Wij hadden de Chinezen afgelost

Bron; Alle stations bedankt...uit L.M.A. van Ooyen

In die dagen zong Franky Lane op indrukwekkende wijze: "Jezebel" en de Zuid- Koreanen hun folksong "Arirang ". Wij neurieden het een beetje mee.

Een van de mannen die erbij is geweest vertelt: 's Morgensvroeg op een koude oktoberdag aan het Koreaanse front (1951). Wij lagen toen in voorste lijn, open en bloot op een ridge (heuvelrug), met twee tirailleur- compagnieen en met zware wapens van de ondersteuningscompagnie. Tegenover ons de " 905 ". De Chinezen zaten erop, goed ingegraven, je zag ze niet. Overal rondom verrezen kale tjotten, die steil omhoog gingen en steil omlaag, met vlijmscherpe contouren. Een machtig mooi schouwspel, groots en overweldigend, maar niemand keek er lang naar. De directe nabijheid was van meer belang. Een desolaat geheel; het was er doods en verlaten, met vele kuilen; de granaattrechters deden denken aan een maanlandschap. De tjotten en ridges waren door beide partijen tijdens de voorgaande dagen bijna kaalgeschoten, niet een boom was gespaard gebleven. Zij waren ontworteld, in flarden geschoten en staken troosteloos of tegen de grijze hemel, ontdaan van al hun takken. Het terrein was bezaaid met stukken schors. 

De mannen lagen in ligsleuven, die er al waren toen zij daar aangekomen waren, leunden tegen de borstwering van half ingestorte putten, of zij lagen ergens achter omgevallen bomen of achter bobbeltjes in het terrein. Zij hadden geen gelegenheid gehad die schuttersputten uit te graven, want de Chinezen op de " 905" lagen hoger dan zij, konden goed waamemen en namen direct de plekken onder vuur waar activiteiten waren. Wij vonden het niet zo heel erg, om niet te kunnen graven, want wij waren bek en bekaf en het graven van een put in harde grond is vermoeiend werk. 

Het NDVN was ingedeeld bij een US-eenheid tijdens het najaarsoffensief. Een paar dagen al ging men de vijand achterna in het gebergte. De Chinezen trokken terug in noordelijke richting, maar verdedigden zich hardnekkig op dominerende terreingedeelten. Een van die dominerende punten was de "905", een heuvel 905 meter hoog. Een bijna kale top van waaruit de Chinezen de naderingen beheersten; alleen de benedenkant was nog begroeid. Rondom de top hadden zij enkele bunkers gebouwd, onderling verbonden met loopgraven. Stevige ingegraven bunkers, goed aangepast aan het terrein, moeilijk te onderkennen, gebouwd van boomstammen en verstevigd met zandzakken. De schietsleuven en de bovendekkingen kwamen net over het maaiveld uit. In de meeste bunkers hadden zij zware mitrailleurs opgesteld en ook enkele stukken berggeschut, die zij waarschijnlijk bij duisternis of bij slecht zicht in draagtassen en soms ook met muilezels boven op de heuvels hadden gebracht.

Vanaf de top hadden zij goede schootsvelden, maar zij hadden geen prikkeldraad hindernissen aangelegd. Geen tijd gehad? Hoe dan ook een voordeel voor ons. In de namiddag, toen het donker begon te worden, was onze compagnie op de ridge gekomen, Tegenover de "905". Daar zouden wij de nacht doorbrengen en de volgende dag, vroeg in de ochtend de aanval inzetten tegen de tjot. Voor die tijd, de storende artillerie beschietingen van de Yanks. Die begonnen er vroeg mee en de hele nacht door suisden hun granaten over ons heen en over de hele breedte van het aanvalsvak. Elk kaliber had zijn eigen sisgeluid; wij kenden de verschillen.'De 105mm kwam vrolijk sissend over, de 155mm was brommend, maakte een dof geluid. Van achter onze dekkingen hoorden wij het allemaal. Honderden granaten werden afgeschoten die nacht door een of misschien door twee afdelingen veldartillerie, die de Yanks ingezet hadden ter ondersteuning van het offensief. "Artillery is never on reserve " zeiden de Amerikanen. De afdelingen werden dan ook steeds maximaal ingezet. De granaten ontploften niet alleen op de tjotten en op de heuvelruggen waarop de Chinezen zich ingegraven hadden, twee tot driehonderd meter van ons vandaan, maar ook in de diepte van hun weerstandslijn, op hun aanvoerroutes en op essentiele punten, viersprongen van wegen en paden, bruggetjes en dergelijke. 

