TROPENIMPRESSIES VAN EEN JAGER

Door Martien Zwinkels  1-5-Garde Regiment Jagers.

In een eerder artikel heb ik geprobeerd onze bootreis naar het toenmalige N.O.I. te beschrijven zoals ik die toen heb ervaren. Als vervolg daarop zal ik hier trachten te vertellen over mijn ervaringen als soldaat bij de 1e cie.-3e pel.-groep 1, vanaf de aankomst te Ambon op maandag 29 december 1947.

Na de ontvangst met muziek op de kade werden we in de havenloods getrakteerd op ijsstroop, een soort limonade met ijs, dat we de komende jaren, naast koude thee, heel veel zouden drinken. En drinken was toen wel nodig want het was er smoorheet en er werd heel wat getranspireerd. Op de boot was je altijd nog omgeven door water wat nog enige afkoeling bracht, maar aan deze hitte zouden we nog wel moeten wennen.

Daarna ging het in marscolonne ‘achter de muziek aan’ naar ons nieuwe onderkomen:

Kampement Batoemerah. Onderweg nieuwsgierig bekeken door de bevolking van Ambon die in grote getale was uitgelopen om ons te zien.

In Batoemerah kreeg elk peloton een eigen barak aangewezen. Deze barakken waren met onderlinge tussenruimten haaks gebouwd op een brede corridor of galerij die als eetzaal diende en als leslokaal voor de vele theorielessen die nog zouden volgen. De wanden bestonden voor een gedeelte uit planken en verder uit gaba-gaba. De dakbedekking bestond uit atap-atap.

Onze ‘tampat-tidoer’, door ons tampatjes genoemd, waren opvouwbare veldbedden, houten geraamten met canvas bespannen.. Daarboven hing een klamboe tegen de muskieten.

Hoewel die huisvesting nou niet bepaald een luxueuze uitstraling had, leek het ons toch een verademing na de benauwde slaapruimen van de Kota Baroe.

Even tussendoor: op een reis naar Indonesië in 1980 met tien Jagers, 
waarvan zeven met echtgenote, zijn Lou van Arkel, mijn vrouw en ik, naar Ambon doorgereisd en zijn daar weer in Batoemerah geweest . Het kamp bestond nog steeds maar was erg veranderd. De barakken waren verbouwd tot woningen voor militaire gezinnen. Er waren tussenwanden in gemaakt en elk ‘appartement’ had een eigen deur naar buiten, naar de ruimten tussen de barakken. Ook het wachthuis bij de poort was er nog. Er woonden erg veel niet-Molukse militairen en het krioelde er van de kinderen. Binnen het kamp was voor hen een moskee gebouwd. De bevolking van het eiland was meer dan verdubbeld en naar onze indruk nog armer dan in 1948.

Na onze spullen te hebben geïnstalleerd bij de ons aangewezen tampatjes kregen we de dagindeling te horen. Die was als volgt:

5.30 uur reveille, 6.00 uur ontbijt, 6.30 uur appél. Het middagappél was om 12.00 uur en daarna middageten. Na het eten was er verplichte rust van 14.00 tot het appél van 16.00 uur, daarna avondeten en verder was ieder de rest van de dag vrij, behalve als je wacht had of andere dienst, maar dat bemerkten we later pas!

Ook kregen we per groep (van 10 man) een baboe toegewezen die de was voor ons zou gaan verzorgen. Echt een luxe in mijn ogen na het getob met onze was op de boot.

Na die instructies was het tijd voor de eerste warme maaltijd aan land. Nou dát viel tegen.

Een soort soep met erwtjes (geen Hollandse snert hoor) waarin het wemelde van kleine kevertjes en een ondefinieerbaar soort aardappelpuree. Dat laatste bleek te komen uit blikken van een oude Australische legervoorraad. De uiterste gebruiksdatum was juli 1947 en wij kregen het in december 1947 te eten. Vanuit de keuken vernamen we dat sommige blikken al bol stonden. Het was allemaal niet te pruimen. Ook hier zeg ik weer: ‘dat moesten ze in deze tijd eens proberen’! Uiteraard lag dat niet aan onze koks. Die konden met dat materiaal geen kant op.

Ik herinner me nog dat we met een groepje die eerste dag na het eten de “hoofdstad’ Amboina, tegenwoordig Ambon-stad geheten, zijn gaan verkennen. Veel bekijks van de bevolking natuurlijk en al snel hadden we wat contact met sommigen. Die vonden dat die Belanda’s  wel erg groot waren (n.b. wij kleine Jagers, maximaal 1,72 m groot. De Grenadiers waren minimaal 1,72 m) en dat we grote neuzen hadden. Enkele Ambonese K.N.I.L. militairen maakten ons een beetje wegwijs in het stadje.

