Frans Berings mocht ‘het licht uit doen’ 

door Henri Lansink Bron Trivizier jan.2000

 Frans Berings was één van de laatste Nederlandse militairen die vanuit Indonesië terugkeerden naar Nederland. Bijna anderhalf jaar verbleef hij in een vijandige omgeving. Hoewel de vijandelijkheden officieel tot het verleden behoorden na de soevereiniteitsoverdracht, was de situatie in de praktijk verre van rustig. 

Volgens drs. M.Elands, wetenschappelijk medewerker van de Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf, waren er op 1 januari 1950 nog 67.000 Nederlandse landmachtmilitairen in Indonesië. Dat aantal loopt in de loop van dat jaar snel terug tot 3.800 op 1 januari 1951. "In juni 1951 werd de repatriëring voltooid", aldus Elands. Er waren overigens in juli 1950 volgens Elands ook nog ongeveer 7000 KNIL-militairen. De aantallen voor marine liggen volgens hem veel lager.

Tussen 1 januari 1950 en maart 1951 zijn 78 landmachtmilitairen in Indonesië overleden. Hiervan zijn er 11 ‘gesneuveld’. Volgens het overzicht van de stichting Indiëmonument zijn er, zo beweert Elands, in de eerder genoemde periode (tot medio 1951) in totaal ongeveer 110 militairen van landmacht en marine samen overleden na de soevereiniteitsoverdracht. Hierbij telt Elands dan ook de 10 tot 20 militairen die na terugkomst in Nederland overleden zijn. 

Het aantal overleden KNIL-militairen ligt aanzienlijk hoger omdat zij betrokken waren bij de zogenaamde APRA-coup (van Westerling) en bij gevechten in Makassar. "Op basis van genoemde bronnen is een totaal aantal van tussen de 250 en 300 in Indonesië overleden militairen (1950 tot maart 1951) m.i. redelijk betrouwbaar. Hiervan zijn naar schatting enkele tientallen militairen bij gevechten of incidenten gesneuveld", zo besluit Elands.

Berings is een van de vele Indië-veteranen die zich door de Nederlandse politiek verraden voelen. Berings weet dat er Nederlandse militairen zijn gesneuveld na de soevereiniteitsoverdracht, want er zaten maten van hemzelf bij. "Maar blijkbaar is het nu nog steeds moeilijk om te achterhalen hoeveel militairen er na de soevereiniteitsoverdracht zijn ‘verdwenen’ die nu nog altijd als ‘vermist’ moeten worden beschouwd", zegt Berings, die overigens met bitterheid constateert dat het symposium in Breda op 16 december nauwelijks aandacht heeft gekregen in de defensiebladen. 

Berings wil wel vertellen hoe hij de soevereiniteitsoverdracht heeft ervaren, maar maakt meteen een kanttekening. Berings: "Ik ben het helemaal eens met Anton P. de Graaf die schrijft dat er geen twee veteranen te vinden zijn met dezelfde mening en met dezelfde ervaring. Zelfs als ze exact hetzelfde hebben meegemaakt kunnen ze toch nog een verschillend beeld ervan geven.

Ik kwam aan in Indië begin 1949. Na mijn aankomst ben ik meteen doorgereisd naar Tjimahi en werd gedetacheerd bij 4-1 AAT (Aan- en Afvoertroepen). Toen deze eenheid vertrok werd ik gedetacheerd, ook in Tjimahi, bij een peloton van 43 AAT. De rest van dit onderdeel was gelegerd in Batavia. Begin 1951 werd ik overgeplaatst naar het 15e Bataljon AAT in Bandung en later geplaatst bij de ‘Nederlandse Militaire Missie’ ook in Bandung.

Na de soevereiniteitsoverdracht stopten de oorlogshandelingen niet. Je had allerlei strijdgroepen, zoals de Darul Islam, en ook allerlei ongeregelde bendes. Verschillende bevolkingsgroepen bevonden zich na de soevereiniteitsoverdracht in een bedreigde situatie. Dat gold voor iedereen die met de Nederlanders had samengewerkt, maar ook voor de ‘Indische Nederlanders’ en de Chinezen. Ook voor ons militairen werd het onveiliger. In mei 1951 ben gemolesteerd door een twintigtal TNI-ers op de Alun-Alun in Bandung. 

Ik was alleen naar de film gegaan en bij het verlaten van bioscoop liep ik ze tegen het lijf. Een toevallig passerende patrouille van de Indonesische militaire politie heeft me toen ontzet. Dat waren een paar oud- Knil militairen. Daarna zijn wij, om veiligheidsredenen, als allerlaatste Nederlandse militairen (ongeveer 50 man) uit Bandung vertrokken naar Batavia. Ik had niet meer de beschikking over een wapen. In feite waren wij sinds de soevereiniteitsoverdracht militairen op ‘vreemde’ bodem.

In juni 1951 werden wij voortdurend ‘s nachts beschoten door Indonesische militairen vanuit een nabij gelegen kampement. Ik heb in die periode na de soevereiniteitsoverdracht vier vrienden verloren. Dat waren Cas Leeuwis, Theo van de Loos, Sjef de Bie en Henk Laisina. Zij liggen allen begraven op de Erebegraafplaats in Bandung. Ik heb hun graven al vier keer bezocht. 

De laatste drie ‘sobats’ zijn op 17 december 1950 neergeschoten tijdens een potje voetbal tussen een team van Nederlandse militairen en een plaatselijk team. Verder heb ik een aantal bekenden verloren op de route Bandung-Batavia, van wie nooit meer iets is vernomen. Deze route werd door ons regelmatig gereden. Zelf ben ik een keer net buiten Bandung, toen ik daar in mijn jeep reed, door een groep van vijf gewapende Indonesische militairen aangehouden. Ik moest uitstappen en een naast de weg gelegen open terrein inlopen en aan de rand van een palmbos gaan zitten. 

Ik heb daar, in mijn beleving, ongeveer 1 tot 2 uur in doodsangst gezeten terwijl er voortdurend wapens op mij gericht waren. In mijn bijzijn werd geen woord gewisseld, alleen op een afstand van een paar honderd meter, waar waarschijnlijk hun commandant of leider zich bevond. Na een uur kreeg ik het sein om terug te lopen naar mijn jeep. Ik heb dat in een roes gedaan, omdat ik verwachtte dat ik mijn rug geschoten zou worden. 
Dit bezorgt mij tot vandaag de dag, ik ben nu 72 jaar, nog af en toe nachtmerries.
De meeste mensen weten niet, dat tijdens de ‘politionele’ acties in Nederlands Indië minder sobats zijn gesneuveld dan buiten de acties om. 

In juni 1951 ben ik op een vliegtuig gezet met bestemming Schiphol. Als burger, anders zouden wij geen tussenlandingen mogen maken in Bangkok, Karachi en ik meen Cairo. Mijn naaste familie werd niet op de hoogte gesteld van mijn terugkeer in Holland, zelfs mijn ouders niet! Dat was blijkbaar te veel gevraagd van onze overheid. Op Schiphol kon ik mijn familie telefonisch inlichten dat ik weer terug was in Nederland, dus voor mij geen ontvangstcomité".