Dat namen wij tenminste aan, want wij hoorden de granaten wel over ons heen suizen, hoorden de ontploffingen in de verte, maar zagen de inslagen niet. En typisch, de Chinese artillerie liet zich niet horen, schoot niet terug. Wij werden niet beschoten, zoals de voorgaande dagen, door hun stukken berggeschut 75mm, die zij veelal demonteerden en in draagtassen boven de tjotten en de heuvelruggen brachten. De houwitsers 70mm, met zeer korte loop, zwegen ook en dat was opmerkelijk, want die werden altijd ingezet voor close support. Wij vonden het al lang goed natuurlijk, maar beseften wel, dat dit nog elk ogenblik kon gebeuren, bij het aanbreken van de dag waarschijnlijk, zodra wij zouden aanvallen. Zij gebruikten wel hun mortieren en schoten er haarscherp mee. Tot nu toe waren onze meeste verliezen gekomen door mortierbeschietingen. Na een paar dagen opmars en gevechten in het gebergte deed de vermoeidheid zich voelen en de mannen vielen bijna om van de slaap, maar zij konden die nacht hun ogen niet dicht doen, al was het maar voor een half uurtje. Het was niet mogelijk. Niet alleen door het lawaai van de artilleriebeschietingen van de Amerikanen en de mogelijke aanwezigheid van Chinese patrouilles in het voorterrein, je moest wel waakzaam blijven, maar ook omdat het gemeen koud was. 

Het was een heldere nacht, de maan en de sterren schenen volop, er was geen bewolking, dan is het sowieso altijd een koude nacht in de maand oktober en nu was er bovendien een koude wind bijgekomen. De hele nacht blies een koude noordenwind laag over de ridges heen en ging huilend door alles heen. De winterslaapzakken waren nog niet uitgereikt. De man had over zijn veldtenue alleen een dunne poncho ( regencape) om zijn lichaam gewikkeld. Als je dan niet zo nu en dan in beweging bent en urenlang in elkaar gedoken zit in een put, of zomaar ergens open en bloot ligt achter boomstronken, verga je van de kou. Steeds meer mannen kwamen daarom overeind van achter hun dekkingen, om zich warm te kloppen en om de benen te strekken, maar zij waren beslist niet de enigen die het koud hadden. De Yanks, links en rechts van ons en die spleetogen op de "905" lagen natuurlijk ook te blauwbekken van de Kou. 05.00 uur. 

De maan en de sterren zijn verdwenen uit de hemel. De wind is gaan liggen en een ochtendnevel is op komen zetten. De Amerikanen zijn nu bezig met inleidende artilleriebeschietingen op de heuvelruggen en op de tjotten, die de Yanks en de Dutchies zo meteen gaan aanvallen. Een half uur later trekt de mist langzaam op. De mannen zien de "905", nog gedeeltelijk in de mist gehuld, zich vaag aftekenen tegen de helder wordende hemel. Een indrukwekkende tjot waarop de Chinezen zitten. Bij het zien van die tjot gaat een huivering over hun ruggen. De mannen zouden eerst de flauwe heuvelrug afgaan waarop zij zaten naar het dal en dan de Chinese ridge opgaan richting "905". Zij wisten, dat zij om kwart voor zes in de ochtend naar voren zouden gaan, bij het aanbreken van de dag. 

Het is nu 05.45 uur, de dag breekt aan, koud en grijs. Een handgebaar van de verschillende commandanten en de kreet: "Voorwaarts gaan!". De mannen komen uit de putten en van achter hun dekkingen vandaan, kijken elkaar aan met een onrustige oogopslag, nemen hun plaats in de colonne en gaan de helling af, naar het dal. Zij lopen zwijgend, langs de omgeploegde aarde en langs de granaattrechters, langs de afgekapte bomen en takken, soms struikelend over al die oneffenheden. Zij snuiven de pittige geur op van dode bladeren en van natte aarde. Zij zijn gauw in het dal. De voorwaartse beweging wordt gehandhaafd en zij beginnen meteen aan de beklimming van de Chinese heuvelrug. De Yanks op de flanken doen hetzelfde. Het Amerikanes artillerievuur is opgehouden, het gevaar van het voren op eigen troepen zou te groot zijn. 

