REISIMPRESSIES VAN EEN JAGER 

Door Martien Zwinkels -
1-5 Garde Regiment Jagers.

Januari 1995
Schrijven is niet echt een hobby van me, maar omdat er diverse malen is gevraagd aan de 1e compagnie om ook eens wat van zich te laten horen en kopij te leveren voor het te maken herinneringsboek, dat ‘Spiegel Historiael’gaat heten, wil ik proberen wat persoonlijke herinneringen op papier te zetten.
Dat probeer ik te doen vanuit mijn ervaringen als 20 jarig soldaatje, zoals ik het bijna 50 jaren geleden beleefde en met behulp van nog wat aanwezige aantekeningen.

Ons bataljon, het 5e van het Garde Regiment Jagers werd, onder dienstplicht,  opgeroepen in werkelijke dienst op 17 juni 1947.

Na een opleiding van vijf maanden in de Elias Beekmankazerne te Ede, in de hete en droge zomer van 1947, naderde de dag van vertrek naar het toenmalige Nederlands Oost Indië.

Maar eerst kregen we tien dagen inschepingsverlof en moesten daarvan weer terug in de kazerne zijn ruim een week voor de dag van vertrek, die gepland was op woensdag 19 november 1947.

Dat betekende dus dat we het laatste weekeinde niet meer naar huis mochten. Wel mochten we de poort uit om in Ede te gaan stappen. Bijna iedereen was erg verontwaardigd over het reisverbod en de sfeer, althans bij ons op de kamer, was erg gespannen. We beschouwden dat ontnemen van de laatste mogelijkheid om nog even bij familie te kunnen zijn als een gebrek van vertrouwen.

Daarom besloten veel Jagers om zich niet bij die maatregel neer te leggen en toch naar huis te gaan, ondanks de aankondiging dat de MP opdracht had om bussen en treinen te controleren op aanwezigheid van Jagers.

Bij ons (1e Cie of alleen 3e peloton?) is door een van ons een brief opgesteld waarin we de garantie gaven dat we uiterlijk maandag 12.00 uur in de kazerne terug zouden zijn. Die brief is door velen ondertekend en daarna, vlak voor ons vertrek, afgegeven aan de sergeant van de week. Daarna zijn we ( ik meen dat het vrijdagavond 14 november was, na het eten) in kleine groepjes de poort uitgegaan met de bedoeling om naar huis te liften om het reisverbod te omzeilen.

Toen we met zijn tweeën (Kees Warners uit Den Haag en ik) op de doorgaande weg Arnhem- Utrecht aankwamen stond het overal zwart van de liftende soldaten, voor het grootste deel Jagers. We hebben daar meer dan een uur geprobeerd een lift te krijgen maar door de grote ‘concurrentie’ lukte het maar weinigen om weg te komen. We zijn toen in arren moede toch maar op de bus naar het station gestapt en ja hoor, onderweg stapten er twee MP-ers in. Wij knepen hem natuurlijk nogal, maar zij namen voorin plaats en lieten ons ongemoeid. Op het station namen we de eerste de beste trein naar Utrecht en verder naar Den Haag.

Omdat het intussen al laat was geworden miste ik in Den Haag de laatste bus naar mijn woonplaats Wateringen. Het regende, maar er zat toch niets anders op dat te gaan lopen, want een lift zat er op dat late uur  ook niet meer in.

Toch was het geluk een beetje met me want in Rijswijk kwam er een fietser langs en daar herkende ik op het laatste moment een buurjongen in, Cor van Ruyven. Op mijn geroep keerde hij en heft me toen achterop de fiets thuis gebracht.

Ver na middernacht moest ik mijn ouders wakker kloppen om in huis te kunnen komen. Die hadden uiteraard nergens op gerekend, maar waren natuurlijk blij verrast.

Naar we later hoorden zijn er in dat weekeinde wel enkele Jagers opgepakt uit de bus of op het station en die zijn dat weekeinde vastgehouden. Het had echter voor zover ik weet voor hen geen verdere gevolgen.

