HERINNERINGEN AAN DE REIS VAN Hr.Ms. "KAREL DOORMAN" (1)
NAAR NED. OOST-INDIE  1946 - 1947  deel: 4

Bron:  MARINEBLAD  1972     George J. Visser   (IMH) 

Wij lagen zo één of twee weken voor de ingang van het Westervaarwater en de schipper van een grote Inheemse prauw of kustvaartuig zag ons blijkbaar voor een wachtschip aan. Des nachts kwam hij met een sloepje aan boord en vroeg een papier met mijn handtekening opdat hij door mocht varen naar Soerabaja, welke vergunning hem gaarne werd verleend. De „Kompenie" had dus nog wel enig gezag op zee.

Trouwens, vele vissersscheepjes hesen de rood-wit-blauwe vlag in top als zij het vliegdekschip zagen passeren. Wij ontvingen telegrafisch de waardering van vice-admiraal A.S. Pinke voor het snel ontladen van de onderdelen en munitie van het vliegtuigsquadron en daarop de opdracht tot het houden van een kruistocht door de Molukken, waarbij onderweg 400 ton djatihout van de houtontginning op Moena (bezuiden Celebes) zou worden geladen.
Daardoor zou de Marine spoedig over hout kunnen beschikken benodigd voor het afbouwen van de nieuwe loodsboten in Nederland.

Op het Marinevliegkamp te Morokrembangan konden wij de hand leggen op 2 Japanse vliegtuigen, die op het vliegdek werden vastgesjord. Wij hoopten dat daardoor de functie van het schip duidelijk zou blijken. Geregeld zagen wij in de cockpit onze mannen zitten en het was wel zeker dat er op souvenirs werd gejaagd. Het vertonen van deze vliegtuigjes had in zoverre succes dat in Makassar de militaire commandant een ijlbode zond met verzoek de vliegtuigen onverwijld te doen opstijgen voor het opsporen van een lijnvliegtuig dat vermist was, doch dat gelukkig enige uren later te Makassar landde.

Onderweg naar Makassar scheelde het weinig of de hiervoren genoemde spiritist had gelijk gekregen. Onze officier der artillerie stond toevallig zelf in één van de munitiebergplaatsen toen hij achter zich een sissend geluid hoorde en een doos met aanvuurladingen zag opbollen, terwijl daaruit rook opsteeg. De doos of kistje stond dicht bij de raketten, die bestemd waren om zo nodig de vliegtuigen meer snelheid te geven bij het opstijgen. Bij het horen van het signaal brand alarm snelde ik naar de munitiebergplaats, waar de zaak al onder controle was. Niettemin bevredigde mij het gebeurde niet, vooral toen bleek dat vele raketten, geproduceerd tijdens de oorlog in Engeland, tegen het einde van hun levensduur liepen. Wij wierpen ze dus buiten boord, het water was diep genoeg. Teneinde geen moeilijkheden met de rekenkamer te krijgen zond ik een sein aan de minister van Marine, vermeldende dat ik voornemens was mij van de raketten te ontdoen, met de nodige bijzonderheden over het incident.

De aankomst te Makassar op 13 november verliep weinig vlot. Tengevolge van de aanslibbing konden wij het schip niet langs de door de havenmeester aangewezen kade krijgen. Daar stond een nicht van mij met een grote bos bloemen, die beschenen door de felle zon, steeds verder het hoofd bogen. Wij meerden toen iets verder aan een steiger.

Op 18 november 1946 bezocht de resident met de vorsten van Boni en Gowa het schip, terwijl zich in het gezelschap ook een aantal zelfbestuurders bevonden. Voorop liep de vaandeldrager met de pajong van de vorst van Gowa. Iedere middag was het schip stampvol van Indonesische bezoekers, die zich waardig gedroegen. Er was geen sprake van diefstal. Niettemin was Zuid-Celebes nog niet geheel veilig, verteld werd dat zojuist twee Nederlanders op 3 kilometer van de stad waren vermoord.

Wij brachten een bezoek aan Malino, het vacantieoord in de bergen, waar onze bemanning in ploegen heen werd gezonden. Later hoorden wij dat na ons vertrek extremisten een aanval op het kamp hadden gedaan, die werd afgeslagen.

