HERINNERINGEN AAN DE REIS VAN Hr.Ms. "KAREL DOORMAN" (1)
NAAR NED. OOST-INDIE 1946 - 1947  Deel:5

Bron:  MARINEBLAD  1972     George J. Visser   (IMH) 

 Na Banda liepen wij op 11 December Tandjong Priok binnen, waar een deel van onze bemanning door thuisvaarders werden vervangen. Voorts kregen wij enige krijgsraadarrestanten mede, die in volle zee, naar ik vermoed tot hun genoegen, uit de cel werden gehaald en in de vrije lucht mede hielpen aan het roestvrij maken van het vliegdek.
Ook begingen wij de fout een herdershond, toebehorend aan een Marinefamilie, te overvoeren. Het uitvaren van de haven liet ik aan een jeugdig Luitenant ter zee over, die naar mijn smaak ietwat dicht langs de Oostelijke pier kwam, doch oordeelde ingrijpen mijnerzijds voorbarig. Nauwelijks was het voorschip buiten de haven of het werd krachtig naar bakbóord geduwd, zodat de stuurboordschroef dreigde in aanraking met de stenen pier te komen.

Kennelijk was er tijdens de bezetting een bankje gevormd buiten de haven. Door vollekracht achteruitslaan met de stuurboordsmachine kwam het schip nog bijtijds weer op koers. Het personeel van de machinekamer kende nog steeds het snel manoeuvreren met de Doxford motoren.
Met weemoed zag ik de blauwe vulkanen van Java gaandeweg vervagen.
Een Engelse schrijver M. Tomlinson beschreef de aanblik van Java eens als volgt:
„There was Java. Under some mountains so distant and of so delicate a colour that they were only a deeper stain of the sky, were spread the flat buildings of Tandjong Priok".
Tijdens de oversteek naar Kaapstad overleed een matroos in de ziekenboeg, die met het gebruikelijk ceremonieel in zee werd begraven.

De inmiddels dol geworden herdershond had verscheidene opvarenden waaronder de eerste officier in de benen gebeten (gelukkig .kon hij zijn tanden niet door mijn dikke Canadese waterlaarzen krijgen) en moest worden afgemaakt. Wij hadden goede hoop bijtijds Kaapstad te bereiken opdat de slachtoffers er konden worden ingeént. Wij hadden telegrafisch de afmetingen van de ambassadeur gekregen van het platform in de toneelzaal waar de inmiddels aan boord opgerichte toneelclub de beloofde opvoering zou geven.
Oudejaarsavond 1946 bevond het schip zich ergens midden in de Indische oceaan.

In één der vele bergplaatsen lag nog een grote voorraad vuurwerk achtergelaten door de Britten. Het afsteken van de vele vuurpijlen zou het nieuwe jaar inluiden en op het vliegdek feestelijk worden begroet. Nadat de radar de omgeving had afgetast en geen schepen in de buurt waren geconstateerd, werden zij opgelaten. De eerste officier, die nimmer enige populariteit nastreefde en de tucht met harde en duidelijke woorden handhaafde, werd door de vrolijke schepelingen op de schouder op het vliegdek rondgedragen.
Het binnenlopen van de haven van Kaapstad op 8 januari 1947 stelde mij even voor een probleem. Er stond een harde tot stormachtige wind dwars op de havenas.

Weliswaar is de ingang van de haven niet nauw, doch er is weinig uitloop en na het binnenlopen zou ik hard bakboord uit moeten draaien. Aangezien het havenhoofd aan onze stuurboordszijde meteen overging in een kade, bestond het gevaar dat het achterschip, door het onder de invloed van de wind verlijerende schip, tegen deze kade zou worden geduwd. Hoelang zou deze harde wind blijven doorstaan, vroeg ik de loods. Dat kan wel één of twee weken duren antwoordde deze.

Ik besloot toen het risico te aanvaarden. Als verwachtbaar was de loods niet vertrouwd met het manoeuvreren met een vliegdekschip. Ik moest dus ingrijpen in diens in het Engels gegeven orders, doch de loods merkte dit niet omdat hij geen Nederlands verstond. Later sneed deze in de longroom op dat dank zij hem het schip toch goed en wel was binnengekomen. Ik liet hem maar in deze waan.

Spoedig na onze binnenkomst ontstonden enige moeilijkheden over het karkas van de arme herdershond, dat de gemeentelijke sanitaire dienst aanvankelijk niet wenste af te halen. Een mijner officieren wilde toen het stoffelijk overschot, met ballast ververzwaard, langszij in de haven werpen. Mij was inmiddels bekend geworden dat na ons de Britse Koningin met haar jacht op dezelfde ligplaats zou afmeren en ik voorzag de mogelijkheid dat juist op dat moment het karkas weer aan de oppervlakte zou komen. Gelukkig kwam de auto van de gemeente toch en was ook dit probleem opgelost.