De volgende morgen om half zes de eerste reveille, Jan Numan deed zijn uiterste best om ons wakker te tetteren met zijn trompet, maar hij had zich de moeite kunnen besparen want bijna iedereen was al wakker door het vele hanengekraai en honden geblaf.

Deze dag moesten we de Duitse geweren, die we op de Kota Baroe hadden gekregen in ruil voor onze Lay Enfields, weer terug ruilen. De zin van dat gedoe ontging ons geheel en al.

’s Avonds was er een feestje in de kantine vanwege de oudejaarsavond. Er was muziek en er waren appel- of  eigenlijk bananenflappen, maar verder stelde het weinig voor.

Er werd nogal gekankerd omdat de enkele aanwezige dames dansten met de officieren en er voor jan soldaat niets te doen was.

Donderdag 1 januari 1948, nieuwjaar in de tropen. Wel vreemd hoor! Met enkele maten en een stel Ambonese jongens zijn we gaan zwemmen in de baai. Ik was nog geen held in het water, dus erg voorzichtig. Er waren er meer die nog niet goed konden zwemmen. Zonder dat wij, in het water, dat in de gaten hadden kwam er een van ons in moeilijkheden en zou misschien verdronken zijn als toevallig Jan Snijder niet op de steiger stond toe te kijken. Die nam, gekleed en wel, een flinke duik en kon de drenkeling naar de kant halen.

Wat hebben we die eerste dagen enorm veel indrukken opgedaan. De weelderige natuur met zijn voor ons veelal onbekende bomen, planten en vruchten, de hevige tropische moessonbuien, het totaal vreemde eten en zeker ook door de eerste contacten met de vriendelijke en gastvrije bevolking die toch heel anders leefde en woonde dan wij gewend waren.

En dan de eerste keer op wacht. ’s Nachts één uur op en twee uur af en overdag twee uur op en vier uur af. Japanse oorlogsmisdadigers bewaken in het jappenkamp.

Al snel was er ook een Jagerselftal gevormd. Die wonnen de eerste wedstrijd tegen de kampioen van Ambon  met 4-2.

Op woensdag 7 januari namen we afscheid van de jongens van de ondersteuningscie. Die werden die dag weer ingescheept voor de doorreis naar Hollandia op Nieuw-Guinea.

Langzamerhand raakten we gewend aan het tropenleven. Ook aan de acclimatisatie problemen zoals ringworm en rode hond. Ook het gebruik van blikjes water i.p.v. papier op de wc werd gewoon. 

Waar we niet aan konden wennen waren de vele theorielessen, zoals wapenles, maleise les en lessen volkenkunde en inwendige dienst. Of tropenhygiëne van de dokter. Die lessen werden meestal gegeven ’s middags in de tijd van de verplichte rust! Onze officieren moesten zeker ook nog wennen aan het tropenrooster! Ik herinner me dat daar nogal over werd gekankerd.

Ook het warme eten bleef een probleem. De aardappelpuree bleef slecht en de soep goed gevuld met de bekende kevertjes. Soms een hardgekookt eendenei erbij, altijd groen en soms ook stink.

De dagen werden van lieverlee eentoniger met het vele wachtlopen en de dienstoefeningen.

Die laatsten waren niet altijd gemakkelijk. Eens hadden we een oefening bijv. waarbij we zo snel mogelijk de berg achter Batoemerah moesten opklimmen.

Boven gekomen in 4 minuten (nog niet snel genoeg volgens de commandant) vielen er door hitte en inspanning zes van ons flauw. Of deden ze alsof? In ieder geval moest Jaap van Spronsen naar het hospitaal worden gebracht omdat hij de gevolgen niet snel te boven kwam.

Soms had je galerij- of kamerwacht. Je was dan vrij van dienst, maar had de verantwoording voor het schoonmaken van de barak en bijkomende zaken.

Veel tijd werd er gevuld met het schrijven van brieven naar het thuisfront, als het licht tenminste niet was uitgevallen. En maar weer uitkijken naar post terug uit Holland.

De vrije avonden werden soms ingevuld met een bezoekje aan de Beatrix kantine met ijsstroop of een biertje. Of ‘stappen’ in Amboina, een ijsje pakken bij ijssalon ‘IJsland’ of een film (meestal een Tarzan- of  oorlogsfilm) in de enige bioscoop die de stad rijk was en waar de film meestal 2 of 3 maal per avond brak. Ook soms een bezoekje aan Ambonese kennissen, die je had leren kennen. 
Veel uitspattingen kon je jezelf niet veroorloven met 54 roepiah per maand.

Vrije dagen werden benut voor uitstapjes naar bijv. Soely, waar een mooi strand was of naar Waai, waar je heerlijk kon zwemmen in een zoetwaterbron.

