Terugblik en vooruitblik

door: W.L. van den Heuvel  

Om het zomaar even samen te vatten staan we op de eerste trede van het nieuwe millennium en met onze geboortedata rond 1925 wil ik voorzichtig uitgedrukt zeggen: "dagen tellen en bij de tijd blijven". Met deze vooruitblik wil ik niet suggereren dat we stokoud zijn, maar zeker niet piepjong. Optimistisch gezien hopen we nog jaren te mogen meegenieten van wat het leven om je heen te bieden heeft.

Wat onze terugblik betreft raadpleeg ik toch wel eens mijn fotoalbum met de daarin vergeelde plaatjes van de jaren 1946-1950. Om ons geheugen nog maar eens wat op te frissen en "fris" wàs het in de maanden november/december 1946. In plaats van ons te verwennen met een hete sauna of een hoogtezon, teneinde een beeld te krijgen van wat ons te wachten stond in het tropische klimaat, stonden we in de vrieskou van ongeveer -15° C wacht te lopen voor een lege loods. In een tijdsbestek van zo’n 3 maanden opleiding, inclusief 5 patronen afgeschoten te hebben, vertrok ons bataljon van 4.7 R.I. vanuit Oirschot richting Eindhoven, om vervolgens op de boemeltrein naar de Rotterdamse haven gezet te worden voor inscheping. Langs overwegen stonden vele ouders en familieleden hun zonen of geliefden uit te wuiven.

De bezorgdheid van de overheid was enorm. Dit bleek op het moment dat de machinist zijn snelheid beperkte, teneinde een peloton van de MP de gelegenheid te bieden met een sprong zich vast te klampen aan de buitenkant van het treinstel, met de bedoeling opvang te bieden aan manschappen die eventueel hun evenwicht zouden verliezen door te ver buiten de ramen te hangen (althans daar gingen wij vanuit).

De inscheping had overigens een vrij vlot verloop. Wie kent het niet: in hangmatten en kribben boven elkaar gestapeld verdween de ene na de andere compagnie in een schaars verlichte en bedompte benedenscheepse ruimte. De Kota Baru, het omgebouwde vrachtschip, werd ingericht voor 2 bataljons nl. 4.7 R.I. en 4.5 R.I.. Noem het maar even voor het gemak een paar duizend makke schapen in een kooi.

Op dagdatum 17 februari 1947 werden de trossen losgesmeten en het zwaar beladen schip met muziek van "Wilhelmus van Nassauwe" naar open zee geloodst. Met luid getoeter namen de sleepboten afscheid en kon de Kota Baru op eigen kracht aan de grote overtocht beginnen. Voor diegene die vanwege de bedompte lucht in de benedenruimen zich niet prettig voelde was er maar een uitweg: zo snel mogelijk naar het bovendek, je longen volpompen met frisse zeelucht, om vervolgens te genieten van het leedvermaak vanwege de vele hoofden die overboord hingen om het laatste voedsel dat in hun magen knaagde over de reling te vomeren. Persoonlijk ken ik een jongen die zijn kunstgebit naar de haaien zag gaan. Als ik daarop terugblik was er aan leedvermaak geen gebrek en was humor het beste medicijn! We mochten wel de naam soldaat dragen doch zeeman is een heel ander beroep.

Wie herinnert zich niet de sloepenrol, het aanmeren in Port Said, en stapels brieven van het thuisfront. Kratten mandarijnen werden aan boord getakeld: vijftig stuks voor een piek. Allerlei snuisterijen waar men dacht een koopje aan te hebben werden binnengehaald, niet wetende deze spullen jaren te moeten meeslepen. De reis ging verder door de Bittermeren, Suezkanaal, Rode Zee, Aden, Oceaan, Straat Malakka enz. enz.. Een reis om nooit te vergeten, sterker nog, het komt steeds meer terug.

Wie is het vergeten? De eerste rijstmaaltijd die met zorg door de scheepskok was bereid en wij enigszins met lange tanden met kleine beetjes naar binnen werkten. De banaan als toetje: een uitermate welkome maagvulling. Doch alles went en eten moet je.

Aangeraden werd voorzichtig te zijn met zonnen; beginnen met 5 minuten per dag.

6 Maart: het verplichte innemen van Mepacrine-pilletjes om malaria te voorkomen. Je kunt het echt niet zo stellen dat men niet bezorgd was over de manschappen…

De voorlichting van de aalmoezenier om vooral straks de publieke meisjes te mijden werd met nadruk aan de kaak gesteld, temeer omdat maar liefst 7% van deze dames een ziekte kon overbrengen. Zijn stem klonk als een dreiging en terecht. Je kon de man overigens niet kwalijk nemen dat hij van ons maandelijks soldij van slechts ƒ 55,-- niet op de hoogte was, maar toch was 't een waardevolle tip van een man met veel ervaring. Trouwens, door elke avond op het bovendek een gebedsdienst te houden, zouden ons deze ongemakken tijdens de zeereis zeker bespaard blijven.