Kaapstad is voor ons Nederlanders de stad van Jan van Riebeeck, waar het oude fort, de molen en de graanschuur (thans Grote Schuur, residentie van de minister-president) herinneren aan de dagen dat de schepen van de V.O.C. hier een steunpunt vonden op hun weg naar of van Indië. Het eikenhout voor herstel van de scheepsromp werd verkregen van de eikenbomen, die iedere kolonist verplicht was op zijn landgoed te planten.

Dank zij de bemiddeling van onze ambassadeur werden onze officieren ontvangen door generaal Smuts in de Grote Schuur. Laatstgenoemde beheerste dank zij zijn bijzondere persoonlijkheid de conversatie.
Hij roemde Europa, dat zoveel aan de wereld gegeven had op velerlei gebied. Wat hebt gij goede mannen, die moeten hier blijven, vond hij. Hoe gaat het in uw Indië, vroeg de generaal. Ik antwoordde, dat wij daar op weg waren naar nieuwe verhoudingen.

Ja, de dagen van het Herrenvolk zijn voorbij, meende de generaal, die een sterk voorstander bleek van een unie tussen Nederland en de vroegere kolonie.
Onze tandarts zag kans te vragen:
„wat denkt U van het negervraagstuk?" Generaal Smuts maakte hierop met zijn vinger een groot vraagteken in de lucht en had in ieder geval de lachers op zijn hand.
Typisch voor de verhouding met de Zuid-Afrikaanse Marine was, dat onze radarmonteurs de radar herstelden van een Zuid-Afrikaans oorlogsschip terwijl toch dichtbij in Simonsstad een Britse Marinebasis was gevestigd.

Ter hoogte van Senegal kreeg een opvarende appendecitis, waartoe wij voor Dakar ankerden. Dank zij de medewerking der Franse Marine werd de patiënt naar de wal vervoerd, geopereerd en spoedig daarop per vliegtuig naar Nederland getransporteerd, zodat hij de eerste was die in het vaderland voet aan de wal zette.
In Casablanca meerden wij achter de hoge havenpier, naar mijn gevoelen een veilige plaats.
Voor alle zekerheid werden de door het slagschip Richelieu achtergelaten kettingen aan het schip bevestigd.
Vice-admiraal Barjot begroette mij hartelijk en vroeg wat ik liet liefst zou doen gedurende de weinige dagen dat wij daar zouden blijven. Nu had ik 5 maanden aan boord gezeten en antwoordde: „wintersporten in het Atlasgebergte". Luitenant ter zee de Castelbajac zal U met een auto daarheen vergezellen, aldus admiraal Barjot.

Wij bereikten het gebergte, doch bij het zien van de eerste sneeuw stopte de auto. De Senegalese chauffeur was dusdanig geschrokken dat hij niet verder durfde te rijden en dank zij de Franse officier, die het stuur overnam, kwamen wij bij een wintersport-hotel. De sneeuw bleek niet dik te liggen, gelukkig braken wij geen armen of benen. Terug aan boord hoorde ik van de eerste officier dat hij een gehele nacht op de brug had gestaan, beide ankers had laten vallen, de ankerkettingen van de Richelieu waren tengevolge van een hevige deining als glas geknapt. Alle communicatie met het hevig stampende schip was géruime tijd verbroken geweest.

Medio februari 1947 waren wij onderweg naar Amsterdam. Hoewel wij de grote sluis hadden willen binnen schieten in IJmuiden, kwamen wij in een iets kleinere sluis terecht die maar juist ruim genoeg was.
Het was inmiddels 18 februari 1947, de sneeuw lag op de kade, waarop de sinaasappels uit Marokko rolden, die de bemanning uit de patrijspoorten de belangstellende toeschouwers toewierpen. Het Noordzeekanaal was met een ijslaag bedekt die het schip gemakkelijk openbrak, waarop een hondje stond, dat bij de nadering van de mastodont hevig blafte om dan even verder het schip op te wachten en weer te protesteren totdat het dier er genoeg van kreeg. In Amsterdam moest ik enige malen scherp op de kade toestomen om zo het dikke ijs weg te breken. Weldra was deze vrij en kwam de verbinding met de wal tot stand.
Burgemeester d'Ailly bezocht met enige wethouders of raadsleden het schip en vroeg mij te zeggen in welke functie ik zijn medewerkers aan boord zou kunnen gebruiken. Eén van hen leek mij een opgewekte persoonlijkheid en ik oordeelde hem geschikt voor kok. Dit wekte de lachlust op, betrokkene was lid van de communistische partij.

Aan deze reis bewaar ik met een gevoel van dankbaarheid de herinnering aan de plichtsbetrachting en kundigheid van officieren, onderofficieren en vele schepelingen, vooral ook aan de energie en opgewektheid van het jeugdige personeel, dat nimmer een buitenlandse reis had gemaakt.


Einde
Geschreven door A. de Booy (oud commandant) KTZ, later VADM.
MARINEBLAD 1972. maart 2000 George J. Visser (IMH)