De bevrijding van Bodjonegoro
Verhaald door een persende Pater.

Pater B. J. J. Vroom.Brigade-aalmoezenier.
Bron: “Wapenbroeders”  26 mei 1949 -   mei 2000 George J. Visser (IMH)    

Maanden  geleden werd Bodjonegoro bezet. Een vrij zware tocht, niet zozeer   door de tegenstand, die de Mariniersbrigade had te overwinnen, dan wel door de slechte wegen, die er heen leidden en de brede kali Solo, die men te „overbruggen" had.
Dan het eerste begin in deze stad; geisoleerd, met ziekten en  andere tegenslagen.
Reeds eerder hadden wij hierover willen schrijven en ook kunnen schrijven, maar de aalmoezenier van de Mariniersbrigade, pater Vroom, die ondanks zijn 50 jaren dit alles meeperste en meemaakte, zou - als we het zo mogen noemen - de primeur hebben. Zijn eigen verhaal zouden wij publiceren en niet een verhaal van hetgeen wij van anderen gehoord hadden.
Pater Vroom is ziek geweest, een behoorlijk tijdje „Bodjonegoro" bleef liggen, maar wij hadden geduld.  Totdat het door de pater kon worden afgemaakt en wij het hier plaatsen, echt, als de belevenis van een man, die niet alleen bij de mariniersbrigade een hoogstaand  priester is, doch ook:  een waarachtig marinier.

Je moet aan het front eindelijk eens een herbergzame post hebben bereikt, zoals Babat, ,een complex van ruimten, een geharrewar van manschappen, een barricade van tampatjes en 's avonds zittend op die tampatjes een gezellig kombijtje, om dan opeens de opvolgend bataljonscommandant te zien binnenstappen, die zegt: „Heren, morgen richting Bodjonegoro". Dat woord „Heren" klinkt natuurlijk wel goed in de oren van de mariniers, maar het woord „Bodjonegoro" tovert zwarte vlekjes voor mijn ogen.
De volgende ochtend 4 uur: „Waarom  tóch in het hardst……. donker?"

En: „Hé zetten jullie die truck eens  voor de poort weg„. En: „Schijn daar niet zo met die smerige koplampen”. De  volgende morgen om 4 uur dus trekt onze colonne zich de Babatse blubber uit om spoedig te geraken in nog veel grotere   binnenwegblubber, waardoor al heel gauw een truck opzij zakt en 2 stoere   mariniers, gehelmd en gewapend, over de railing heen, de sloot in duiken. Maar daarom niet getreurd.
Het geeft een oponthoud van 10 minuten, gedurende welke ,ik aan de sergt.maj. Du Cloo vraag, hoe het met zijn  baard staat, waarop hij een snedig antwoord geeft. Het zou een avontuurlijke tocht worden, Du Cloo was er dus weer bij!

Rengel !
De naam van die plaats blijft me steeds als een wanklank in de oren hangen. De troosteloze streek van kalkgrotten, natuurlijke versterkingen en verder 2 jeeps voor mij midden op de weg.  
Een steekvlam, een klap en een jeep de lucht in. Achter de jeep ligt sergt. maj. Du Cloo, naast de jeep, chauffeur Mol.
Du Cloo leeft nog, ik kan hem nog juist het Heilig Oliesel geven en de gebeden der stervenden bidden.
De dokter gaat nu van hem naar Mol, die met een hevige shock, bloedend op de weg ligt.
Nadat de dokter hem behandeld heeft en ik ook hem geestelijke bijstand heb gegeven, wordt hij op de brancard en in het ziekenwagentje gebeurd. Echter niet zonder moeite.

Toen ik hem echter dezer dagen door de gang van het Marine Hospitaal in Soerabaja zag drentelen, hunkerde hij alweer naar de volgende onderneming. Hij was er dus weer bovenop en sprak alleen nog maar van „zijn fijne vriend Du Cloo, die het hoogste offer gebracht had.”