De stukken TLV 57mm gaan mee met de aanvallende compagnie evenals een US artillerie liaisonofficier, die artillerievuur kan aanvragen en leiden. De vuurmonden TLV 75mm zijn als vuurbasis op de ridge achtergebleven en nemen op aanvraag het ondersteunend vuur over. Er is radiocontact met de commandant aldaar. De stukscommandanten leiden het vuur op de onderkende bunkers. Opeens mortiervuur van de Chinees. Zij hebben ons zien aankomen en schieten verwoed in het dal en op de aanloop van de heuvelrug. De concentratievuren die zij gepland hebben op bepaalde plekken waar zij ons konden verwachten geven zij nu af. Er zijn direct een paar gillen vooraan en er wordt geschreeuwd naar hospikken. De eerste gewonden zijn gevallen. Ook doden soms? Als het zo is weet de troep het gauw. Er worden gelukkig geen namen genoemd, maar die komen er heus wel, dat begrijpt iedereen. Mortiervuur kan heel nauwkeurig afgegeven worden; de granaten vallen verticaal omlaag en ontploffen ook pal achter de dekkingen, dat weet elke man in voorste lijn. Plotseling schieten de Chinezen ook met hun berggeschut en met de houwitsers 70mm. Het geluid gaat door merg en been en de mannen krimpen ineen van de angst.

De stukken staan bijna helemaal vooraan opgesteld in goed uitgegraven en gecamoufleerde opstellingen. Zij nemen de naderingsroutes over de diverse ridges onder vuur, ook de onze. De mannen zoeken gauw dekking achter omgevallen bomen en in granaatrechters. Weer gillen er gewonden en weer rennen hospikken van de ene plek naar de andere. Harde knallen en veel rook verraden de opstellingsplaatsen van die stukken. Per radio wordt om vuursteun gevraagd aan de vuurbasis. De mannen bij de TLV's 75mm hebben de vorderingen van de tirailleurs goed kunnen volgen en geven puntvuur of op de onderkende doelen, die goed zichtbaar zijn geworden. En het is meteen raak. Een 70mm van de Chinezen spat uiteen in vele stukken, die omhoog geslingerd worden, met de bedieningsmanschappen erbij of delen ervan. De brokstukken vallen gevaarlijk dichtbij de tirailleurs, evenals de boomstammen van de bunker en de opengebarsten zandzakken. Onze mannen liggen plat tegen de grond gedrukt en velen houden wijs en middenvinger gekruist op elkaar. Dat wil wel eens helpen. Uit een mitrailleurnest wordt hevig geschoten. De plek wordt gauw onderkend en de tirailleurs vuren erop, houden zo de koppen van die spleetogen omlaag. Zij kunnen niet meer kijken en zien niet wat er gebeurt; er wordt dus niet meer geschoten uit die hoek. Een schutter TLV 57mm maakt er helemaal een einde aan door een voltreffer te plaatsen met een brisantgranaat. 

De mannen maken gebruik van dat ogenblik om snel weer iets naar voren to gaan. Ook hier gelukkig geen prikkeldraad, geen mijnen en geen boobytraps. De tirailleurs schieten met hun Garandgeweren en met de lichte mitrailleur bar rakelings langs de bovenkant van de loopgraven en van de putten, zodat de Chinezen daar pinned down zijn en niet meer over de borstwering kunnen schieten. De weerstand wordt minder; onze mannen merken dat en gaan nu sneller voorwaarts met kleine sprongen. en elkaar dekkend. Zij gaan over de loopgraven heen en over de putten. Zij zien daar alleen maar lijken liggen, de meesten half bedolven onder de in elkaar gezakte dekkingen, waarschijnlijk al gedood door de inleidende artilleriebeschietingen. De andere Chinezen die daar waren hebben zich razendsnel teruggetrokken, gebruik makend van rook. Op enkele plekken zien onze mannen groepjes Chinezen van 2 a 3 man teruggaan. Zij schieten erop; een paar vallen neer, een paar ontsnappen. Het is gauw duidelijk, er zijn geen levende Chinezen meer op de tjot en er wordt niet meer op ons geschoten. 

