De tropenjaren van het Tweede Mitrailleur Bataljon.
door Aad van Veldhuizen,   november 2005

In de geschiedenis van de Nederlandse krijgsmacht zijn de Mitrailleur Bataljons een vreemde eend in de bijt. Er hebben er maar twee bestaan. Toen na de WO II de Kon. Landmacht een Engelse organisatie kende waren zij een ondersteuningseenheid van de Infanterie evenals de Artillerie. Toen nadien de K.L. overging op een Amerikaanse organisatie en bewapening werden de Mitrailleur Bataljons geschrapt.

Het Eerste Mitrailleur Bataljon behoorde tot de 7 Dec. Divisie, het Tweede- tot de 2e Divisie ook wel de Palmboomdivisie genoemd.

Ik ben in april 1946 opgekomen bij het 1e Mitr. Bat. in Harderwijk en via de Kaderschool bij het 2e Mitr. Bat. -ook in Harderwijk- terecht gekomen. Met dit onderdeel ben ik in juli 1947 met het troepenschip Volendam naar Indië vetrokken. Ik beperk mij dus verder tot het wedervaren van dit Bataljon onder de palmbomen, in de kampongs en door de sawahs van Java.
Aan boord van de Volendam brak gedurende de reis naar de ‘Gordel van smaragd‘, tyfus en paratyfus uit en dus verdwenen er al direct na aankomst een flink aantal van het bataljon in Hospitaal I te Batavia. Daar overleed de eerste van ons.

Na een paar weken carrantaine in Buitenzorg werd het bataljon bij vele Ovw-bataljons en onderdelen van de 7 Dec. Div. over West Java verspreid om tropen- en gevechtservaring op te doen en hierbij sneuvelde de eerste man van ons.
In de laatste week van november 1947 werd het materiaal van het bataljon ingeladen in een paar LST’s terwijl de meeste manschappen aan boord gingen van de Kpm-er “Nieuw Holland”. Zo kwam het bataljon terecht in Soerabaja (Oost Java) waar wij onze eerste tropische Sinterklaas vierden. Vierden?... nou jah!.

Na een week werden wij met ons materiaal op een trein gezet en twee kolossale locomotieven sleurden ons omhoog naar Malang en omgeving. In dit hoger en dus iets koeler deel van Oost Java zouden wij ongeveer een jaar doorbrengen en vele militaire acties uitvoeren die door ons veelal als niet erg gevaarlijk werden beoordeeld, maar toch aan acht man van ons het leven kostte.

Hoe zag zo’n Mitrailleur Bataljon er uit? In het kort: het bestond uit 3 Mitr. Compagnieën van 3 Mitr. pelotons en een Stafpeloton. Verder een Mortier Compagnie van 4 mortierpelotons en een staf peloton. Als laatste moet dan nog de Staf Comp. genoemd worden. De Staf Comp. en de Stafpelotons hadden vergelijkbare functies als die van Infanterie onderdelen.
Ik wil kort de organisatie en uitrusting van een Mitr. peloton beschrijven. Aan materiaal had zo’n Mitr. peloton de beschikking over 7 licht gepantserde carriers, een truck en een motorfiets voor de ordonnans.

Aan verbindingsmateriaal beschikte het peloton over 2 verbindingstoestellen voor kortere afstand (18 set) en een voor langere afstand. De eerste twee bediend door twee chauffeur-seiners, de laatste door een alround seiner. Zij hadden ook nog de beschikking over drie draagbare aggregaten om de accu’s van de seintoestellen (en carriers) opteladen. De bewapening bestond uit 4 watergekoelde Vickers mitrailleurs, 3 lichte mitrailleurs (bren) en een piat. (anti-tankwapen). De persoonlijke bewapening bestond voor tweederde uit pistoolmitrailleurs (sten) en de rest moest het met een geweer uit WO I doen (Lee Enfield). Sorry, de pelotons cmd. (luitenant) en de seiner hadden een revolver van nog ouderen datum (zes schoten en een vrije worp). Al met al kon zo’n mitrailleurpeloton dus een behoorlijk poepie vuur weggeven. Het aantal manschappen was ca. 45.

Na wat uitproberen van de A-divisie, waar het bataljon toe behoorde, hoe zij het beste van ons Bataljon gebruik konden maken als infanterie-ondersteunig kwamen zij daar al snel tot de conclusie dat dit geen efficiënte manier was. Veel beter was om het Mitr. Bat. zelfstandig te laten opereren. Eén peloton daarvan kon dan wel een compagnie Infanterie vervangen en een Mitr. Comp. kon de taak van een bataljon Infanterie wel aan. Zo ongeveer werd daar gedacht. Dat klopte natuurlijk van geen kant. Alleen wat betreft vuurkracht viel er wel wat voor te zeggen.

Maar het was daarna toch vaak zo dat een peloton van ons de taak moest overnemen van een compagnie infanterie. Maar dat moesten wij wel doen met eenderde van het aantal mannen waarover de infanteriecompagnie beschikte. Gevolg was dat onze patrouilles uit minder manschappen konden bestaan dan bij de infanterie en ook wat harder moest lopen. Maar men redeneerde dat wij veelal konden rijden met onze carriers en veel zwaarder bewapend waren. Maar de praktijk was anders. Met carriers overrompelde je geen peloppers. Die verstopten hun wapens als de weerga als ze ons aan hoorden komen en stonden in hun pakian deftig op afstand naar ons te kijken of gewoon langs de weg te buigen als knipmessen. Zij pasten wel op om de confrontatie met ons aan te gaan. Wij werden zo dus gewoon uitgelachen.