Vandaag 17 maart 2000 - toen 17 maart 1947:

We naderen de eindbestemming. Vanaf het bovendek gezien zagen we de zwiepende palmbomen en drongen de vrolijke welkomstklanken, ten gehore gebracht door een militaire kapel, tot ons door. De ontscheping ging van start. Een voor een daalden we schoorvoetend de brug af na vier weken deinen weer vaste wal onder de voeten te hebben. Waggelend als dronken eenden, zwaar bepakt, richting de gereedstaande wagens, alwaar chauffeurs van de daar gelegerde stoottroepen ons naar het bestemde onderkomen vervoerden. Er werd spoed gezet met de ontscheping, daar men het bataljon vóór het invallen van de avond onder de pannen wilde hebben.

Dat we niet hoefden te rekenen op een drie sterren hotel was ons wel duidelijk, doch met een kale vloer en een dak boven ons hoofd was de afspraak zoals gepland: vóór het donker onder de pannen.

De eerste indruk leek meer op een leeggeroofd huis. Geen enkel meubelstuk sierde het vrij grote vertrek, zelfs geen veldbed. Van alles dus niets. De sergeant die dat varkentje wel eens even zou wassen had al snel een veldbed en een opbergkastje voor zichzelf geregeld. De gedachtegang voor ons was duidelijk: "Ieder voor zich en God voor ons allen".

In stilte werd de grote hoeveelheid aangekomen post doorgenomen. Aan de gezichtsuitdrukking van sommigen was af te lezen dat de eerste liefdesverhoudingen al een breuk hadden opgelopen. "Niet zeuren", waren de troostende woorden. Er zouden er nog vele volgen...

Voor het invallen van de avond moesten de inderhaast aangevoerde klamboes nog worden bevestigd. Enfin, na alle touwtjes aan elkaar geknoopt te hebben, lag het peloton om ongeveer 22.00 uur letterlijk plat, de eerste Maleise woorden uitsprekend: "Slamat tidoer toean".

Successievelijk nam 4.7 R.I. de taken van de stoottroepen over en konden deze wapenbroeders zich opmaken voor repatriëring. Uit de verhalen werd ons duidelijk dat zij al vele hete kolen uit het vuur hadden gehaald, eraan toevoegende dat het nablussen nog moest beginnen. Een taak die ruim vijftig jaar na dato nog doorwerkt.

Na enkele maanden verblijf in Palembang werd het bataljon verspreid ver buiten de stad naar diverse kampongs; meer in de gebieden waar veel gepatrouilleerd moest worden teneinde groot grondgebied van rampokkers te zuiveren. De grote geheimhouding in welke richtingen de patrouilles zouden plaatsvinden werd tenietgedaan door kampongbewoners die met veel tamtamgeroffel de aangrenzende dorpen aandachtig maakten op het feit dat de blanke antjings in aantocht waren. Vooral in de nachtelijke uren drongen dergelijke geluiden zeer ver de oerwouden door. Diegenen die deze gebieden niet gekend hebben zijn het kwartje aan gevarengeld mooi misgelopen.

In de natte moessonperiode was het nog minder aantrekkelijk om in deze achteraf gelegen gebieden te verblijven. Behoudens de dierengeluiden waren vooral de muskieten en bloedzuigers zeer bijkomstige plaaggeesten, terwijl een bunzing met zijn aftershave zijn vrije doorgang opeiste. Tussen al die bedrijvigheid door maakten we toch nog tijd vrij voor het aanleggen van een voetbal-/volleybalveld. Deze twee sportactiviteiten waren de voornaamste afleidingen voor ons. Zelfs de kampongbewoners waarmee we een tamelijk gemoedelijke omgang hadden, waren onze tegenstanders. Hiermee aangevend dat niet alles haat en nijd of kommer en kwel was.

Door het vroegtijdig invallen van de avonden begon de verveling toch parten te spelen. Herhalingen van verhalen werden dan ook abrupt afgebroken met woorden zoals "Had je dit gisteren ook niet verteld?". Mijn brencommandant had van zijn oom een netje opgestuurd gekregen om vlinders te vangen. We geloofden onze ogen niet. Terwijl ieder zich zorgen maakte of zijn wapenuitrusting in orde was, liep meneer met zijn verdovingsbuisje en vlindernetje, want zijn oom verzamelde vlinders. Het werd erger: schertsend werd de man "professor" genoemd.

De kruislat werd geïntroduceerd. Je kent het vast wel: twee latjes over elkaar vastgespijkerd op het middelpunt. Vervolgens naast elkaar gelegen alfabet, ja en nee, plus 0 tot en met 10. Dat was het dus en het spel kon beginnen. Het vervelende was echter dat je 4 serieuze personen nodig had om daaraan deel te nemen. Je voelt de tropenbui al aankomen. Jokers genoeg, maar serieuze mensen na een jaar tropen werd een beetje bedenkelijk. Om de professor niet teleur te stellen waren weken achtereen de 4 plaatsen bezet om de geesten op te roepen. Daar zaten we dan: ieder een vinger onder het uiteinde van de kruislat, en het leek wel alsof de geesten zichtbaar waren op de zijwanden van de kamer. Die zogenaamde geesten bleken onze schaduwen te zijn, op de wanden geprojecteerd door het schijnsel van het kaarslicht. Het echte oproepen moest nog beginnen.