Twee dagen later, woensdag 19 november 1947, was dus de dag van vertrek. Vanuit de sneeuw, want die was er in de dagen voor ons vertrek al gevallen, naar de warme tropen.

Die dag was voor mij en ik denk voor ons allemaal een dag met veel indrukken. Wat hadden de meeste van ons voordien van de wereld gezien?  Een jeugd met crisis- en oorlogsjaren, hongerwinter en behelpen hadden we achter ons liggen.
Zelf was ik tenminste, een klein stukje België uitgezonderd, nog nooit de grens over geweest, slechts enkele malen met fiets of trein door een gedeelte van Nederland gereisd.
Televisie bestond nog niet, je kreeg dus ook niet de gehele wereld op de buis in huis zoals tegenwoordig. Geen wonder dat het veel indruk op ons maakte.

Met de trein ging het van Ede naar de Rotterdamse haven. Het laatste stukje zeer langzaam rijdend zodat mijn ouders, die langs de route stonden om mij uit te zwaaien, er op konden stappen en een eindje meerijden. Dat werd dus wéér, voor de derde maal, afscheid nemen.

De 1e  en 2e cie. gingen met de stafcie. als eersten aan boord van de Kota Baroe, ons verblijf voor de komende tijd. In de loop van de dag volgden de andere compagnieën Jagers en Grenadiers. De inscheping had een vlot en rustig verloop.

Eenmaal aan boord kreeg je allereerst je  slaapplaats aangewezen in de vrachtruimen. Die ‘bedden’ waren z.g.n. standy’s, met zeildoek bespannen frame’s, vier hoog gestapeld, met tussenruimte tussen de plaatsen van ca. 50 cm, zodat je horizontaal in bed moest zien te komen. Deze vorm van mensen vervoer moesten ze nu eens proberen. Maar zoals hierboven al gezegd, we waren geen weelde gewend en we hadden geen keus dus werden er verder weinig woorden aan vuil gemaakt.

Zelf bofte ik toch een beetje omdat ik een bovenste plaats kreeg aangewezen, naast een luchtkoker, zodat ik met een beetje bukken bijna rechtop kon zitten.

De Kota Baroe (Maleis voor Nieuwe Stad) was een oud vrachtschip dat in de oorlog was omgebouwd voor troepentransport. Op onze reis waren de 5e bataljons Jagers en Grenadiers aan boord. Tezamen ruim 1800 man!

Kort na 17.00 uur werden de trossen losgegooid en kwam het schip los van de kade, die vol stond stond met familie en vrienden en ook was er een muziekkapel om het allemaal een mooi tintje te geven. Ik zal die beelden nooit meer kwijtraken. Terwijl we door de Nieuwe Waterweg voeren werden  er hier en daar vuren ontstoken op de oever en een laatste vaarwel toegeschreeuwd en gezwaaid. 

Half acht ’s avonds voeren we tussen de pieren van Hoek van Holland naar volle zee, niet te weten dat het voor ons, de 1ste cie, 40 dagen zou duren voordat we weer van die ouwe vrachtboot afwaren.Want pas op maandag 29 december 1947 zouden de 1ste cie., de ondersteuningscie. en een gedeelte van de stafcie. worden gedebarkeerd op Ambon.

Van de reis herinner ik me nog goed de vele malen dat we stil lagen met motorpech,de eerste avond op de Noordzee al! Het was koud aan dek en weinig te zien, dus gingen de meesten vroeg naar kooi. Een vreemde gewaarwording was dat in zo’n schommelend bed. 
Het duurde dan ook lang voor ik de slaap te pakken had.

De volgende morgen werden er allerlei dienstmededelingen gedaan, o.a. dat er elke morgen een H. Misviering zou zijn, verzorgd door aalmoezenier Dieben van de Jagers of  ‘aal’ Plum van de Grenadiers.

Langs de krijtrotsen van Engeland en het eiland Wight kwamen we in de Golf van Biscaje, waar we onaangenaam welkom werden geheten door een flinke storm. Door de Chinese bemanning die we aan boord hadden werden overal aan dek touwen gespannen om je aan vast te houden.