De verdere tocht ..........
Wel, over de kapotte bruggen zal ik  maar niet meer praten.
Hoe, vreedzaam ligt daar dat Sima aan de kali Solo. Een afrit naar de 80 meter brede rivier; een sappig groen grasveldje boven aan de oever waar we kerkdienst houden en waar ook een mortier staat opgesteld, zodat de „mortiercommandant", als er onraad is aan de overkant tijdens de kerkdienst, beleefd komt vragen: „Mag ik even schieten, pater?"

Enfin, de lezer bemerkt wel, dat het vreedzame al gauw uit die kampong verdwenen was. Vooral als ik hem vertel, dat we die paar dagen, toen we er zaten, 's morgens regelmatig werden gewekt met een paar peloporschoten door onze  hutwanden.
Totdat we op zekere morgen als enig antwoord op deze schoten een knalharde “Marche Militaire" op onze radiojeep toevallig aanzetten, waarop de pelopors onmiddellijk verdwenen.
Dan komen de lang verwachte vliegtuigen. Ze „droppen" ........ rubberbootjes en een touw van 100 meter, waar we om hadden gevraagd.

Ach, dat touw!  Hoeveel zweetdruppels heeft het niet gekost, hoeveel hoofdpijn van de commandant en .hoeveel lelijke woorden van het hele peloton, toen men op die avond met vereende plannen en met een luidruchtige ruzieën het eindelijk  op de andere oever had gekregen ! Drijfnat van regen en van het vuile water van die „stinkrivier" zie  ik ze van de overzijde terugkomen.  „Hoe moeten we  nu snurken?" „We hebben geen kleren meer!”
 „Ga maar naar de  hut van sergt. Du Pré", zeg ik, „die heeft een vuur gemaakt,daar kun je je drogen".

Maar ook sergt. Du Pré was kletsnat en er moest toch iemand de wacht betrekken. En zo zag ik hem dan in het halfduister plotsklaps op wacht staan met absoluut niets anders aan dan helm en geweer.
lk was meegekomen met compagnie „Z".   Met haar lag ik in Sima, totdat men werd afgelost door compagnie “U" en wij op  een Zondag Bodjonegoro zouden gaan bezetten.
Dat ging zo: 's -morgens vroeg droeg ik de H. Mis op voor het goede verloop, op hetzelfde bovengenoemde grasveldje, terwijl ook dominee Veening daar  ter plaatse een kerkdienst hield.

Aan de overzijde van de kali gekomen - niet zonder dat de prauw, waarmee we ons langs het welbekende touw overtrokken, bijna kapseisde - volgde de welbekende armbeweging van de commandant; „Voorwaarts" en zo begon de eigenlijke tocht.
66 man, de dominee en ik meegerekend, alsmede enige dragers, die toch ook wel niet geschoten hebben. Wij persten aan weerszijden van de weg voort, totdat we bij een luguber kerkhof kwamen op de hoek van die weg.   Ping, ping, pang; een flink snipervuur uit de bomen.  Dekken, jongens!

Een half uur later, als we weer verder getrokken zijn, bevinden we ons voor een boomversperring, waaruit ook nog enige salvo's gegeven worden. Dit wordt gauw  tot zwijgen gebracht, maar de bomen liggen er en blijven er liggen. En dat is een hele handicap, want we hebben een jeep bij ons, die ook in de prauw over de rivier is heengetrokken. Hoe moet die jeep nu langs die omgevallen bomen?

Inderdaad, het is niet te beschrijven. Vraag het maar aan chauffeur Verschoof, die dit voertuig er doorheen heeft gegoocheld. Totdat we voor de spoorlijn staan, 3 man zijn er al overheen. “Niks loos", zeggen hun zwaaiende armen en zo trekken we dan om 2.20 uur de spoorbaan over en Bodjonegoro binnen. „Hè, hè".
„Niks hè, hè ! Nog geen 100 meter verder begint het snipervuur opnieuw. Vanaf de pasar, meneertje !   Ook dit wordt bezworen. 500 meter verder, als we juist bemerken hoe mooi het hier is, gaat het weer van peng, peng, peng uit tuinen en bomen. Ik hoor de kogels ketsen tegen 't witte muurtje waar we langs lopen, gelukkig aan de andere kant! Maar die muur heeft een open poort ! Daar moeten we langs. Geen nood. Van Veen en Thijssen geven respectievelijk boven en naast de poort een riedeltje tommygun weg onder het roepen van: „Kom maar". Een run langs de opening en: „Fijn zeg, we zijn er alweer!"