Bij de minste bedenkingen -al was het maar 1 van de 4- de geest niet serieus genomen te hebben, werd deze opstandig. De kruislat zwiepte dan alle kanten uit behalve de goede en belandde met een smak op de grond, met als gevolg: ik mocht nooit meer mee doen.

Het was toch tekenend dat de tropen hun tol gingen opeisen. Met al de smeekbeden aan de geest is er geen enkel goed verloop uit de bus gekomen. Deze had dus kennelijk gewonnen, temeer omdat na 5 weken de verpleger 4 manschappen, waaronder ondergetekende, doorzond naar het hospitaal in Palembang met de vermelding: geelzucht. Na onderzoek konden we alledrie vertrekken en had de geest teveel van het geestelijke van de professor in beslag genomen. Op korte termijn is de man gerepatrieerd en tot genoegdoening van ons allen binnen afzienbare tijd volledig hersteld. Eind goed al goed.

Het volgende euvel biedt zich aan: haarschimmel. Binnen de kortst mogelijke tijd zat iedere haardos vol zwarte punten. Vraag mij niet waar het advies vandaan kwam, maar door je zakkammetje steeds opnieuw in de petroleum te dompelen en vervolgens door je haren te kammen, moest het genezen. Er was maar een oplossing: je haren zo kort mogelijk laten knippen of kaal scheren.

Dat was wind op de molen van de enige roodharige die zijn kans zag groeien om er een zwarte haardos aan over te houden. Iedereen nam zijn eigen keuze zijn haardos tot op de centimeter te laten korten alleen je raadt het al, die ene eiste een volledige metamorfose op in afwachting op wonderen der mensheid. Onaanneembaar waren de gevolgen. Binnen veertien dagen waren de eerste donshaartjes zichtbaar met een zeer verrassende kleur: extra donker rood. Aldoende kreeg ieder op zijn tijd z'n trekken thuis en luidt het gezegde "Door schade en schande wordt men wijs".

Daar de meesten de moed niet konden opbrengen een dagboek bij te houden, moet het omstreeks april 1948 zijn geweest dat wij een verrassingspakket kregen aangereikt met als inhoud een pyjama. Dit moet toch wel een bijzonder ogenblik zijn geweest van de toen voormalige minister Beel -excuseer mij als ik de verkeerde prijzenswaardige minister betitel- niettemin, ‘t was een uitermate welkome aanvulling aan ons zeer schaarse ondergoed van slechts twee stuks.
Wij voelden ons gelijk aan de mannelijke kampongbewoners daar deze soortgelijke kleding droegen met als gevolg "de toean maakt een avondwandeling in nachtgewaad".

De volgende dag werd er aangekondigd dat er een voorlichtingsofficier alle detachementen aan zou doen alwaar men allerlei vragen kon stellen. Belangrijk voor ons was dat het iemand zou zijn waar je echt je ei aan kwijt kon. De officier kon het niet beter treffen dan op dit detachement de primeur te hebben. Nu moet mij even van het hart dat wij met ons peloton opgezadeld waren met een gedeelte van de stafcompagnie; niets dan goeds over deze manschappen, maar toch net iets van een ander kaliber. Op afgesproken tijd arriveerde in vol tenue de officier, opgesierd met aan weerszijden twee sterren, hierbij aanduidend dat men niet de eerste de beste aangesteld had om deze taak te vervullen. Dit zou 90 minuten lang in beslag nemen en daar hadden wij onze vragenlijst dan ook op gebaseerd.

Onze eerste indruk was dat nou niet echt een vrolijke Hein kwam binnentreden, althans zijn gelaatsuitdrukking zag daar niet naar uit. Een beetje begrip konden we daar wel voor opbrengen temeer omdat een meerdere een peloton denkt aan te treffen in een keurig uniform in plaats van een pyjama (trouwens ik weet ook niet of de man Hein heette). Een spaarzaam petroleumlampje verlichtte het grote vertrek en kaatste het flauwe vlammetje op de blinkende sterren plus de sluitingen van zijn aktetas. Om toch maar met een enkel grapje te beginnen: richting onze kledij was voor de luit het ijs gebroken maar voor ons was de tropische warmte voelbaar. Met als het ware het mes op scherp zouden wij beurtelings onze politieke standpunten uiteen zetten, doch het verloop pakte echter anders uit. Wij mochten allerlei vragen stellen behalve over geloof, politiek en vrouwen.

De man had beter met een geladen pistool binnen kunnen komen dan met zo'n onzinnig gezegde. 
Wij voelden ons al een jaar ingezet als een pion van een schaakspel maar daarom waren we nog geen stelletje jokers. Om de luit op zijn doorzettingsvermogen te testen drongen wij onze politieke standpunten tot aan het uiterste door, doch deze haakte nergens op in. Dan maar een paar stompzinnige vragen lanceren, o.a. of in Holland het gras nog groen was en de steentjes hard, en of hij eventueel een slof normale sigaretten had meegebracht i.p.v. de beschimmelde Highway of anders gezegd, heimwee rokertjes, kortom de hele discussie was binnen 20 minuten afgedaan.