Verveling uitte zich ook door allerlei streken uit te halen en iedereen werd wel eens ‘gepakt’. Tampatjes in de nok hijsen e.d. en het geijkte grapje van water op je klamboe. Zelf werd ik eens, op weg naar het mandilokaal, door iedereen aangestaard. Aangekomen bij de bad-gelegenheid bleek mijn gezicht zwart te zijn van de schoensmeer. Tijdens mijn middagdutje had iemand een paar klodders van dat goedje op mijn gezicht gedaan en door de jeuk had ik het liggen uitwrijven. Maar deze dingen braken de sleur en hielden de stemming er een beetje in.

Soms werd die eentonigheid doorbroken met een dans- of cabaretavond, door eigen mensen verzorgd. Een enkele maal ook door artiesten. Ik herinner me een optreden van een trio met Pia Beck en van de Timor Rytme Brothers. Ook was er eens een operettegroep met Benedict Silbermann en een uitvoering van het Leidseplein Cabaret. Ook herinner ik me een band met een paar zangeresjes waarbij Jan Zaat, die altijd de komische noot vormde in ons peloton, probeerde om die meisjes aan het lachen te maken, wat hem dan ook lukte midden in een liedje. Al deze gebeurtenissen en andere voorvalletjes braken gelukkig de sleur van alle dag.

Zo was er eens, terwijl we tijdens een patrouille op een brugleuning zaten uit te rusten, een lichte aardbeving waardoor de brug flink begon te schudden.

Een andere keer werd er door de koks uit de keuken, die langs de kali stond, een ca. drie meter lange slang uit die kali gevist. Dat dier kreeg veel bekijks en ik meen dat ze hem hebben gevild voor de huid.

Enkele malen heb ik een herbegrafenis meegemaakt van in de oorlog gesneuvelde Australische militairen. Onze groep moest dan, samen met een K.N.I.L. groep, de militaire escorte vormen en de saluutschoten afvuren bij het graf.

Wat ik me van die tijd ook herinner was dat het in aanbouw zijnde militair tehuis tijdens een hevige moessonbui tegen de vlakte woei. Later is het toch weer opgebouwd en feestelijk geopend.

Woensdag 11 februari werd onze pelotonscommandant, vaandrig Kemper, bevorderd en beëdigd tot 2e luitenant. Ter ere van deze feestelijke gebeurtenis ‘mochten’ wij parade lopen. Dat hadden we schijnbaar zo goed gedaan dat we na afloop door hem werden getrakteerd op ijsstroop en Engelse sigaretten.

De theorie lessen in de middag werden steeds minder bezocht. Daarom werd er soms onverwacht appél bij gehouden. Dus was ik met nog enkelen de klos, maar het kostte me slechts vier dagen licht arrest, dus steeds melden bij de wacht als er ‘sokken gepikt’ werd geblazen. 

In maart zijn er van onze cie. 12 man naar Batavia vertrokken. Die werden ingedeeld bij het Corps Watertransport. Van ons peloton waren dat o.a. Jan Snijder en Jan Zonneveld.

Op maandag 22 maart brak de spanning door die er al een poosje heerste onder de mannen van onze cie. Na een zware oefening, waarvan we drijfnat thuis kwamen, kregen we te horen dat er na het eten weer eens een theorieles was gepland in de tijd van de  verplichte rust. Tijd om je kleding fatsoenlijk te drogen kreeg je niet eens.

Uit protest verscheen er echter niemand van de 1e cie. op die les. Direct werden we op appél geroepen voor een strafexercitie. Ook daar verscheen niemand. Iedereen dook onder de klamboe en bleef daar liggen. De spanning was om te snijden.

Na veel herrie en dreigen met M.P. en krijgsraad door de cie. commandant wegens dienstweigering en lang aandringen van onze pelotons- en groepscommandanten kwamen we van lieverlee te voorschijn. In het 2e pel. werd echter zo lang verzet geboden dat daaruit 14 jongens werden vastgezet.

Die avond mocht er niemand de poort uit en kregen we een hartige toespraak van de Territoriale Troepencommandant. Ook werden onze grieven door verschillende jongens naar voren gebracht. Later op de avond werd het uitgaansverbod weer ingetrokken.

Van de 14 opgepakte jongens bleven er sommigen bij hun standpunt en gaven niet toe. Deze werden door de M.P. opgehaald en vastgezet in Benteng, het opleidingskamp voor K.N.I.L. rekruten. De zaak is echter nooit voor de krijgsraad gebracht, dank zij de inzet van onze pelotonscommandanten. Ik weet van die jongens dat o.a. luitenant Kemper hen verschillende malen een bezoek kwam brengen in Benteng.       

De gevolgen waren het grootst voor onze cie. commandant, een man die absoluut niet capabel was voor zijn functie. Hij werd overgeplaatst en gedegradeerd.