 De reling was smerig van de kots, want er waren toen wel erg veel jongens zeeziek. Zelf bleek ik goed tegen een flinke deining te kunnen maar daar hield ik het ook niet meer. Dus deed ik ook mee met het voeren van de vissen. Aan stuurboord zagen we een vissersboot langs varen, of liever, soms zagen we hem wel en dan weer niet, zo hoog waren de golven. De Chinezen hadden de gehele dag werk om alles schoon te spuiten, ook de toiletruimten.

Ook dat was trouwens wel even wennen, aan de toiletten aan boord. Eén grote betegelde ruimte met aan weerszijden een rij toiletpotten langs de wand zonder ook maar enige af- scheiding.

Op maandag 24 november voeren we de Middellandse Zee op langs de rots van Gibraltar.
Die dag kregen we voor de eerste keer een Cadi rantsoen uitgereikt, bestaande uit 100 Miss Blanche sigaretten, zeep en allerlei versnaperingen.

De woensdag daarna liepen we de haven van Algiers binnen en werden afgemeerd langs een Franse kruiser. Iedereen keek daar zijn ogen uit bij het mooie uitzicht op de tegen de berghellingen gebouwde stad. Op afstand leek het althans erg mooi met het felle zonlicht op de witte en gele bebouwing. Het was in de haven en omgeving echter maar een smerige boel.

Er was hier een levendige ruilhandel tussen militairen en jongens op de kade. Zeep tegen sinaasappelen. Nou stelde die zeep van ons niet veel voor. Dat was nog surrogaatzeep vanuit de oorlog, z.g. geschikt voor zout water, maar het was gewoon wat wij noemden ‘kleizeep’.

Het was daarom niet gemakkelijk om je wasgoed een beetje schoon te krijgen. Enkele van de jongens die toevallig een eind touw hadden, knoopten daar hun wasgoed aan en hingen het overboord. Zo hoopten ze door de stroming van het water langs het schip hun kleding schoon te krijgen. Het schip leek soms feestelijk versierd door de vele lijnen met wasgoed wat te drogen hing.

De soms stevige wind had weer andere gevolgen. Menige baret, ook de mijne, kwam in zee terecht. Voortaan dus maar de vechtpet, behorende bij de uitgereikte tropenkleding, opgezet .

Enkele malen per week was er verplicht theorieles, o.a. krijgstucht, Maleise les of land- en volkenkunde. Soms ook geestelijke verzorging door de aalmoezenier. ’s Avonds was er soms film op het achterdek of werden er bokswedstrijden georganiseerd.

Het Cadi rantsoen bestond deze keer naast de sigaretten ook uit ansichtkaarten, schrijfpapier en wasknijpers. Ook weer de chocola en zuurtjes (om ons zoet te houden!).

Maandag 1 december passeerden we het standbeeld van Ferdinand de Lesseps en voeren we het Suez kanaal in. In de haven van Port Said gingen we voor anker. Daar krioelde het van de bootjes met handelaren en muntjesduikers. We mochten echter niets kopen van die lui daar omdat er in Egypte een cholera epidemie heerste. Er werden veel munten naar beneden gegooid en de jochies kregen ze bijna altijd te pakken. Als ze echter zinken munten, die we nog hadden vanuit de oorlog, opdoken begonnen ze te schelden, dat hadden ze goed in de gaten. Ook was er een bootje met een goochelaar.

’s Morgens 4.30 uur werd het anker gelicht en verlieten we Port Said met zijn vele lichtjes, een mooi gezicht. We voeren nu het Suez Kanaal in. Na de saaie reis door de Middellandse Zee was er nu veel te zien langs het kanaal, vooral aan stuurboordzijde. Het was voor ons allemaal nieuw en vreemd, de kamelen en palmbomen, de kleine vissersbootjes met hun schuine zeilmasten en de in burnoes gehulde arabieren. Op regelmatige afstand waren er langs het kanaal ook militaire posten van het Britse leger.