De luit gaf te kennen zijn beklag aanhangig te maken bij de compagniecommandant over zo'n ongedisciplineerd stelletje soldaten, dus besloten wij hem uit te nodigen voor een partijtje volleybal bij volle maan (om toch nog even onze sportiviteit te tonen). De emmer liep beduidend over. De luit pakte zijn aktetas met de woorden: "Jullie zullen hier meer van horen!", en vertrok. We hadden vergeten te vragen wat de inhoud van zijn tas wel was geweest maar ach, wat deed het er toe; we hadden op onze manier toch nog 'n leuke avond gehad. Wat de klacht bij de grootmajoor betreft vernamen wij via betrouwbare bron dat deze het gesprek (de manschappen kennende) had ingeschat op 15 minuten.

Wat onze ervaring betreft behoefde elke patrouille niet altijd een ergernis te zijn. Niet dat je in alle vrolijkheid op stap ging omdat je wist dat je kaki uniform binnen de korst mogelijke tijd (vanwege het vochtverlies) veranderde van kleur. Stilzwijgend werden tientallen kilometers van dorp naar dorp afgelegd met als afleiding krijsende apen of vrolijk fluitende vogels. Wie kent het niet: bij het benaderen van zo'n kampong van de begaanbare weg af te wijken, de drassige sawa's op te zoeken om vervolgens tot ver boven je middel doordrenkt de achterzijde van zo'n kampong te bereiken.

Doorgaans waren de slimme vogels verdwenen en de achtergebleven, op het oog vredelievende mensen, zich van geen kwaad bewust. Tussen de dichte bebossing viel ons een klein huisje op, waar wij met onze lengte met gekromde rug onderdoor konden lopen.
Voor de ingang zat zo het liet aanzien een oma met haar kleinkind. Met een zeer onderdanige buiging en angstige blik begroette de vrouw ons. Mijn geruststellende woorden bleken van weinig invloed, dit wekte argwaan en kreeg de geur van onzuivere koffie. Met toestemming van oma mocht ik binnen een kijkje nemen en daar leek op het eerste gezicht geen teken van leven te bespeuren, totdat een opgerold biezen matje mijn aandacht trok. Op de vraag wat de inhoud wel was, sprak oma enkele in dialect voor mij onbegrijpelijke woorden, waarop het matje een uitrollende beweging maakte en vervolgens een beeldschone jonge vrouw verscheen.

Totaal overstuur en met herhaling van "kassian toean" was de smeekbede van de vrouw moeilijk te temperen. Het leek als het ware een geschenk uit de hemel waarbij zelfs elke apostel een kruis ten hemel had geslagen. Daar er verder geen onraad te bespeuren viel besloten we onze weg te vervolgen en keerde de rust in het gezin terug. Nawuivend met de woorden "Slamat djarlang terima kassie toean". Zeer zeker zijn er patrouilles geweest met een andere afloop, doch bij deze is er letterlijk en figuurlijk geen schot gelost.
Met deze gedachtegang laat ik ieder zijn eigen keuze. Ik ben nog nooit een veteraan tegengekomen met de gelijkenis van het lieverdje op het Spui in Amsterdam en voor een heiligverklaring zal geen enkele sobat op de nominatie staan, maar daarom willen we nog niet afgeschilderd worden als beesten of in welke bewoordingen dan ook.

Terugkomend op het detachement was het eerste werk je zo snel mogelijk van je stinkende kleding te ontdoen, je richting kali te begeven alwaar vier grote drums gevuld werden met water gemengd met chloor voor ontsmetting, en het mandiën kon beginnen. De eerstkomenden konden het bruinkleurig water nog net waarderen doch hoe leger de drums werden des te meer kwam het bezinksel naar boven. Hoewel het niet direct zichtbaar was stond je dan toch jezelf te overgieten met afvalstoffen van de kampongbewoners. In de hoop dat er die dag een varkentje afgeschoten was, werd voor de warme hap toch nog slamat makanan gewenst.

Inmiddels verbleven we zo'n anderhalf jaar in de oost en zouden we volgens afspraak zo langzamerhand onze koffertjes of liever gezegd onze plunjezakken voor repatriëring gaan pakken. De hedendaagse uitspraak daarentegen is anders, namelijk "Foutje, bedankt". Met een geweldig feest in het vooruitzicht bleef de plunjezak voor wat het was en zouden wij onze energie besteden aan de voorbereiding in het kader van de troonwisseling van H.M. Koningin Wilhelmina aan Prinses Juliana. Met alle inzet inclusief de manschappen van de staf werden palmtakken aangesleept om de twee naast elkaar gelegen bordessen op te sieren. Hoewel er geen oranje linten of dergelijke versierselen aanwezig waren kreeg het gehele gebeuren toch nog een aardig aanzien èn was het tevens een propagandastunt voor de kampongbevolking die dagelijks ons detachement passeerde.

