Jij gaat even naar Solo

N. A. J. Köévoe - Bron Wapenbroeders 9 juni 1949. Nummer 10  

..JIJ gaat", zei een hooggeplaatst persoon, ",morgen even naar Solo om dat en dat te doen en daarna kom je zo gauw mogélijk kombali". Nu was het pas negen uur in de ochtend, dan zijn wij nog niet geheel ont4vaakt; derhalve zeiden wij "Tot Uw dienst" tellen die man, om na vijf minuten plotseling hoog op te springen, zoals wij Fanny altijd graag, over die horden zien doen, maar spottend weerkaatste ons gegil tegen holle wanden in 'n lege kamer. helemaal leeg, op 'n verschrikkelijk opgewonden wezentje na dat "wij" heette.

Even kijken op de kaart. Dat was eh.... driehonderd.... vierhonderd.... vijfhonderd kilometer! En die man zei zo langs Z'n neus weg: "ga daar even heen enne.... doe dit, doe dat, dan en dan terug, auto zus, route zo, doe ze de groeten". We waren er suf van sliepen die nacht niet. Vijfhonderd......... Dat overleeft nog geen karbauw. Hoe moest dat met ons? Wij bestaan uit 65 kilo vel en been, al ons vet hebben we jaren -geleden reeds uitgezweten, spieren hebben wij nooit- gehad en hart, longen en lever functioneren maar ternauwernood meer na vierendertig maanden spierloos zwoegen.

,Het voertuig viel mee. Zat behoorlijk in de verf, met hier en daar wel een slordig kogelgat, doch zoiets appreciëren -wij. Dat staat stoer. Daar gaat iets edel-ruigs van uit. Daar houden' wij van.

"Klimt er mar op", grijnsde de chauffeur, die kennelijk uit Brabant kwam. "dan zak je baran wel voorin zette tege datter ',s rege mocht komme, gij komt zo nauw nie, wat". Dat bemerkten wij na een geweldige klimpartij ook. Philips hadden ze ditmaal geen atoombommen mee te geven, dus bestond -de lading slechts uit een drie ton aan munitie, springstoffen en een onnozele dertig kisten bommen. Hoog daarop, bescheiden als altijd, zaten wij, met ingevuld zakboekje en watjes in de oren voor de daverende knal straks.

Wij kunnen niet tegen lawaai.

Zo ook toen de wagen kapot ging, uitgerekend voor een stoplicht midden in Bandung. De Engelse motor, zweeg en de Brabantse chauffeur raasde. Achter ons files van wagens, betja's, sado's, delemans, hand- en vuilniskarren; en dat alles maar drukken op claxons, bellen met bellen en die vuilnismensen maar roepen; dat we de gemeenteplannen In de war stuurden, of we Bandung wilde laten vervuilen, of er soms pest moest uitbreken" en op 't laatst begonnen zelfs alle paarden voor die meest uiteenlopende voertuigen mee te hinniken en kabaal te schoppen.

En wij ons maar ergeren.

Tot de grootste, vrolijkste, altijd tot helpen bereid zijnde vriend van de Genie opdaagde, de A.A.T. die ons onmiddellijk naar de LTD sleurde, waar ze gewoon op een kapotte wagen stonden te wachten.

We sloten aan in een enorme rij als nummer honderd en drie en weer was het aan zo'n lumineus idee van ons te danken, in alle bescheidenheid natuurlijk, dat we voorrang kregen.

Kwasi per ongeluk lieten we wat -bommetjes van de wagon vallen, stootten een kistje handgranaten om, gingen wat met brens en stens staan modderen tot het voor de L.T.D.-zenuwen te erg werd en er vijftig tegelijk op die Ford van ons aanvielen, ons zodoende in de gelegenheid stellend ergens anders in de lucht te vliegen.

Wat wij, wijs als we zijn, niet deden.

Na een poosje, om nauwkeurig te wezen, na acht uur en vijf enveertig minuten stonden we in Semarang onder een huif en sliepen de slaap, die, naar men zegt, weer levensvreugde geeft aan hen, die alle hoop op een beter leven reeds lainghebben laten varen.