De nieuwe cie. commandant mocht de zaak krijgstuchtelijk afhandelen en na ongeveer een week voorarrest in Benteng kregen die 14 jongens twee weken verzwaard arrest.

Het nog steeds slechte eten, de vele steeds terugkerende saaie theorielessen in de middag, waar het dienstrooster verplichte rust voorschreef, en ook de aangekondigde overplaatsing van sergeant-majoor La Haye, die zeer gezien was onder de jongens, waren naar mijn mening de onderliggende oorzaak van deze rebellie. Deze dag was de bekende druppel die over de rand liep.

Vrijdag 16 april vond de officiële opening plaats van het Hollandse ereveld op Ambon. Dat lag naast het reeds eerder genoemde Australische ereveld. Daarbij was ook president Soekawati  van de toenmalige staat Oost-Indonesië aanwezig. Ook toen moesten we weer het erepeloton vormen.

Begin mei gingen er zes jongens van de K.L. met het Ambonese bondselftal naar Makassar om daar in een voetbaltoernooi mee te spelen.

Een hadden we een oude rubberboot opgeduikeld. Die hebben we in elkaar gezet en opgepompt. Kees Warners en ik zijn er mee gaan varen op de baai, maar er bleken twee lekken in te zitten. We kwamen dus met veel moeite weer aan wal. Het dichten van de lekken met houten proppen was ook geen blijvend succes.

Op 25 mei is de groep van korporaal Schreuder voor enkele maanden naar Piroe op Ceram vertrokken.

Zondag 6 juni moest onze groep onder commando van korporaal Aad Saers en een KNIL sergeant op patrouille naar de Kai eilanden. We vertrokken die dag met de Stormvogel en deden onderweg op maandag Banda aan. Daar hebben we enkele uren rondgekeken en o.a. het oude fort Belgica bezocht. Dat eiland was toen geheel auto vrij. Er was slechts één motorfiets aanwezig.

De volgende dag kamen we in Toeal aan, een plaats op een van de Kai eilanden. Daar was de stop te kort om van boord te gaan en enkele uren later arriveerden we in Elat, de hoofdplaats van Kai Besar wat weer het grootste en ruigste eiland is van de Kai eilandengroep.

 Na ons te hebben geïnstalleerd in de pasan-grahan zijn we op verkenning gegaan en kwamen terecht bij de missiepost. Daar maakten we kennis met een Ned. pastoor en drie Ned. nonnen die erg verbaasd waren, maar ons heel hartelijk ontvingen. Op het eiland waren namelijk buiten hen en een Duitse dokter geen blanken aanwezig. We werden getrakteerd op Hollandse koffie met koek, sigaretten en Hollandse jenever. Ook bakten de zusters brood voor ons om mee te nemen op de patrouille die de volgende dag begon.   

Kai Besar is een langgerekt, zeer bergachtig eiland zonder voertuigen, zelfs geen fiets, die kon je toch niet gebruiken. Alles ging per benenwagen over smalle, ongelijke en glibberige voetpaden, zo die er al waren, van kampong naar kampong. Of met de prauw langs de kust.

Het werd de eerste dag een erg zware tocht. Ook de ingehuurde dragers hadden het zwaar met alle mee te sjouwen barang.

Wie het wel gemakkelijk had was de KNIL sergeant. Die was op het eiland bekend en liet al zijn bepakking door de koelies dragen. Daarom liep hij steeds ver vooruit en later was hij nergens meer te bekennen.

Toen we eindelijk ’s avonds in het donker bij een houthakkershutje aankwamen om ons bivak op te slaan, zat hij er al heerlijk te eten en voor ons was er nog niets klaargemaakt. Dat hebben we hem zeer kwalijk genomen. Wij waren zo moe dat we niet meer in staat waren om ons  potje te koken en zijn meteen in slaap gevallen.

De volgende morgen begon weer hetzelfde, bijna geen pad te vinden en alleen maar glij- en valpartijen. We hebben de sergeant toen duidelijk gemaakt dat het zo niet langer ging en een prauw gehuurd. Daarmee zijn we langs de kust verder gevaren tot de kampong At. Daar hebben we in  twee dagen de omgeving verkend. Daarna begonnen aan een dwars doorsteek naar de andere kant van het eiland. Dat moest in één dag heen en terug onder begeleiding van twee gidsen uit At. Twee figuren gekleed in lendendoek met grote speer en parang. Die laatste was  nodig om het bestaande paadje door de rimboe een beetje vrij en begaanbaar te kappen.

Er is toen heel wat afgeklauterd en gegleden, met de nodige valpartijen, over omgevallen woudreuzen, keien en door kali’s. We hebben de andere kant van het eiland niet helemaal gehaald en zijn weer teruggekeerd naar At. De volgen de dag terug gevaren naar Elat met een prauw die lek bleek te zijn. Dus steeds water scheppen, maar erger was dat onze geweren op de bodem lagen. Die waren na aankomst dus nogal roestig van het zoute water.