Door ons feestelijk tintje nog meer uit te dragen werden de burgers erbij betrokken om deze overdraagfase mee te vieren d.m.v sportactiviteiten, vooral voor kinderen, te organiseren.
Dit moest slagen, alleen, waar feest is horen versnaperingen te zijn, en waar wedstrijden zijn horen prijzen te zijn maar daar haperde van alles aan. Daags voor het grote gebeuren zou de fourage- wagen nog een steentje bij kunnen dragen, doch je maakte je steeds weer blij met een dooie mus. Buiten de normale post en een enkel postpakketje was er ook de vooraad "heimwee sigaretten" die vanwege schimmelaantasting gelijk retour kon. Het Oranje Boven bleek enkel nog te redden door de vier gamellen aanmaaklimonade in aangepaste kleur. Aangevuld met 15 pilsjes voor 30 manschappen was onze feeststemming nog ver te zoeken.

Een kinderhand is snel gevuld en met een onderlinge inzameling van wat snuisterijen zoals een rolletje drop of pepermunt, een spiegeltje enz. enz. van het thuisfront, promoveerden wij ons tot de club van de barmhartige Samaritanen en hangt er vooralsnog een heiligverklaring in de lucht…

Uitbundige tevredenheid bij het winnen van ‘n prijsje.

Natuurlijk kun je zeggen: "Willem drijft er de spot mee", doch zo is het gelopen en niet anders.

De feestdag begon zoals elke dag: 'n broodje pindakaas of hagelslag met een kroes koffie of thee. Om 10 uur stond iedereen in keurig zondags tenue aangetreden voor de in top gehesen driekleur. Alvorens de grootmajoor aan zijn lezing begon werd het commando plaats rust gegeven.
Met enkele woorden vooraf opende de commandant met dezelfde woorden als Zijne Koninklijke Hoogheid in 1948: "Wie ben ik dat ik dat mag doen?" Nu moet ik mij verontschuldigen omdat ik me echt niet meer kan herinneren wat er verder op volgde. Wel viel het ons op, gezien de bundel papieren, dat deze lezing geruime tijd in beslag zou nemen. Uit onze ooghoeken elkaar aankijkend waren woorden overbodig. Keer op keer ons lichaamsgewicht verplaatsend stonden wij eerlijk gezegd op het slotwoord te wachten.

Uit de lezing konden wij althans niet merken dat er een of meer bladzijden waren overgeslagen. Naar het leek had de grootmajoor onze gedachten gelezen door met een plotselinge stemverheffing "Lang leve de Koningin" uit te roepen.
Uit onze schrikreactie was duidelijk te merken dat (naar ik meen door ontroering) onze stembanden het hadden begeven en na het "hiep hiep hiep" waren er twee of drie manschappen die er nauwelijks nog het "hoera" konden uitpersen. Hiermede was het officiële gedeelte teneinde. Na het "ingerukt, mars" konden wij ons vervolgens in gaan zetten bij het openen van de kinderactiviteiten.

De dag werd een succes met hardlopen, koekhappen, zaklopen enz. enz. Hierna keerden alle deelnemertjes met 'n presentje tevreden huiswaarts. Met een sportieve aftrap eindigde de voetbalwedstrijd met een gelijkspel en hadden wij bij deze ons steentje bijgedragen aan een goede verstandhouding met de kampongbewoners.

Met een overplaatsing naar een andere kampong waren dat meestal dienstgeheimen waar je voorzichtig mee moest omspringen. Wij vernamen het echter al weken vooraf van de plaatselijke bewoners. Die hadden blijkbaar hun eigen inlichtingendienst en dan kwam pas de sergeant-majoor. Met de ene hand op zijn borst tikkend en de andere met vingers op zijn mond leggend bedoelde hij hiermee strikte geheimhouding geboden was. Hij kondigde een overplaatsing aan van Serdang Menang naar Kajoe Agoeng, wat voor ons een kleine vooruitgang was. Dit betekende voor ons verse aanvoer van groente, kraanwater, een tennis- en volleybalveld en een kleine kantine.

Al met al een ware luxe naar hetgeen we achtergelaten hadden. Maar je laat ook echt wat achter: het vertrouwen van de bevolking, de bekende omliggende kampongs, het Jappenbootje dat jaren in de kali had gelegen en we met alle mankrachten en techniek die we in huis hadden aan de praat kregen, de plekken die je dagelijks passeerde waar je wapenbroeders tijdens een patrouille verdronkens waren, de verdwaalde kogel die een kampongbewoner dodelijk raakte en je tevergeefs een poging deed de helpende hand te bieden. Je levert toch wat van je stoerheid in wanneer je zijn woning betreedt en ziet dat de wand versierd is met onze Nederlandse driekleur en foto's van onze koninklijke familie en dan te moeten zeggen: "Sorry."

Na enkele maanden verblijf in Kajoe Agoeng zijn we opnieuw overgeplaatst naar Betoeng, een anti-Nederlandse gezinde kampong. We moesten opnieuw weken op patrouille achter rampokkers aan die ons meestal te glad af waren. Dit betekende opnieuw ploeteren door het moeras, opnieuw maanden van stierlijke verveling, avond na avond achter een sjoelbak staan, een kaartje leggen en debatteren over de huidige politieke tamtam. Intussen gaven een groep van 10 T.R.I.-soldaten zich over, leverden hun schamele doch niet ongevaarlijke wapens in met een uitdrukking van: "De macht van de blanke overheersing loopt ten einde".