De andere ochtend opnieuw een moeizaam gehijs om boven op dat oorlogstuig te komen en na een onbeschrijfelijke rit, waarvan dus geen beschrijving te geven is, bereikten we Salatiga, waar een grijsgehelmde MP.'er ons als laatste wagen bij een convooi naar Solo liet aansluiten.

Tien volle minuten ging alles wonderlijk goed. Toen was de olie op; na die bijgevuld te hebben kregen we een lekke band en toen die ook gerepareerd was en we trots de achterhoede dekten van het convooi werden we beschoten door een paar beslist onsympathieke wezens, vanuit een bosrand. Het was me een gekletter en een geklakkebol en gedaver en getoet tot een, ons begeleidende reuze vogel, er een afdoend einde aan maakte.

Op ons, die daar zo hoog en bescheiden zaten te denken aan mogelijke voltreffers in onze lading, maakte al dat geblaf en lawaai geen stuiver indruk. Wij mogen dat wel.

Na ons verschoond te hebben ging het convooi weer verder en onze wagen, heus voor de latste maal geduldige lezer ging weer kapot. Wij nog wuiven naar een stofwolk in de verte en meenden vast, dat er iemand nog terug wuifde ook, maar er verschenen break downs, geen low-landers, zelfs jeep of een motorrijder, die het nodig oordeelde naar ons te komen kijken.

Wij vonden dat wel vleiend. Zoiets wijst, dat men ons bekwaam. acht ,onszelf te kunnen zorgen, al doet het even raar voor mensen zoals wij, gewend zijn steeds intens te denken de gevolgen, die bepaalde oorzaken kunnen hebben. Zo dachten wij daar, hoe afschuwelijk het is een grote tor in je klamboe te hebben. Wie er voor zou zorgen dat dat hondje van ons op tijd zijn melkje kreeg; en we dachten ook aan die brieven van de Poes, die niemand achterop zou sturen. Aan gevaar dachten wij niet. Niet aan boze mannen, die op die eenzame weg zouden kunnen sluipen.

Nee, want die zouden wij rustig laten komen; tot vlak bij de wegen en dan de pen uit een handgranaat en lachend, hemelwaarts drijven, temidden van drie -ton ontploffende springstoffen bommen, munitie en wegslingerende pelopors.

'n Krijsende uithaal deed ons reeds een handgranaat grijpen, maar 't was de Brabander, die onze. Ford weer op gang had.

En toen, hopelijk nog steeds geduldige lezer, reden we, op de seconde af, na tien minuten Solo binnen, achter ons lag een weg vol dode kippen, honden zelfs - maar dat kunnen we verkeerd gezien hebben - een paar tot puin gereden hippopotaanussen, die nooit erg vlug geweest zijn en die dat nu met de dood moesten bekopen.

Arme dieren. Wij mogen die nijlpaarden wel.

Bij de jongens, die we al zo lang niet gezien hadden, werden we ingehaald gejuich, dat wij, bescheiden als altijd glimlachend afweerden. Dan volgde onzerzijds een boeiend, maar kort, nuchter verslag van onze tocht; hoe we lang uitgestrekt op de Ford, met een klewang pelopors van de wagen hadden geslagen, getimmerd, gehouwen, gekrabt tot ze jankend wegliepen. En dat onze makkers in Solo het dus eigenlijk, In alle bescheidenheid natuurlijk, aan ons te danken hadden, dat er weer springstof en munitie was.

Die Brabantse chauffeur, vertelden wij verder, is ook wel een geschikte knaap maar...... we fluis- terden zachtjes het droeve verhaal van de hippopotamssen en iedereen zat te huilen toen we klaar waren. Nee, dat had hij niet moeten doen.

Toen dan eindelijk alle belevenissen zo simpel en eenvoudig mogelijk waren geschetst, dronken we vier messtins koffie leeg; want zulke wederwaardigheden, hoe gewoon overigens voor ons, gaan op de duur toch niet in je kou kleren zitten, nietwaar geduldige lezer.

En wat wij daar in Solo beleefd hebben?

Hou op !