De KNIL sergeant gelastte ons daar om meteen eerst de geweren schoon te maken, maar wij gingen ons eerst eens heerlijk wassen en opknappen, want de een was zijn schoenzool kwijt, een ander een halve broekspijp of een stuk mouw en ieder een baard van een week. Het was een erg gehavend stel.

Daarna zijn we weer naar de missiepost gegaan en weer werden we verwend en werd er brood gebakken. Wat een verademing na die tocht door de rimboe.

De ander dag, zondagmorgen zijn de meesten van ons, katholiek of niet, terug gegaan om de Mis bij te wonen, waarbij de pastoor zich in zijn preek ook even tot ons richtte.

Daarna konden we meteen aan boord van de Stormvogel en gingen we via Toeal weer Naar Banda. Daar bleven we een dag liggen en speelden een partijtje voetbal tegen het Banda elftal en kregen met  6-0 klop.

Laat in de avond lieten we Banda achter ons om na een korte tussenstop in Noesa Laoet de volgende dag weer in Ambon te arriveren.

In Batoemerah aangekomen kregen we te horen dat onze KNIL commandant ons op rapport had gezet omdat we zijn bevel de geweren schoon te maken niet meteen hadden opgevolgd.

Hij had dat niet aan ons bekendgemaakt. Trouwens, de communicatie met hem tijdens de Kai patrouille was uitermate slecht.

Aad Saers heeft toen bij de C.C. eens goed uit de doeken gedaan hoe het gedrag van de sergeant tijdens de patrouille geweest was. Die heeft daarna een reprimande gehad en wij gingen vrij uit.

Deze week is er weer een groep van het 2e peloton voor twee maanden naar Namlea op Boeroe vertrokken.

Een week later kreeg onze groep order voor detachering naar Piroe op Ceram. Maandag 21 juni was het inpakken en inschepen, weer op de Stormvogel. Die bleek pas de volgende morgen te vertrekken, dus ’s avonds nog even passagieren en in het Mil. Tehuis afscheid genomen van ons groepslid Harry Vreman, die naar Makassar werd overgeplaatst. Ook Hemmy te Walvaart bleef achter. Die mocht van de dokter niet mee naar Ceram omdat hij pas ziek was geweest.

Dinsdagmiddag arriveerden we in Piroe waar zelfs de Stormvogel niet aan de kade kon afmeren. Dus werden we met prauwen aan wal gebracht. Later volgde de barang op dezelfde wijze, maar daarbij sloeg een van de prauwen om. O.a. mijn bagage was geheel doorweekt. Sommige spullen, o.a. fotocamera waardeloos geworden, maar een vergoeding was er niet bij.

In Piroe werden we gehuisvest in kampement Waimeten in vierpersoons legertenten.

Daar ontmoetten we de een maand eerder uitgezonden groep van korporaal Jan Schreuder. Verder waren er twee KNIL groepen gedetacheerd.

We waren dus met 40 man voor een eiland zo groot als Nederland.

De eerste week hadden we een luizenleventje, voor de middag wat hout halen in het bos met de enigste aanwezige auto, een door de Jappen achtergelaten vrachtauto, voor de bouw van barakken en daarna wat voetballen, rugbyen o.i.d. en veel luieren en ouwehoeren.

De verlichting werd verzorgd door een automotor met stroomaggregaat, tenminste als die het deed. In het gehele kamp was geen schakelaar te bekennen. Met het aggregaat ging ook het licht aan of uit. Dat laatste gewoonlijk om 22.00 uur.

In de 2e week, donderdag 1 juli vertrokken voor onze eerste patrouille.

 De derde dag arriveerden we ’s avonds in kampong Moerikaoe. Die dag was groepslid Cock Slot jarig en de kepala-kampong hoorde dat. Hij trommelde (letterlijk) zijn bamboefluit orkest bij elkaar en die lui hebben de hele avond voor ons gespeeld, o.a. ook veel oude Hollandse liedjes die we uit volle borst meezongen. Het was voor hem (en ons) een gezellige avond met volop pisang, pinda’s en limonade.

Ik realiseer me dat zo’n patrouille wel wat anders was dan die onze collega’s op Java moesten lopen of rijden. Wij hadden hier geen enkel gevaar te duchten. Er was onderweg alleen een groot verschil in ontvangst tussen een Christelijke of Mohammedaanse kampong. In tegenstelling tot de eerste was die in de laatste erg koel.

De planning voor de patrouille was vijf dagen, maar de route viel nogal mee zodat we na vier dagen weer thuis waren. Daar moesten we de eerste dag zelf maar zien dat we ergens wat te eten kregen want we waren zoals dat heette ‘buiten de menage’. Het rantsoen voor de vijfde dag hadden we onderweg al opgemaakt. Regels zijn  regels en dus geen pardon!