Kort daarop liepen wij Straat Boeton binnen, een nauwe straat met veel stroom, die het eiland Boeton scheidt van het eiland Moena. Wij ankerden voor de kampong Ralia (Moerra). In 1923 had ik als jongste officier a/b Hr. Ms. „onderzeeboot K IV" een nachtelijke oefening in deze straat bijgewoond, waarbij onze commandant Hr. Ms. „de Zeven Provincien" moest torpederen, die voor Raha ten anker lag.

Wij voeren onder het cordon bewakende torpedobootjagers door. Tengevolge van een lekkende olietank rook één dezer jagers ons en konden wij nauwelijks meer dan enige minuten bovenkomen ter vaststelling van onze positie. Wij konden toen enige witte plekken op de kalkrotsen zien, die wij hadden genoteerd tijdens onze doorvaart overdag voordat de oefening begonnen was. Bij dagworden waren wij vlak bij het pantserschip. De atmosfeer in de boot was bijna ondragelijk, de koelmachine was uitgevallen, de temperatuur hoog opgelopen. de vochtigheidstoestand bijna 100

Bijna negen uur aan een stuk onder water was voor die dagen veel. Twee torpedo's werden afgevuurd, waarvan één in de dekbuis bleef hangen door een defect van deze buis. Nu kwamen wij boven, op het vlaggeschip was alarm geslagen, waar men ons waarschijnlijk niet meer verwacht had. De commandant moest zich nu in het wit kleden om naar de eskadercommandant te varen. Volkomen uitgeput gingen wij op het dek liggen. Helaas konden wij toen niet aan de wal gaan in Raha, nu namen wij contact op met de plaatselijke bestuursambenaar en het houtkapbedrijf.

Weldra gleden de vlotten met de djati houtblokken langszij die door onze. laadboom gehesen, naar de lift op het vliegdek geleid en vandaar naar de hangar werden gereden. Gelukkig bevond zich onder onze officieren een oud stuurman van de K.P.M., die met het stuwen van de houtlading werd belast. Hij liet de balken langscheeps leggen, zodat hun gewicht door de dekbalken werd gedragen en zorgde voor een hoeveelheid hout, geschikt voor het zeevast stuwen van de lading.

De houtvester van de onderneming stelde zijn vrachtauto ter beschikking zodat bijna iedere dag liefhebbers in het binnenland konden jagen. De bevolking had veel last van wilde varkens, die men tevergeefs met vergif had proberen uit te roeien. 5 wilde buffels, 12 herten en 30 varkens vulden weldra onze vriesruimen. Ongelukken bleven gelukkig achterwege, al verdwaalde één schepeling, die een nacht in de rimboe moest doorbrengen. Wij stelden het schip open voor de bevolking van Raha en omstreken, ongeveer duizend Boeginezen, drieduizend Moenezen en een aantal Javanen en Makassaren. Vergezeld door hun gezin keken zij hun ogen uit op het vreemde schip, beschaafd en rustig zoals men van Indonesiërs kan verwachten.

Het personeel van het houtkapbedrijf had een avondje georganiseerd met een toneelgezelschap dat zich de „Dolly Jokers" noemde, waarbij een drietal Javaanse vrouwen optraden, die vroeger bij de z.g. „Komedie Stamboel" verbonden waren geweest. Een klein Javaans jongetje zong in het Maleis, begeleid door een band, spelend op zelfgemaakte muziekinstrumenten. Daarop volgde een toneelstuk dat twee uur duurde, met vele grapjes op Amerikanen, Engelsen, Indonesiers en vermoedelijk ook wel op de Hollanders, terwijl een satire op de politieke toestand niet ontbrak.

Mijn dankwoord moest natuurlijk in het Hoogmaleis zijn. Had ik indertijd maar opgelet bij de lessen daarin gegeven door Amaroellah Gelar Soetan Mangkoeto Bin Mangkoeto Caijo in het Kon. Instituut voor de Marine, doch dat hadden noch ik noch mijn kameraden ooit gedaan en het enige wat ik mij van deze lessen herinner is de naam van onze leraar. De bestuursambtenaar corrigeerde vlug mijn speech, die naar ik hoop wel begrepen werd.