Opeens beseft iedereen, dat zij op de "905" zitten! Die hebben zij gepakt op de Chinezen, geweldig!
De mannen, door en door bezweet, zwart van de aarde en van de stof en velen met een bebloed verband om een lichaamsdeel, hebben een zegevierende glimlach op hun gezichten, lachen zelfs breed uit. De opdracht is uitgevoerd, zij zitten op die vervloekte tjot en op de ridge tussen de "905" en de "605". Niets is grandiozer dan een overwinning op welk gebied dan ook, vooral hier. De witte tanden van de mannen glimmen in hun donkere gezichten, de ogen glinsteren van opwinding.
Zij kijken elkaar in de ogen en zij lachen. Een fantastisch fijn gevoel is dat, om heelhuids boven een Chinese tjot te komen. Maar de feestvreugde in van korte duur. Er zijn aan onze kant tien doden gevallen en tientallen gewonden, een paar heel ernstig. De namen van de gesneuvelden zijn bekend. Verschrikkelijk is dat, het grijpt je aan, koude rillingen bij de mannen, maar je kunt het nog niet verwerken, het verdriet komt later. Je zit nu nog midden in die spannende toestanden. De spleetogen kunnen elk ogenblik terugkomen. Je blijft alert, je houdt het terrein in de gaten. 

De groepen, de pelotons, de compagniescommandant en zijn staf bevinden zich op de tjot, verspreiden zich erover heen, ook over de uitlopende ridge richting vijand. Er wordt contact gemaakt met de Amerikanen, die het ook gefikst hebben en aan de andere kant van de "905", zitten. Ook de bataljonscommandant en zijn gevechtsstaf zijn bij ons op de tjot. Zij hebben het gebeuren van dichtbij gevolgd. De Chinezen weten dat wij nu op de "905" zitten en bestoken ons ineens met mortiervuur. ledereen duikt weg in een put. De beschieting is maar van korte duur; 10 a 15 granaten worden op ons afgevuurd. De Chinezen hebben zich "afgemeld". Er zijn geen gewonden meer gevallen door de rondvliegende scherven. De onderkomens van de Chinezen, of wat er van over is gebleven, worden onderzocht. Ook hun loopgraven en putten, maar er wordt geen levende Chinees meer aangetroffen. Meestal trek je bij het veroveren van een doel iets verder door, om een vijandelijke beschieting erop te ontgaan, maar nu moesten wij op de "905" blijven zitten want het was immers een dominerend terreingedeelte en de kans was groot, dat de Chinezen het zouden proberen te heroveren. 

Onze kerels hoefden in ieder geval ook hier geen putten te graven; zij gingen in de loopgraven en in de putten zitten van de Chinezen, die deze net ontruimd hadden. De lijken die er lagen worden er eerst uitgegooid. Het omliggend terrein werd scherp in de gaten gehouden, maar zij kwamen niet terug. Toen de mortierbeschieting voorbij was kwam er nog een groep mensen de tjot op. US-commandanten met een paar van hun stafofficieren en radiomannen. Zij kwamen om zich op de hoogte te stellen van de toestand, om met onze commandanten te praten en om te horen hoe het allemaal gegaan was. De US-commandanten hadden altijd veel belangstelling voor ons en dit werd uiteraard zeer op prijs gesteld. Er waren bekende gezichten bij, want zij lieten zich vaak zien en zij spraken ook met de mannen. Die hoge pieten zaten onder de modder en de stof, hadden kennelijk ook op de grond gelegen tijdens beschietingen of in een natte greppel. Een half uur later kwam een man eenzaam de tjot op; hij was nogal dik en had er moeite mee. Niemand kende hem, bleek later, wij hadden hem nog nergens gezien. Hij viel vooral op, omdat hij zo schoon en netjes gekleed was. Dit is onbestaanbaar als je in voorste lijn bent. De man had een schoon gevechtspak aan, met plooien nog in zijn broek, geen vlekje erop. Hij was glad geschoren met een aftershaveluchtje nog om zich heen hangen. Hij had het kennelijk warm, het zweet parelde op zijn voorhoofd. De man had een fototoestel om zijn nek hangen. 

