Politieagent 1e klas Koot
 Schaatsenrijden en de inbreker.

We hadden een winter in 1951 met genoeg vorst zodat het ondergelopen land bij de gasfabriek goed bevroren was en er werd volop geschaatst.

De brigadier vroeg of ik kon schaatsen. Ik had kunstschaatsen en kon daarmee aardig overweg Ik was geen hardrijder,op deze manier had ik veel meer keuze om samen met een vrouwelijk persoon te zwaaien, draaien en te springen.

Ik moest dienst doen op het ijs en werd vrijgesteld van alle andere dienst en mocht schaatsen zolang ik maar 8 uur dienst deed.

Mijn taak was eenvoudig.
Orde houden. Er waren altijd wel een paar wilde rijders, die soms probeerden iemand van de sokken te rijden en dergelijke. En als er iets gebeurde dat niet deugde werd het mij wel al snel verteld.

In in die tijd hadden we nog gezag. De persoon in kwestie werd gewoon gezegd :Afbinden en weg wezen.
Doe je het niet dan schrijf ik een verbaaltje en neem je schaatsen in beslag en die kun je dan later na het dooien ophalen op ons bureau.
Ik hoefde het maar een keer te doen en het was afgelopen ,want iedereen wist het. Doe wat die politieagent zegt want hij meent het. En zo heb ik tien dagen extra genoten van mijn dienst. Natuurlijk wilden andere collega's dat ook wel maar mijn brigadier had A gezegd en daar bleef het bij.


Toen wij als agent benoemd werden, hadden we van de eerste dag af al de rang van agent 1ste klas. Ons werd gezegd dat dit als een soort beloning was voor onze militaire dienst. Ook ons salaris was daarmee gelijk gesteld. Zover ik weet was ieder ander die niet in dienst geweest was een Aspirant  Agent totdat hij zijn landelijke examens had gedaan. (meestal in een jaar).

Op een nacht in het najaar, regende het en er was een koude wind en ik werd aardig nat. Ik ging even in het portiek van een huis staan om de bui een beetje af te wachten. 
Opeens hoorde ik boven mijn hoofd een raam openschuiven en toen ik mijn hoofd uit dat portiek stak en naar boven keek zag ik een paar benen van een kerel uit het raam komen en die op zijn buik over de vensterbank zich naar beneden liet zakken. I
k stond terug en zag de benen naar beneden komen en ineens liet hij zich verder vallen. Ik stond gespannen klaar om hem op dat moment te grijpen.

Toen ik hem met beide armen greep schrok die vent zich een ongeluk. Hij gaf een schreeuw en zakte bijna in elkaar. Natuurlijk gaf dat een commotie en de bewoner in zijn pyjama opende de deur. Ook die schrok zich het apenzuur.
Ondertussen had ik de inbreker in mijn handboei (de "come-along ketting". )Ik vroeg de bewoner naar ons bureau te gaan voor verdere informatie en inlichtingen.

Met de fiets in mijn ene hand en de inbreker in mijn andere hand kwam ik op het bureau, waar hij in de cel gestopt werd. Het bleek dat hij een oude bekende was. De rest van de wacht bleef ik binnen om mijn verbaal op te maken en met de eigenaar te praten die gestolen voorwerpen die wij in zijn zakken gevonden hadden kon identificeren als zijn eigendommen.

In zekere zin was ik heel blij om binnen te zijn want de laatste paar uur van die wacht was het honden weer. En mijn collega's kwamen door en door nat binnen. Later moest ik naar het Gerecht. Eerst met de Officier van Justitie praten en toen bij de rechtzaak. Nadat de aanklager de beschuldiging had voorgelezen was de beschuldigde wijs genoeg toen hij mij zag om schuldig te pleiten.

Die ging voor een paar jaar de bak in.
Kort daarna werd ik overgeplaatst naar het Hoofdbureau "Het Paardeveld" in Utrecht.

Door Ray Koot
feb. 2006