Wij bezochten de Sultan van Boeton aan de overzijde, zagen daar vele kanons van de V.O.C. liggen en ontvingen hem bij ons aan boord op de lunch.

Tenslotte staat mij voor de geest dat wij nog bij stikdonkere nacht reden in een jeep tussen de paalwoningen, bij. het licht van de spotlights en koplampen schietend op varkens die zich onder de huizen bevonden. Dat zijn zo van die dingen die men in Nederland niet kan doen.

Nadat het anker was gelicht zetten wij koers op de noordelijke uitgang van de Straat. In de kleine kaartenbak lag bij gebrek aan ruimte de detailkaart van de ankerplaats gevouwen. Ik zag een verdachte verkleuring recht vooruit, die wij toen gemakkelijk konden ontwijken. Het bleek een klip te zijn, die juist op de vouw lag. Een ongeluk zit soms in een klein hoekje en zonder geluk vaart niemand wel. De marineraad zou mij niet hebben vrijgesproken indien wij waren gestrand.

Wij voeren naar Ambon, waar gelukkig weinig wind stond. Sleepboten waren niet aanwezig doch de meermanoeuvre was niet moeilijk.

De stad was nog zwaar gehavend door de luchtbombardementen, alleen de missigit stond overeind. Op de muur tegenover het schip projecteerden wij films, waar de bevolking naar kon kijken.

Wij ankerden nog voor de kampongs Asiloeloe en Hito-Larna en werden met feestbetoon door de inwoners ontvangen.

Nu was Banda aan de beurt. Wij ankerden onder het eiland Neira van de Banda groep waar volgens de kaart voldoende water zou moeten staan.
Wij konden echter dichtbij riffen zien en gezien de vulkanische aard van dit gebied moesten wij met een wijziging van de bodemgesteldheid sinds de laatste opname ernstig rekening houden. Ik besloot daarom onverwijld het anker te lichten en verder uit de kust dieper water te zoeken.
Bij het verlaten van de oude ankerplaats tikte de stuurboordschroef even aan tegen een steen. De volgende dag stelde onze chef machinekamer, kapitein-luitenant ter zee van de technische dienst B.W. Vinke een onderzoek in, waaruit bleek dat slechts één blad licht was gehavend, de schroefas vertoonde geen enkele trilling.

De op ons van ongeveer 7 meter hoogte neerziende top van de Goenoeng Api lokte uit tot een beklimming, die ik met een aantal officieren ondernam. De gids was niet zozeer nodig om de weg te vinden als wel om ons te verzekeren dat de „djamboes" die wij vanwege de hevige dorst onderweg plukten, niet vergiftig waren. Achter en beneden ons kwamen een aantal jeugdige monteurs en matrozen opzetten, die ons inhaalden en net na ons op de top van de op dit moment niet werkende vulkaan stonden. Eén der oorlogsvrijwilligers gaf wel duidelijk blijk een „baroe" te zijn toen hij vroeg of er misschien een café in de buurt was waar hij water kon drinken. Hij kreeg een slok uit de enige veldfles die wij bezaten.

Na zonsondergang projecteerde onze camera films op doeken, die buitenboord aan de mitrailleur- bordessen of de bakspier hingen. Langzaam de stroom doorpeddelend in hun kano's, keken vele Bandanezen naar de bewegende figuren en beelden op het doek.
Soms gleed een kano dicht langs de valreep en dan werd een kakatoe ingeruild tegen zakdoeken of ander textiel en ik zag dat een klein Bandanees jongetje zijn eigen kakatoe, die op zijn schouder zat, niet wilde verkopen. Zo werd het schip 17 kakatoes rijker, die in een aparte bergplaats naar Nederland werden vervoerd. Eenmaal ontsnapte een kakatoe toen het schip reeds in de Indische oceaan voer, en ging in de mast zitten. De eigenaar, één der schepelingen, moest de kakatoe tot vermaak van zijn kameraden vangen. Geen gemakkelijke zaak.