kan ik de soldaat en de
dichter Leebeek naar eer en geweten antwoorden: de
politiek heeft uw oproep gehoord. Het mag niet weer zo
gebeuren.
Dank u wel.
<<
Terug |
|