We passeerden ook de brug die twee weken eerder door  het troepentransportschip Volendam was stukgevaren. Halverwege het kanaal, in een groot meer, lagen we een halve dag stil om eerst een rij tegenliggers door te laten. Het tweede gedeelte van het kanaal is daar te smal voor. Daarna voeren we via de haven van Suez (met weer dezelfde taferelen als in de haven van Port Said)de Golf van Suez in en verder naar de Rode Zee. Vandaar zagen we links in de verte de berg Sinaï.

In de Rode Zee moesten we al onze winterkleding inleveren en werd er dus uitsluitend tropenkleding gedragen. Dat was ook wel nodig want het werd steeds warmer, vooral in de slaap- uimen was het soms niet meer te harden. Sommigen bleven ’s nachts aan dek slapen.

Een van de weinige mooie dingen van de reis vond ik de soms schitterende zonsondergangen. Inde Rode Zee achter de bergen en later in de Indische Oceaan soms boven een spie- elgladde zee.

Voor we die Indische Oceaan opvoeren ging de Kota Baroe op zondag 7 december voor anker voor de haven van Aden om bij te tanken. Ook daar weer de intussen bekende handelaren in bootjes en muntjesduikers. Er zijn daar massa’s dozen en tinnetjes Engelse sigaretten gekocht.

Tijdens het voor anker liggen trok er een zware windhoos langs. Je zag het water opgezogen worden tot in de wolken. 

De reis door de Indische Oceaan was een tien dagen lang saai gedeelte. Meestal alleen maar water om je heen met veel dolfijnen die met het schip meezwommen en vliegende vissen. Ook een enkele walvis met de bekende fontein boven zijn kop.

Tijdens dit saaie gedeelte kregen we naast de al genoemde theorie ook wat meer sport aan dek. Maar meestal moesten we zelf maar zien hoe we de dag doorbrachten, wat we veel deden met lezen, kaarten en soms brieven schrijven naar Holland. Maar vraag niet hoe want stoelen en tafels moesten op de Kota Baroe nog uitgevonden worden. Meestal zaten we op de kale dekvloer, soms op een rol touw of op de rand van de laadluiken.

Ik schreef het al eerder, deze manier van mensentransport zou nu ondenkbaar zijn.

Op donderdag 18 december lieten we eindelijk de Indisch Oceaan achter ons. Op die dag liepen we de haven van Sabang binnen. Omdat dat eiland bij Ned. Indie hoorde en dus Nederlands grondgebied was, mochten we daar voor de eerste keer even van boord om te passagieren. Dat was aan mij jammer genoeg niet besteed omdat ik, met vele anderen, al enkele dagen last had van een zware buikloop. Ik was te ziek om van boord te gaan. Dat was wel balen natuurlijk. Enkele andere jongens, die om principiële redenen alle inentingen geweigerd hadden, mochten ook niet van boord. Wij vroegen ons af, zou dat op de eindbestemming ook gelden?

Mar iedereen die wel fit was maakte uiteraard graag gebruik van de mogelijkheid om eindelijk eens van boord te kunnen. Na de middag ben ik even uit bed gekomen om aan dek te gaan kijken en zag de jongens terugkomen met cocosnoten, pinda’s, bananen, ananas en meer tropische vruchten die we vanwege de oorlog al jaren niet meer gezien hadden. Ook is er daar een voetbalwedstrijd gespeeld tussen een Kota Baroe elftal en een K.N.I.L elftal van het eiland. Ons team won met 7-1!

Nadat iedereen weer aan boord was werd er post uitgedeeld. Er was heel wat aan boord gekomen. Wat was iedereen daar blij we daar mee. Ik citeer letterlijk uit mijn aantekeningen: ‘het leek wel een sinterklaasavond met schoolkinderen’.

’s Avonds vertrokken we uit Sabang in de stromende regen. En het water stroomde bijna net zo hard de laadruimen in waar wij sliepen. Vooral het ruim boven ons had er veel last van.