Maar al gauw veranderden wij onze tactiek. Wij gingen in kleine groepjes van 6 tot 10 man patrouilleren maar zorgden te gelijkertijd ervoor dat een of twee carriers bij de hand waren. Dat beviel ons het beste. Later, toen wij het klappen van de zweep hadden leren kennen verslapte dat ook weer wat.

Begin december 1948 werd het bataljon vrij plotseling uit elkaar gehaald. Een deel van de Mortiercompagnie moest in de Tweede Politionele Actie vanuit Malang via Blitar mee optrekken naar Kediri en Toeloenagoeng. Een peloton mortieristen en ook mitrailisten schepen zich met Mariniers in voor de landing bij Glondong.

Maar het grootste deel van het Bataljon moest de Grenadiers en Jagers gaan vervangen in het gebied westelijk van Soerabaja gelegen, globaal het gebied van Grisee via Modjokerto tot aan Patjet en Trètes. De taak was hier de Tni tegenhouden nadat de meeste troepen daar weg waren voor de opmars in de Republiek. Dat werd het Westfront genoemd waar ook nog een paar pelotons Grenadiers en een Comp. Jagers waren achtergebleven. Onze Bataljons commandant Overste Hofs had daar het commando. De meesten van ons vonden het jammer niet mee te kunnen doen aan de opmars, inplaats van daar op het Westfront de wacht houden.
De 20e dec. 1948 begon de geplande actie en binnen twee dagen verloren wij aan het rustige Westfront al vijf mannen.

Er infiltreerde al spoedig een gehele brigade van de Tni die vanuit het gebergte de Sidoardjodelta introk. Daar had het Bataljon de handen vol aan, temeer omdat de Grenadiers en Jagers uit het gebied vertrokken waren richting Kediri. Het grootste deel van ons bataljon werd naar de omgeving van Modjokerto en oostwaarts richting Patjet verplaatst. Wel kregen wij steun van een compagnie Knil.

Maar in februari 1949 liep de spanning in dit gebied hoog op. Met man en macht waren waren de mannen van de Mitr. compagnieën. bezig de overmacht aan Tni-ers te bestrijden. Die hadden bijna alle wegen in het gebied onbegaanbaar gemaakt door bomen over de weg te laten vallen en bruggen eruit te laten vliegen. Wij moesten de carriers veelal laten staan. Het werd een zwaar en zenuwslopend karwei voor de mitraillisten. Steeds meer verdwenen er in het hospitaal die gewond of physiek of mentaal gesloopt waren.

Op 10 februari werden de ‘Amsterdamacties’ door ons ingezet. Die bestonden uit: met twee colonnes carriers op een paar kilometer van elkaar het gebied waarin de Tni huisde binnen rijden. Daarbij moesten veel bomen van de weg gesleept en bruggen provisorisch hersteld worden. De carriers namen op een paar honderd meter van elkaar een positie in. Zo werd een gebied aan twee zijden afgesloten. De derde zijde werd provisorisch gedicht door bijeengeschraapte Infanteristen, MP. en wat er meer voorhanden was. Aan de vierde zijde begon daarna een Knil-onderdeel met ondersteuning van de Mortieristen van ons Bataljon, op te trekken. Zo werden de ingesloten Tni-ers op elkaar gedrukt en van alle kanten beschoten. In vijf dagen tijds werd zo het gehele gebied gezuiverd van de Tni. Wie van hen niet gedood of gevangen genomen was, nam in allerijl de vlucht naar de bergen.

Ons onderdeel was door deze krachtinspanning bijna geheel gesloopt. Van de gevechtspelotons was meer dan de helft uitgevallen. Wij voeren nadien nog wat kleinere acties uit, maar op 26 maart 1949 mochten wij het nu rustige gebied overdragen aan de Mariniers. Onze compagnieën werden naar andere gebieden gestuurd. Zo ging de 2e Mitr. Comp. weer naar Grissee en verder naar de noordkust. De 1e Mitr. Comp. vertrok richting Madioen. Binnen een week hadden deze twee Compagnieën zes mannen verloren.
Nog een paar maanden werd door ons getracht de Tni. en aanverwantte terreurbenden zoveel mogenlijk verlies toe te brengen. De verschillende Compagnieën werden nog enige malen verplaatst, maar zo langzamerhand kregen wij in de gaten dat wij door de politiek, maar vooral door onze grote bondgenoot, de USA., in de steek gelaten werden. Die laatsten konden beter zaken doen met Soekarno en consorten.

Wij gingen onze krachten sparen evenals de Tni. trouwens. Die kreeg ook in de gaten dat er op politiek terrein en hulp van de USA. veel meer te winnen viel dan met vechten. Het hoofd koel houden en de voetjes warm, werd steeds meer ons devies.

Zo kwam voor ons het einde op Oost Java. Wij werden nog even met spoed naar Tjimahi op West Java gestuurd om de Tni. te beschermen tegen een nieuwe aanslag van de befaamde Kapitein Westerling. Wij, mitraillisten hadden ons voorgenomen om geen poot uit te steken en de kapitein zelfs een beetje te helpen als dat kon. Maar er gebeurde niets meer.
Wij scheepten ons in op de General Stuart Heinzelman voor onze thuisreis.

Op Java lieten wij dertig van onze mitraillisten achter op de Erevelden plus nog drie mannen die bij ons gedetacheerd waren. Na debarcatie kregen wij in Amsterdam op de kade een lunchpakket, enig geld om een burgerkloffie en een fiets te kunnen kopen, en de afgemeten dank van enige hooggeplaatsten. “Gooi maar in m’n petje”, zeiden de mitraillisten. Daarna gingen wij huiswaarts.

Aldra bemerkten wij dat wij door de Regering, de Politiek en de vele andere instanties volkomen vergeten, ja zelfs veracht waren. Stank voor dank was ons loon.