Op het scheiden van de markt had men blijkbaar bij Defensie de verkeerde lade opengetrokken en bij toeval ontdekt dat er nog wat achtergebleven strepen verdeeld moesten worden en werden we gedrieën van brenschutter bevorderd tot soldaat eerste klas. Met de bijbehorende 10 roepia soldijverhoging zouden wij de resterende maanden de bloemetjes nog eens stevig buiten kunnen zetten. Wat zo'n streepje al niet kan doen! We werden ingezet als instructeur om de kersverse nieuwelingen te wijzen op de gevaren tijdens het patrouilleren, samen een team te vormen en zonder woorden elkaar te begrijpen. De druk mocht bij een wapenstilstand dan wel van de ketel zijn doch het was en bleef oppassen geblazen.

Pladjoe, de streek van de olieraffinaderijen, was de zoveelste overplaatsing. Wederom opnieuw patrouilleren, maar nu tussen tientallen olietanks waar vele Nederlandse burgers beetje bij beetje hun machtspositie moesten prijsgeven. Na nog eens 14 dagen instructies te hebben gegeven aan de burgerbewaking werden we beloond met een paar sloffen sigaretten. Met het einde in zicht werden enkele pelotons ingezet als kwartiermakers om vervolgens te vertrekken per K.P.M.-schuit richting Java, alwaar we voor een kort verblijf vertoefden in het voormalige presidentiële paleis in Buitenzorg.

De laatste maand van 1949 werd voor het derde jaar een alles behalve vrolijke kerst. Met nogmaals een overplaatsing van een paar kilometer richting Poentjak, zouden we nog bijna betrokken zijn geraakt bij het plan een politiepost in Buitenzorg te overvallen dat vanuit Bandoeng werd geregeld.

Tot genoegdoening van onze manschappen werd dit voorstel voortijdig afgeblazen temeer vanwege het inzicht aangaande de soevereiniteitsoverdracht, de op handen zijnde repatriëring die al twee maal was uitgesteld, plus het waarom nog meer levens te offeren voor een verloren zaak.

27 December 1949 was voor elke sobat een donkere dag. Met de Nederlandse driekleur onder het Wilhelmus te zien strijken en de merapoetivlag onder het mardekka-gejuich te zien hijsen was de machtspositie ten einde. Sukarno kon lachend de handen schudden en Nederland kon ten koste van alles zijn balans opmaken. Na de overdracht werden we meerdere malen onder bedreiging staande gehouden door eenheden van Indonesische militairen en moest de hoogst in rang zijnde commandant zich melden om doorgang te verkrijgen, waarmede onze zelfbeheersing meerdere malen op de proef werd gesteld.

Januari 1950: voor 4.7 R.I. voor de derde keer geen schip voor de terugreis beschikbaar; de nog meer schrijnende gevallen hadden voorrang. Onze aalmoezenier was de aangewezen persoon deze berichten aan de manschappen door te geven en tevens te verzachten om ongenoegen te voorkomen. Deze tegenslagen werden dan in het weekend beslecht ten koste van menig meubilair in de ANVJ kantine, wat later dan toch weer verhaald werd op het soldij zoals bij het vertrek uit Oirschot.

Omstreeks 20 februari 1950 was het zover en konden we onze plunjezakken gaan pakken voor repatriëring. Gezagvoerder kapitein Stuut van het gereedliggend schip "De Volendam" lag de taak op zijn schouders de overtocht te realiseren. Met twee pelotons werden we daags voor vertrek aangewezen om als scheepspolitie voor de goede orde en regels een steentje bij te dragen.
Zonder verdere poespas of polonaise (in tegenstelling tot wat ik laatst op TV zag) gooiden we onze plunjezakken op de gereedstaande wagens. Ondanks onze laatste autorit toonden onze blikken geen tekenen van blijheid, wel min of meer van teleurstelling door de voor ons beschamende afloop.

Uitgewuifd door Molukse gezinnen met wie we de laatste maand op hetzelfde detachement vertoefden, kregen we het nare gevoel dat we deze mensen in de steek lieten. Het zij zo, de politiek had beslist en wij moesten vertrekken. Met zwaarbepakte plunjezak en een door mij geïmproviseerd houten kistje, torste ik met vele anderen onze schamele doch voor ons waardevolle souvenirs voor het thuisfront aan boord. Tot onze grote verbazing werden we naar tweepersoons hutten geleid, met uitzicht op zee en een scheepsbediening voor het dagelijkse onderhoud.
Dat we met dit S.P.-bandje om de arm zo luxueus bevoorrecht waren hadden we nauwelijks durven dromen. De gehele inscheping verliep vervolgens zonder problemen en met nog eens vier weken voor de boeg hadden we alle tijd de voorbije gebeurtenissen nog eens door te nemen. Waar we het wel gauw over eens waren, was dat ons verblijf van jaren geen gouden eieren hadden opgeleverd.