Het bleek dat de bemanning de laadluiken niet goed had dichtgemaakt na het lossen in Sabang. Jongens uit het ruim boven ons hebben de boel toen weer goed gesloten.

Via de Straat van Malakka voeren we langs Singapore en later Java om in de avond van dinsdag 23 december de haven van Soerabaja binnen te lopen.

De volgende dag werden daar enkele compagnieën Grenadiers ontscheept om met een K.P.M. boot naar de kleine Soenda eilanden te worden gebracht. Daarna mocht iedereen weer van boord en uiteraard was ik deze keer wel van de partij. Omdat enkelen van ons van de ouders van eerder naar N.O.I. vertrokken vrienden/plaatsgenoten pakketten hadden meegekregen voor hun zoons zijn we in de stad op zoek gegaan naar een postkantoor om ze daar te posten, want we begrepen intussen wel dat persoonlijk overhandigen er niet bij was in zo’n groot land. Na ze ter post bezorgd te hebben wat rondkijkend in de stad liepen we zowaar een buurjongen van mij uit Wateringen tegen het lijf. Die was van het 4e Bat. Jagers en gelegerd op Madoera en toevallig met kerstverlof in de stad. Hij ontmoette nog meer bekenden. Die waren van zijn bataljon naar de kaderschool gegaan en nu korporaal of sergeant bij ons.

Tegen de avond (kerstavond) vertrokken we uit de haven Tandjong Perak om richting Bali te koersen.

Weer in volle zee was er om 24.00 uur een Kerstnachtmis op het voordek, waar veel belangstelling voor was, ook van niet katholieken.

Eerste kerstdag om ca. 14.00 uur gingen we op de reede van Bali voor anker en daar gingen de resterende compagnieën Grenadiers van boord en werden met een landingsboot aan wal gebracht. Die laatste bracht weer een groep K.N.I.L militairen met vrouwen en kinderen aan boord. Die gingen met verlof mee naar Ambon.

Later op de avond gingen de 2e, 3e 4e cie. ook van boord om naar de respectievelijke eindbestemmingen, Ternate, Morotai en Halmaheira te gaan. Er was door al die drukte weinig van een kerststemming te merken.

De volgende dag, vrijdag, lichtte ons schip zijn ankers weer om aan het laatste traject, Bali-Ambon, te beginnen, maar na een uur lagen we al weer stil met de zoveelste motorpech.
Terwijl we stillagen voer de K.P.M.er ‘Melchior Treub’ voorbij met de andere Jagers op weg naar Ternate enz.

Het was nu wel een stuk stiller aan boord na het vertrek van de Grenadiers en een gedeelte van ons bataljon. Omdat het in de ruimen veel te heet en benauwd is slaapt bijna iedereen aan dek. Daar was nu ruimte voor.

Onderweg naar Ambon hadden we nog een vervelend akkefietje. Na een geweerinspektie moest iedereen uit ons slaapruim beneden blijven want er was een horloge gestolen van een van ons. Alle bagage moest uitgepakt en gecontroleerd worden. Iedereen was volop bezig met het leeghalen van zijn plunjezak toe de melding kwam dat we konden stoppen. De eige- naar had het horloge intussen gevonden in zijn eigen plunjezak. Die kreeg uiteraard, om het netjes te zeggen, nogal wat commentaar.

Eindelijk, op maandag 29 december, arriveerden we in de baai van Ambon. Mijn eerste indruk van toen was: een schitterende, brede en diep in het eiland insnijdende baai met aan beide zijden een dichtbegroeid bergachtig landschap met allerlei soorten bomen.

De Kota Baroe ging, voor ons voor de laatste maal, voor anker in de baai en wij werden, ook weer met een landingsboot, (IJs- of Stormvogel?) naar de kade gebracht, waar we werden verwelkomd door een K.N.I.L. muziekkorps.

We hadden een lange, vervelende en toch voor ons indrukwekkende reis achter de rug.

M.Z.