Woensdag 7 juli: 119-jarig bestaan van ‘ons’ regiment Jagers. Dus reden voor een feestje. Er waren enkele wilde babi’s geschoten voor het feest, dus was er genoeg te eten,o.a. veel saté en ook vrij drinken. Er waren ook veel burgers uitgenodigd, o.a. de familie Olyslager en wie van ons herinnert zich niet de dochters Olyslager? Al met al een geslaagd feest in die negorij.

Maandag 12 juli weer op patrouille onder commando van Aad Saers, maar nu voor tien dagen.

Ik zal deze maal zo’n patrouille wat uitgebreider beschrijven.

De eerste avond weer bivak in Moerikaoe en weer gezellig. Dinsdag de bergen in en overnachten in Kawa, een kleine en vieze kampong. Woensdag een berg van ca. 1000 m over en bivak in Niniari, een veel mooiere kampong, waar we onderdak kregen aangeboden in de roemah van de goeroe. Donderdag naar Riring, een grote kampong op 660 m hoogte. Die avond zaten we rondom in de wolken en geslapen in de kantine van het politiedetachement.

Vrijdag rustdag en die benut voor de jacht, maar het lukte niet om een babi te schieten.

We waren wel goede Jagers, maar geen jagers!

Het klimaat was heerlijk op die hoogte en er groeiden dan ook veel Europese groenten zoals koolsoorten, bonen en worteltjes. Zaterdag naar Boeria, onderweg over een lange zwieberige hangbrug van bamboe, 40 meter boven een woeste kali vol met grote rotsblokken.

Van onze dragers durfde er een niet over met zijn pikolan. Iemand van ons heeft die toen overgenomen en zo kwamen we toch aan de overkant.

Zondag kwamen we al vroeg aan in Taniwel aan de kust. Daar zijn we met drie man en enkele mensen uit de kampong weer op jacht geweest. Veel varkens en herten gezien, maar die waren ons steeds te vlug af. Dat heb je met gelegenheidsjagers!

Maandag de hele dag evenwijdig aan de kust gelopen tot Moernaten. Daar bivak in de pasan grahan en slapen op de balé-balé.

Dinsdag gingen we het binnenland weer in over een zeer slecht pad met veel omgevallen bomen en soms hele einden door modder of kali’s. Tegen de avond arriveerden we bij een verlaten politiehut en maakten daar weer bivak voor de nacht. We hadden de hele dag gedaan over 25 km. Woensdag de laatste tocht, weer over een pad zoals gisteren en aankomst in ons kampement Waimeten. Daar lagen stapels post op ons te wachten. De postboot kwam eens per week en was tijdens onze afwezigheid juist twee maal geweest.

Het was ook weer beter slapen op je tampatje (kun je nagaan wat gewenning is!) en heerlijk om weer eens brood te kunnen eten na tien dagen alleen maar rijst.

Dinsdag 27 juli was er een bandjir. De kali langs ons kamp, normaal een ondiep smal beekje, was door hevige regenval in de bergen binnen enkele uren buiten zijn oevers getreden en zette het hele kamp blank. We moesten onze spullen hoog zetten om ze droog te houden. De houten brug spoelde met de woeste stroom mee de zee in. Na een dag viel het kamp weer droog. Maar onder mijn tampatje was wel een slang van ca. 1,5 m achtergebleven. Die heb ik maar snel de kop afgehakt met mijn parang.

Op 9 augustus zou de groep van korporaal Jan Schreuder, na al twee maal voor niets te hebben ingepakt, nu toch echt worden afgelost. Er liepen drie boten binnen maar geen aflossing, dus konden ze wéér uitpakken.

De dag erna vertrok plotseling een van de KNIL groepen naar kampong Loehoe wegens ongeregeldheden daar. Aan het einde van de week kwamen ze terug met zes gevangenen. Een van de KNIL mannen liep met zijn arm in een mitella. Die had zijn hand stuk geslagen op de gevangenen. Daar sprongen ze blijkbaar niet erg zachtzinnig mee om.

Woensdag 18 augustus moesten beide KL groepen, ook wij dus, en een van de KNIL groepen plotseling vertrekken naar Ambon. Er was geen aflossing zodat er een KNIL groep eenzaam achterbleef. Terug in Ambon vernamen we dat onze cie was overgeplaatst naar Makassar en over enkele dagen zou vertrekken. Vandaar het haastige vertrek uit Piroe.

Zaterdag 21 augustus was er, vanwege ons a.s. vertrek, een afscheidsavond in het Mil. Tehuis, waarbij aalmoezenier Tenniglo in Amsterdams-Jordaans dialect zijn succesnummer ‘De zilveren bruiloft van manke ‘Nelis’  ten beste gaf.