Op 22 februari zetten de 8500 PK motoren de schroef in beweging, die met 125.000 omwentelingen per dag de overtocht van de bataljons 4.5 R.I., 4.7 R.I., 4.8 R.I., 17 A.A.T., 5SK pan sub.detachement en KL. detachement KM mogelijk maakte. Met ruim 3000 mensen aan boord op een schip van 175 meter lengte en 20 meter breed, was het duidelijk dat men moest improviseren om de ruimte ‘n beetje te verdelen. Met het verorberen van Hollandse kost kwam niemand in de problemen en met 22.000 kilo vlees, 15 ton aardappelen, 12 km brood enz. moest het te doen zijn de reis te overbruggen. Na een week varen kruisten we een troepenschip dat naar Indonesië koerste. Wat triest was, was dat ook twee broers elkaar op afstand passeerden, wat op veel onbegrip stuitte.

Bij uitzondering moesten we optreden tegen manschappen die zich in reddingsboeien nestelden die daarvoor niet bestemd waren. Evenals een grootmajoor die zich op het bovenste dek bevond dat speciaal bestemd was voor scheepsofficieren.
Onze S.P.-commandant die dat gouden balkje kennelijk gemist had, zag zijn kans schoon de man (wèl via zijn ondergeschikte) z’n riante ingenomen plekje te laten verlaten. Tot tweemaal toe moest ik de bevelen uitvoeren, eraan toevoegend dat dit in opdracht was van de S.P.-kapitein. Glimlachend herrees de grootmajoor uit de ligstoel met de mededeling deze opdracht zeer goed te begrijpen. Gnuivend in mijzelf begeleidde ik de grootmajoor naar het benedendek.

Het liefst stond ik te posten op de boeg waar de enorme golfslagen tegen de voorsteven klotsten zodat je het zeewater proefde, waar de zeebries tegen je gezicht blies en je jezelf volledig af kon sluiten van al de drukte die zich achter je afspeelde, terugblikkend naar wat je achter liet, vooruitkijkend naar wat komen zou…

Het waarom deze post zonodig bezet moest blijven was mij niet geheel duidelijk, maar door de steeds opnieuw aanrollende golven mijl na mijl op en neerwaarts gejonast te worden was voor mij althans een prettige ervaring.

Een vlucht meeuwen geeft aan met enkele vaaruren land in zicht te krijgen en aan te meren.
Even op adem komen, bijtanken (900 ton water, 1200 ton stookolie) om vervolgens door te stomen richting Suez. Bij het naderen van de Noorderkring nemen we afscheid van de tropen. Dat waren opnieuw momenten van beeldvragen: hoe zou het verloop zijn voor de enkelingen die hun geluk elders zochten en naar Canada, Australië, Nieuw Zeeland of elders emigreerden? Was dit de gokkast van 1950? Volgens berichtgeving lag de weelde in je geboorteland ook niet voor het oprapen.

Port Said: nog even de laatst aangekomen post doornemen, water tanken en vervolgens doorstomen naar Rotterdam. Adressen worden intussen uitgewisseld om de als het ware opgebouwde familieband niet ongedaan te maken. Het tropisch pakian werd verwisseld door het voormalig uniform, wat ook weer een kwestie van wennen werd. Naar het leek des te dichter we de Nederlandse kust naderden, des te meer gespannen de uitdrukkingen op de gezichten te lezen waren. Een beeld van ongenoegen achterlatend, een beeld van toekomst met een vraagteken.
Met een dankwoord van de officier jegens onze waakzame overtocht en koffie met gebak, leverden we onze S.P.-bandjes in en was onze taak volbracht.

Rotterdam, 23 maart 1950:

Langs de kade varend zien we mensen zwaaien met vlaggen ten teken van welkom van de daar wonende familieleden van Rotterdamse militairen. Met grote precisie werd het schip binnengeloodst en aangemeerd. De loopbrug was nauwelijks aangelegd of mannen van de M.P. spoedden zich aan boord, kennelijk omdat niemand achter mocht blijven. De ontscheping ging vlot van start, opnieuw achter elkaar torsend met bepakking en tevens je privé-koffertje angstvallig in je handen geklemd, opdat niet op het laatste moment de voor jou kostbare souvenirs in het water zouden plonzen. In de ontvangsthal stonden allerlei kraampjes opgesteld, doch iedereen had meer oog voor de vele borden met het opschrift naar welk gedeelte van het land de tientallen gereed- staande bussen zouden vertrekken. Met zo’n 15 makkers vertrok onze bus richting ’t zuiden alwaar de meesten dorp na dorp afgezet werden. De met vlaggen versierde woningen en een bord met welkom thuis betekende voor iedereen einde reis.

De wederzijdse spanningen uitten zich op verschillende manieren o.a. emotioneel, vrolijk, stilzwijgend. Met al de drukte om je heen had je toch een gevoel van eenzaamheid, vooral in de eerste dagen. Een klein stadje met dorpse gewoonten langs de Maas ging ik vergelijken met een kampong langs een kali. Met mijn vrij vervoerkaart van de NS naar de stad reizen, gaf me een gevoel van vrijheid. Opgeslokt worden door winkelende mensen gaf al voldoening.

Met een plof viel in de eerste week het ereteken voor orde en vrede en het bijbehorende certificaat in de bus. Bij de uitreiking van de oorkonde op 28 januari 1951 werd bij alle militaire Indiëgangers het insigne opgespeld en leek het tijdperk met deze handeling te zijn afgesloten.