De aloon-aloon is tenslotte bereikt. De pelopors geven daar nog een laatste adem vuur weg en steken de toko's op de hoek nog gauw even in brand.
Niettemin zitten we even later in 4 van de weinig overgebleven huizen met een paar barricades voor en achter het huis. De Arabier-eigenaar gaat er gauw vandoor met zijn 4 vrouwen en de baboe, na volgens belofte, een hap rijst te hebben achtergelaten.
Wat zit je hier heerlijk uit te rusten bij de vergasserlamp!  De electrische centrale is natuurlijk al lang vernield, evenals alles wat maar dienstig kan zijn voor een normaal stadsleven. Zal zich dit spoedig weer herstellen? Pang, pang, we worden weer uit onze overpeinzingen opgeschrikt. We nemen een haastige duik, want de kogels vliegen door de vensters.

De volgende avond begint hetzelfde feest en de daarop volgende avond richten ze een paar mortiergranaten op onze huizen.
Zo gaat het door, niettegenstaande onze kleine bezetting alles doet om de vijand van het lijf te houden. Want ook als de kapitein Blom met het tweede peloton is gearriveerd, slinkt het verhoogde aantal manschappen aldra, doordat een groot gedeelte ziek komt te liggen. Een soort malaria.

Geïsoleerd:  we hebben nog 2 boeken en 2 kranten. Iedereen heeft ze al uitgespeld. Misschien wel goed dat we geen krant krijgen. We zouden er misschien in lezen dat iemand in Nederland ons voor nazi's uitmaakt …O ja, dezer dagen vraagt een republikeins burger mij te spreken. Na het gesprek zegt hij: “Ik begrijp wel, dat Uw soldaten de pelopors beschieten, maar ik begrijp niet, dat ze in Nederland" -  en toen sprak hij zachtjes -  „medelijden met deze kerels hebben".
Ik antwoord: „U bedoelt zeker mijnheer Van Heuven Goedhart". „Ja, ja", zegt hij. Dan begin ik ook zachtjes te spreken.
En ik antwoord: “Nou, ik begrijp het ook  niet". Maar de volgende avond is het weer hurry-up.
Met kniemortiertjes komen ze in het donker de stad binnen.

Het aanzicht van onze verdedigingslinie is als volgt:
Bij de eerste schoten komt luitenant Termate in pendek en helm, omhangen met een beddedeken, zijn ziekenkamer uitstrompelen; hij geeft achter het huis een paar commando's, onze mortier buldert aan één stuk door en na deze bestrijding van de vijand waggelt de luitetenant weer naar zijn bed, om de rest van de nacht de koorts te bestrijden. Ik ga eens even naar die mortierbuis kijken. Wat staat dat ding in een schrikbarend kleine helling. Eerlijk gezegd ben ik altijd een beetje bang, dat zo’n buis plotseling achterover buigt. Jullie zeker niet?  Kom nou!

Daar komt het bericht dat Catalina,'s zullen landen, bij Sima, op de rivier. De zieken worden afgevoerd. Met het laatste transport ga ik zelf mee en hoor later in het Marine Hospitaal te Soerabaja de meest sprookjesachtige verhalen omtrent Bodjonegoro.
Ik hoor van luxueuze voedseldroppings (zelfs ice-cream) ik hoor van een pontonbrug bij Sima, waar hele trucks overheen gaan, van patrouilles ver buiten de stad, ja, de Zuidweg is vrij. De verbinding via Bodjonegoro naar Tjepoe is zelfs hersteld en als dan nog een van de luitenants uit Bodjonegoro zo maar even naar Soerabaja overwipt om te trouwen dan denk ik wel haast aan het verhaaltje van „1001 nacht".