Zondagmorgen na de kerkdienst en een gemeenschappelijk ontbijt, weer in het Mil. Tehuis, was het inpakken geblazen en per vrachtauto’s naar de haven. Toch een hele vooruitgang, bij aankomst lopen naar Batoemerah en nu per vrachtwagen vertrekken. En nu niet nieuwsgierig bekeken, maar hartelijk uitgewuifd door de bevolking.

Weer inschepen op de Stormvogel, ik kon die boot intussen wel uittekenen. Bij het vertrek ’s avonds was het een grote drukte op de kade om ons uit te wuiven. Velen van ons hadden kennissen gekregen op Ambon. 

Die Stormvogel was veel te klein voor een hele compagnie. We moesten dan ook de hele reis, 2 dagen en 3 nachten, aan dek verblijven. De verzengende zon werd slechts ten dele afgeschermd door tentzeilen. Het eten werd slechts mondjesmaat uitgedeeld en bestond doorgaans uit droge biscuits.   

Woensdag 25 augustus meerde de Stormvogel af in Makassar. Daar gingen we (weer met open vrachtauto’s) naar ons nieuwe onderkomen, de K.I.S. kazerne, die toen vrij nieuw was.

Tijdens onze reis in 1980 zijn we ook hier terug geweest. 
De KIS kazerne was toen op dezelfde manier verbouwd voor  militaire gezinnen als Batoemerah op Ambon. Ook hier was het poortgebouw, waar we vele wachtjes hadden geklopt, toen nog aanwezig. Alles zag er echter veel havelozer uit in 1948. 
De poort leek meer een bouwval.

Vanaf de aankomst in Makassar heb ik geen aantekeningen meer, zodat ik van ons verdere verblijf in Indonesië geen gedetailleerde beschrijving meer kan geven.

Wel zal ik proberen de gebeurtenissen die indruk op me hebben gemaakt en daarom in mijn geheugen zijn blijven hangen, onder woorden te brengen.

Ook hier weer veel wachtlopen, o.a. bij de KIS poort, het vliegveld, Lajang, de Javabank, de oliehaven, het munitie depot en kamp Samboen Djawa. Bij die laatste heb ik, tijdens een zeer zware tropische onweersbui op wacht staande in het schilderhuisje, door een blikseminslag het gehele hek om het kamp een secondedeel witgloeiend zien staan. Ook scheurde er een halve meter dikke tak uit een grote boom. Nog nooit was ik zo blij dat ik, ondanks het wachthuisje toch drijfnat, werd afgelost.

Later ben ik er getuige van geweest dat Samboen Djawa, opgetrokken van hout en atap-atap, door een brand voor een groot deel werd verwoest. Die brand greep zo snel om zich heen dat de daar gelegerde militairen niet allemaal hun bezittingen in veiligheid konden brengen.

Ook patrouille lopen kwam hier regelmatig voor. Ik herinner me er een waarbij we, na tien dagen rimboe, gehavend, vuil en ongeschoren in Malino uitkwamen, waar we door de weekeind vierende Nederlandse burgers nogal gek werden aangekeken.

Dat Malino, op 1100 m hoogte, was een heerlijk koel oord. We hebben er ook een week verlof doorgebracht en er o.a. veel gezwommen, paardgereden en bezoekjes gebracht aan het door een Hollander, wiens naam ik niet meer weet, gerunde café. Ook bezochten we de kwekerij van de heer Baden, een Nederlandse kweker, die daar velerlei soorten Europese groenten en fruit verbouwde. Later zijn twee officieren van ons bataljon met twee dochters van die kweker getrouwd.

Waar we ook veel hebben gezwommen was in het zoutwater zwembad aan de Strandweg te Makassar. Daar deden we allerlei wedstrijdjes, o.a. wie het langst onder water kon zwemmen, duiken, of zoveel mogelijk voorwerpen van de bodem opduiken.

Eens, tijdens een wacht op het vliegveld, waar we de daar aanwezige twee Mitchell bommenwerpers moesten bewaken, was er een feestje. Een van die Mitchells zou daar een demonstratie bommengooien geven. Omdat er geen bommen voorhanden waren was er in een op de grond gemarkeerd doel een dot springstof verstopt en dat zou tot ontploffing worden gebracht terwijl het vliegtuig er laag over vloog en een houten nepbom zou afwerpen. Iemand was echter een beetje al te enthousiast geweest met die springstof.  Bij de ontploffing  schoot het vliegtuig een stuk omhoog en landde direct erna met een paar gesprongen ruiten en beschadigde vleugels. De twee piloten kwamen geschrokken en woedend uit het toestel en de commandant, die met zijn jeep kwam aanscheuren, was razend. Hij feliciteerde de bemanning dat ze er zo goed waren afgekomen. Of degene die de springstof verzorgde er ook zo goed afkwam betwijfel ik.