Zo ik al zei: naar het leek. Want met een oproep voor herhalingsoefening ligt mij een herhaling van 8 tot 20 oktober 1951 nog vers in het geheugen. Met in het achterhoofd vele makkers na 1½ jaar weer terug te zien togen we per sapeda richting Mill om ons daar aan de kazerne te melden.
Met zo’n tiental makkers bezochten wij tijdens de rit enkele heilige huisjes teneinde de stemming te verhogen.

Bij aankomst volgden we met wat glazige ogen de aangegeven pijlen tot bestemming: "Hier Melden". Het frappante was dat we met vijf gedienden uit hetzelfde peloton met onze oproep in de hand nergens in de administratie te boek stonden. Wij besloten ons koesterend in het toen nog behaaglijke zonnetje afzijdig te houden en bij elke uitgereikte maaltijd ons pannetje bij te schuiven. Pelotons werden verzameld om deel te nemen aan de stormbaan, tijgersluipgang enz. enz. Wij gingen ervan uit dat we na de jaren in de tropen al zoveel sluiproutes door drek en modder achter de rug hadden, wat een herhaling als deze volstrekt overbodig maakte.

Bij het aanzien hoe makkers die ploeterend en zwiepend aan ’n touwtje hingen om een slootje te overbruggen lagen wij schaterend van het leedvermaak te genieten. Na twee dagen werden we door toeval door een eerste luit ontdekt en alsnog ingezet voor een belangrijke oefening. De opzet was een peloton Belgische parachutisten bij hun dropping te omsingelen en te ontwapenen. Het hele gedoe zou zich afspelen in het plaatsje Stroe, zij het niet dat een opkomende dichte mist roet in het eten gooide en wij de tien verkregen losse flodders maar liepen te verknallen. Tot overmaat van ramp bleek onze compagniecommandant de verkeerde plattegrond in handen te hebben waardoor de man zo nijdig werd dat hij vervolgens de strijd staakte.

Op de terugweg werden we verrast door manschappen die zich in bomen hadden verschanst en onder het geluid van krijsende apen hun patronen verschoten. Hier zou het programma van heden "Geld over de balk" een aardig bedrag kunnen bijschrijven. Daarna werd het lang stil.

Behoudens een kleine groep onderlinge contacten bleef deze stilte tot 1970 alwaar door een enorme grote inzet door wapenbroeder P. v.d. Meer een zeer groot deel van 4.7 R.I. bijeen getrommeld werd voor een onvergetelijke reünie. Dat deze eerste grote bijeenkomst na 20 jaren vatbaar was voor herhaling was wel overduidelijk. Nu we naar verloop der jaren nog steeds, zij het helaas steeds minder in aantal, nog aanwezig kunnen zijn, laat duidelijk zien dat, behoudens de duizenden kaarsen die tijdens het verblijf in de tropen te vroeg zijn gedoofd, nu ook de overige vlammetjes niet het volledige licht meer uitstralen.

De zeer bescheiden warmte die wij gezamenlijk nog kunnen tonen is onze aanwezigheid op 7 september te Roermond, door de nabestaanden een hart onder de riem te steken. Zij konden geen oorkonde meer aangereikt krijgen, geen ereteken opgespeld, geen fooitje van genoegdoening, maar wèl zullen er zeer vele duizenden vrienden, die zolang hun benen hen nog kunnen dragen, voor deze medestrijder bij herdenkingen present zijn. Nu reeds vele veteranen in de voorbijgaande jaren handen hebben geschud van de voormalige vijand en wederzijds begrip hebben getoond, lijkt nu anno 2000 een Nederlandse delegatie in de startblokken te staan om spijt te betuigen van enkele misdragende individuen. Dat, terwijl men nauwelijks op de hoogte is onder welke omstandigheden deze incidentele gevallen konden plaatsvinden.

Geen enkele veteraan van het toenmalig Indonesische leger zit mijns inziens op en spijtbetuiging te wachten, eerder nog zouden zij behulpzaam willen zijn bij het vinden van vermiste Nederlandse militairen.

Drie van de vele vermisten.

Alvorens af te reizen zou men moeten beginnen de hand in eigen boezem te steken door het Nationale Indiëmonument te bezoeken om vervolgens onder het toehoren van duizenden veteranen en de vele duizenden nabestaanden, namens de regering van die jaren de fout te erkennen, mede doordat wij, door een onjuiste wijze van onderhandelen, vele wapenbroeders op het ereveld moesten achterlaten…

Mocht door het schrijven van reeds vele veteranen het nog steeds niet doorgedrongen zijn, met welke verzachtende woorden dan ook, wonden opnieuw open te rijten, tracht dan bij een eventuele kranslegging op het ereveld uw krokodillentranen te bedwingen zodat deze niet gemengd worden met het bloed, zweet en tranen van de ruim 6500 offers. Ondergetekende zal dan ook niet talmen bij een uiting van spijt het verkregen insigne met bijbehorend schrijven terug te zenden en vervolgens mijn terugblik te wenden naar de vergeelde fotootjes van toen en de vooruitblik naar de hopende, vele herdenkingen te Roermond en reünies te Oirschot.