|
Waarom zijn wij Garde?
Bron: Koerier van
Garde 47 - 2001
Historie en uniform van de Jagers.
Jagers, lichte infanterie, in militair verband treffen we
voor het eerst aan in de loop van de achttiende eeuw. De
infanterie bestond uitsluitend uit geweerschutters,
fuseliers. De mogelijkheden en onmogelijkheden van hun
geweren maakten dat zij opereerden in grote massa's. Het
laden van die wapens was een tijdrovende bezigheid, min of
meer zuiver richten onmogelijk, dracht zeer beperkt en
uitwerking dus ook.
Enig effect kon alleen bereikt worden door een kogelregen
te produceren. Daarvoor was een ijzeren gevechts- en
vuurdiscipline noodzakelijk. Enig persoonlijk initiatief
was dan ook ontoelaatbaar. Het gevolg van deze
strijdwijze was wel dat een afdeling infanterie een
omvangrijk en log lichaam was geworden.
Men had echter behoefte aan kleine min of meer zelfstandig
opererende eenheden voor verkenningen, het leggen van
hinderlagen, vertragingsacties en scherpschutters. Er werd
dus gezocht naar voor deze taken bruikbare mannen die
zowel fysiek als psychisch streng werden geselecteerd.
Ze moesten niet alleen een uitstekende conditie hebben,
maar ook een beetje hersens.
(Als je een hinderlaag legt met de wind in je rug zal de
vijand je lont ruiken. ) Eigen initiatief was hier juist
wel nodig. Natuurlijk kwam men voor de selectie van deze
mensen terecht in kringen van jachtopzieners, jagers,
stropers en dergelijke. Zij hadden ervaring in het zich
bewegen in het terrein, hinderlagen leggen en dergelijke.
Uit die kringen werd de lichte infanterie dus gerecruteerd. Die mensen droegen donkergroene
kleding en gebruikten jachthoorns. Ziedaar de oorsprong
van embleem en uniformkleur. Laat de kleur nou ook nog een camouflage-effect hebben! In
tegenstelling tot de rest van hun regiment werden de
jagers daarom ook uitgerust met zwart leerwerk in plaats
van wit. Voor de bijzondere taken die de jagers moesten vervullen waren
de infanteriegeweren absoluut onbruikbaar.
Gezien hun achtergrond
hadden die jagers echter zelf voor die tijd goed
bruikbare, getrokken, buksen of konden daar in elk geval
mee omgaan.
Binnen de infanterie-regimenten ontstonden zo twee aparte
groepen, namelijk de grenadiers (een verhaal apart) en de
jagers.
Tengevolge van hun strenge selectie voelden zij zich
verheven boven de gewone fuseliers en werden doorgaans ook
beter behandeld. Het waren elitetroepen. Eén en ander was
voor vele Europese vorsten aanleiding die elite-eenheden uit de
infanterieregimenten te lichten en onder te brengen in
aparte regimenten grenadiers en jagers. Die keurkorpsen
werden dan gebruikt als "garde du corps",
lijfwacht van de vorst.
In 1829 richtte Koning
Willem 1 een regiment Grenadiers en twee bataljons Jagers
op om "te dienen onder het oog des Konings". Een
hele eer! Garde dus, hoewel die titel officieel pas in
1948 werd verleend.
Als we nu kijken naar de huidige ceremoniële tenue van
ons regiment dan blijkt dat vol met traditie te zitten. De kleur is nog altijd donkergroen met
de jachthoorn op schouders, baret- gesp, knopen en de gesp
van de nog altijd zwarte koppel met zwarte patroontassen.
De in het terrein zo praktische slobkousen zijn er ook nog.
Sinds de oprichting in 1829 zijn de biezen geel. Om het
lichaam wordt het witte vangsnoer gedragen, met spiegels
en kwasten op de rechterschouder. Dat vangsnoer zat
vroeger aan de schako en de jas en moest verlies van die
schako in het terrein voorkomen. Alleen grenadiers en
jagers dragen het vangsnoer in deze vorm. Bij andere
onderdelen dragen de officieren bij de ceremoniële tenue
fourrageres met kwasten als rangonderscheidingsteken aan
de linkerschouder. Dat geeft bij de garde een probleem,
want "de garde draagt geen onderscheidingen, de garde
onderscheidt zich zelf'.
Om de officiersrangen toch
te kunnen aangeven dragen grenadiers en jagers die kwasten
aan het vangsnoer op de rechterschouder.
Dat de garde geen onderscheidingen draagt hebben wij ook
ondervonden. Alle onderdelen in Indië hadden hun eigen
embleem, gedragen op de rechterbovenarm. Alleen wij niet,
wij droegen de emblemen van grotere eenheden waarbij wij
waren ingedeeld, maar eigen bataljons- emblemen hebben de
garderegimenten nooit gehad. U weet nu waarom.
Op kraag en mouwopslagen van de ceremoniële tenue vinden
we de gardelissen. Restanten van knoopsgaten! Om de dikke
uniformstof te beschermen tegen te snelle slijtage door de
metalen knopen bracht men langs de knoopsgaten stukken
lint aan. Als dat lint een contrasterende kleur had en
lekker breed was stond dat nog prachtig ook. Omwille van
de symmetrie werden die lissen ook op de rechterborst aangebracht. De
grenadiers dragen die valse lissen vandaag nog.
Toen de lissen in de loop van de negentiende eeuw om
verschillende redenen werden afgeschaft genoten
grenadiers en jagers het voorrecht ze te behouden. Later
moesten ze, in elk geval op de dagelijkse tenue, toch weer weg. Men wilde het
verleende voorrecht echter niet afschaffen en de lissen
werden verplaatst naar kraag en mouwopslagen, compleet met
knoop. Die knoop dient natuurlijk nergens voor, maar behoort nu
eenmaal bij de lis, die immers een knoopsgat is.
Op de huidige dagelijkse
tenue draagt de landmacht vijfhoekige patten met
onderdeelembleem, met uitzondering van grenadiers en
jagers. Die dragen rechthoekige patten met gardelissen
en daarop het regimentsembleem.
Alleen de oude grote en onhandige schako is vervangen door
de eigentijdse baret. Maar op die baret nog altijd de
zwarte pluim met oranje pompon van 1829.
Stichting COLLECTIE MILITAIRE TRADITIE
Jaap v .d. Burg (Staf Cie )
|