©  Veteranen-online

Herinneringen van een soldaatje

Al jong verloren mijn anderhalf jaar oudere broertje en ik onze beide ouders.
Wij waren op elkaar aangewezen en erg op elkaar gesteld, wij verstonden elkaar zonder woorden.
Die nauwe band werd abrupt afgebroken toen hij, net 21 jaar, in ons voormalige Indië sneuvelde.
Op het moment van zijn sneuvelen had ik het gevoel dat hij mij seinde en ik wist dat mijn wereld in 1000 scherven viel en elke scherf boorde zich ongeneeslijk in mijn wezen.
Ik werd immuun voor tegenslag.

Ik wilde in Indië zijn graf opzoeken en om die reden nam ik dienst bij het Vrouwenkorps van het KNIL.
Met het schip de Willem Ruys vertrok ik op 17 februari 1948 vanuit Rotterdam naar Indië voor een militaire opleiding in Bandoeng.
Wij waren met het schip de Nieuwe Waterweg nog niet uit of ik werd al zeeziek.
´s Morgens deinde de ontbijttafel onder je neus omhoog en omlaag.
Als de djongos vroeg: non, beboer - dikke havermoutpap - dan vloog ik naar de reling om de vissen te voeren.

 

Op de Willem Ruys was het een vrolijke boel.

Wij liepen in burger rond, der Koninginnen wapenrok lag nog veilig opgeborgen in de plunjezak.

Wij reisden tweede klas en deden aan alle feesten mee.

De Marva´s waren in uniform en moesten ´s morgens op appel, maar wij genoten van dansfestijnen, diners, borreluurtjes, films, muziek, sweepstake, zwembad, en passagieren in Port Said, Colombo en Singapore.

Na 21 dagen bootreis vertrokken wij naar Bandoeng voor 3 weken opleiding.

Wij werden gedrild door een sergeant-majoor van het KNIL die ons militaire plichten en rechten bijbracht, discipline, exerceren en Maleis.

Na het examen, waarvoor iedereen slaagde, werden wij over de archipel verdeeld als verpleegsters, secretaressen, telefonistes, chauffeuses, enz.
Ik werd als “administratiefje” in Batavia bij het geheime archief van de adjudant generaal aangesteld, naderhand bij de afdeling burgerpersoneel.
Na een paar maanden verhuisde het kantoor van de adjudant generaal naar Bandoeng, wat een koeler klimaat bleek te hebben.

Iedere morgen was er appèl. de dames hadden de gewoonte zo uit bed te rollen, uniformblouse en -rok over de pyjama en na het ontbijt pas mandiën.



Toen ik tot sergeant majoor bevorderd was, moest ik ook appèl afnemen en voor de troep staan.
De dames hadden afgesproken mij te pakken te nemen. ik was de jongste, pas 22 en wat deden ze?
Als hun naam door de sergeant van de week werd afgeroepen, riepen ze present en sprongen in de houding. Dan hoorden ze op de plaats rust te gaan, maar ze bleven springen
I.

k dacht: als ik er tussen stond zou ik meedoen. maar ja, ik stond ervoor en liet ze hun gang gaan maar door al dat gespring begonnen de roze pyama´s onder de rokken uit te zakken.
Toen ze moe en uitgesprongen waren, vroeg ik ernstig: zijn de dames klaar? geen commentaar. dan ingerukt, mars.

Bij het rapporteren meldde ik de luitenant van de week: geen bijzonderheden. en dat gespring dan, vroeg de luitenant. dat, luitenant,was een vreugdedans vanwege onze bevorderingen.
De luit lachte.

Het was een woelige tijd, de tijd van de politionele acties.
Er gebeurde van alles, soms wel erg spannend. b.v. op 23 januari 1950.
Hoorden, toen we op kantoor waren, schieten.

Wilde geruchten Westerling is de stad binnengevallen.
Wij lachen, wat een grap.

Maar het bleek waar te zijn en opgewonden besloten wij die dag niet verder te werken zonder gezag.
We mochten pas naar huis toen Westerling in de middag vertrokken was en de gevluchte Indonesische troepen uit de bergen teruggehaald waren.
Wij werden geconsigneerd tot 29 januari 1950.

Er was ook een devaluatie van de roepia die nog maar de helft waard bleek te zijn.
De radio legde het ongekende en onbegrijpelijke nieuws uit dat de roepia gekelderd was en nog maar één helft van de roepia waarde had.
Sommige Indonesiërs dachten slim te zijn en scheurden letterlijk een roepia biljet doormidden om met iedere helft te kunnen betalen, “mooi niet”!

De kantooruren waren tropisch.
Na twee uur ´s middags waren wij vrij om te zwemmen in Lembang, of tochtjes te maken, b.v. naar de krater van de Papandajan of naar de Dago watervallen, of de Poentjak.


Eenmaal mocht ik met het vliegtuig naar Batavia.
Ik had nog nooit gevlogen en had de gillende zenuwen. Dat merkte een medepassagier, die net als ik met de rug tegen de ijzeren wand zat gedrukt.
Hij wees mij hoe je de riemen moest gespen en maakte mij vriendelijk attent op de diverse vliegtuigwrakken beneden. die kon je duidelijk zien.
We vlogen heel laag met die logge kist zonder bekleding van binnen, alles van ijzer.
Iedereen tegen de wand en de bagage in het middenpad.
Je kreeg het gevoel dat het de toppen van de bomen wilde afscheren.
Ik had het niet meer en kwam groen het toestel uit.

Ach, dat alles is meer dan 60 jaar geleden en het lijkt mij dat het iemand anders was die dat alles meemaakte.
Een jonger zusje, bijvoorbeeld of iemand uit een vorig leven.


Rest mij nog op te merken dat ik het graf van mijn broer gevonden heb.
Hij ligt begraven op het Nederlandse Militaire Ereveld in Jakarta, vlak bij generaal Spoor.
“Missie volbracht”..
 

Marga Rijk
Alfaz del Pi.
Februari 2012

    zie ook: Het Vrouwenkorps-KNIL door Sophia Kruyswijk-Van Thiel  >>

  ©  Veteranen-online