In Makassar is er onder leiding van aalmoezenier Tenniglo en met Arie de Vlaming als organist een militair koor gevormd, waarvan ik ook lid ben geweest. We verzorgden op de zondagen de hoogmis in de plaatselijke kerk en hebben o.a. ook voor radio Makassar gezongen. Dat was via de lange golf ook in Nederland te beluisteren.

Later hebben we nog een paar maal in de kathedraal van Djakarta de hoogmis gezongen.

In Makassar zijn we ongeveer anderhalf jaar geweest. Het werd er op den duur erg eentonig en saai. We liepen, afhankelijk van wacht of patrouille, elke week de drie aanwezige bioscopen af, en maar pinda’s pellen daar!

In het voorjaar van 1950 zijn we met de KPM boot ‘van Outhoorn’ uit Makassar vertrokken naar Soerabaja. Daar werden we ondergebracht in de havenloodsen van Tandjong Perak. Iedereen herinnert zich, denk ik, nog wel de primitieve toiletten, langs de kade boven het water en de grote mandi ruimten met water in oude oliedrums. Soerabaja, leek ons, na ons verblijf in Oost Indonesië, een Europees aandoende stad met zijn grote gebouwen, trams en voor die tijd moderne winkels.

Het werd er een tijd van verveling want het was eigenlijk alleen maar wachten op de terugreis naar Holland.

Een maal is de verveling doorbroken met een week verlof in Tretes, een plaatsje in de bergen buiten de stad. Daar brachten de Europese burgers dikwijls hun weekeinden door. We verbleven daar in een van de rondom een zwembad gebouwde huizen. Het was er heerlijk koel, de natuur was er prachtig en we konden kiezen uit twee mooie zwembaden.

Ook hier zijn we in 1980 teruggeweest. Tretes was sterk veranderd. 
Van de mooie zwembaden vonden we niets meer terug. 
Op de plaats van het zwembad tussen de huisjes was nu een pasar. 
De natuur was er onveranderd mooi.

Kort na ons verlof zijn we met een KPM boot vertrokken naar Djakarta. Daar hebben we, in afwachting van onze inscheping, nog enkele weken doorgebracht in het kamp Tandjoeng Timoer. Dat was een noodkamp waas weinig voorzieningen waren, met barakken van gevlochten bamboewanden en atap-atap bedekking.

Eindelijk kwam dan omstreeks half april de inscheping van ons bataljon, weer tezamen met het 5e bat. Grenadiers, op de ‘Skaugum’, een Noors schip dat emigranten naar Australië had gebracht. Op die boot sliepen we, na drie jaar, voor het eerst weer tussen de witte lakens, wat een luxe! Het eten aan boord was goed, alleen kregen we de laatste twee weken alleen winterpeen als groente te eten. Die wortelen werden al gauw ‘skaugummertjes’ genoemd.

Tijdens de vlotte reis van drie weken zagen we weer de bekende dingen van de heenreis, maar er werd nu met heel andere ogen naar gekeken.

Tenslotte kwamen we in de namiddag van 6 mei 1950 in Nederland aan om de volgende morgen in de haven van Rotterdam te debarkeren. Iedereen werd met autobussen thuisgebracht.  De verst weg wonenden gingen het eerst van boord. Omdat ik in het Westland woonde was ik bij een van de laatste groepen. Ook was ik de voorlaatste die uit de bus stapte. Daarom heb ik goed kunnen zien hoe, van onze bus, iedereen feestelijk werd verwelkomd in een versierd huis en door een vlaggende buurt met veel mensen op straat.

Eindelijk waren we, na 2,5 jaren tropendienst, op 7 mei 1950 weer thuis.

Later, bij het afzwaaien op 18 juni daarna bleek, ondanks dat iedereen blij was weer thuis te zijn, dat velen van ons nogal wat aanpassingsproblemen gehad hadden of nog hadden. We waren Holland behoorlijk ontgroeid. Dat heeft de intensieve briefwisseling met het thuisfront, die de meeste hebben onderhouden, toch niet kunnen voorkomen.

Al met al is het voor ons bataljon een tijd geweest in een rustig Oost Indonesië, waar we zelden echt aan strijd of acties hebben hoeven deelnemen en waarbij we slechts een van onze Jagers, door een verkeersongeluk omgekomen, hebben moeten achterlaten.

Daarom kunnen we achteraf zeggen dat we, ondanks alle ontberingen, een goede en leerzame tijd hebben gehad die ons vele ervaringen rijker heeft gemaakt. Dit in tegenstelling tot vele anderen, die daarnaast soms ook heel rottige ervaringen hebben opgedaan of zelfs nooit meer zijn thuisgekomen.