Bijna op de top aangekomen hield hij halt bij de eerste de beste man die hij tegenkwam om met hem te praten. Dat gaf hem de gelegenheid om even uit te blazen. De man die hij aansprak was een pelotonscommandant van het Nederlands bataljon, die langs zijn mannen ging; zij waren bezig zich ter verdediging in te richten. De puffende man riep: " Hello man, nice to see you", en er kwam een brede grijns op zijn gezicht. De pelotonscommandant keek hem niet bemoedigend aan, want hij zag, dat die er niet "bijhoorde". Hij dacht: een volgevreten vent van ver achter in de "rear", die ook komt kijken hoe het met de boys gaat. Er was nog een bijzonderheid, de man sprak Nederlands met een sterk Amerikaans accent. 'Leuk to see you. Hoe gaat het met de Dutchies? Alles goed hier? Jullie zijn aan het uitrusten, zie ik. Moet ook gebeuren, alles op zijn tijd" en weer een big smile op zijn gezicht. 

De pelotonscommandant keek hem nu aan alsof hij wilde zeggen: "Zak, wat moet je hier?" maar zei niets. De man ging verder met praten. Hij zei, dat hij van Nederlandse afkomst was en daarom de Dutchies mocht volgen om er een verslag van te maken, want hij was een freelance journalist. Hij kwam uit Baltimore. "Mijn voorouders kwamen uit Tilburg, dichtbij Brussel, as you know.". Dat interesseerde de PC kennelijk niet, want hij zei nog steeds niets. "You are lucky, het wordt mooi weer vandaag, de zon begint te schijnen, maar het zal niet te warm worden. Het is wel fantastisch mooi hier, met al die hills op een rij, vindt u niet?". 

De pelotonscommandant, een rasechte Amsterdammer, die wel van geintjes hield, maar niet van slap "gelul" begon zich te ergeren aan die man. De PC was zelf een van de licht gewonden, met een granaatscherf in zijn arm. Een frontsoldaat weet gauw wie van die "bezoekers" echt belangstelling heeft voor de troep en wie niet. Er zijn er die alleen maar komen om gezien to worden; die moeten geen kapsones maken. Deze Amerikaans Nederlandse "Yank" was zo'n figuur, dacht de pelotonscommandant en keek de man aan met een minzame glimlach. Te netjes gekleed, to goed geschoren, overmatig gevoed, lacht te veel, is niet ter zake en "lult" onbelangrijk. 

De man haalde een pen en een blocnote to voorschijn en vroeg: "ik wil weten wie jullie hier zo even hebben reliefd" en er kwam weer een big smile op zijn gezicht. "Wat"? riep de pelotonscommandant. die voor het eerst zijn mond open deed en hij keek de freelance journalist verbaasd en met woede aan. De Amerikaans-Nederlandse Yank was blij, dat er eindelijk een reactie gekomen was van de Dutchie. Weer een brede glimlach op zijn gezicht. "Welke eenheid hebben jullie daarnet reliefd, .. . ik bedoel afgelost?". Hij was blij, dat hij op het woord "afgelost" gekomen was, lachte daarom breed uit en hij klakte vrolijk met zijn tong. Hij keek veelbelovend nu er een opening gekomen was in het gesprek. 

De pelotonscommandant keek hem verbijsterd aan. "Wie wij afgelost hebben?", zei hij met ongeloof in zijn ogen en met een brok in zijn keel. "Yes", zei de man. "US Foxtrot Company. maybe? Daar zitten veel boys uit Baltimore, die moet ik beslist ook zien" en hij keek in het rond of hij die kerels uit Baltimore al kon zien. "AFGELOST?" riep de Amsterdammer heel hard en hij keek de man uit Baltimore vernietigend aan. "Yes, wie hebben jullie hier afgelost. Het was een rustige aflossing, geloof ik, very quiet here", zei de man, met alweer die irritante glimlach op zijn gezicht. "AFGELOST?" schreeuwde de Amsterdammer, die heel kwaad was; het schuim kwam om zijn mond. "Yes, afgelost!", zei de Yank. En weer die begeleidende glimlach. "WIJ HEBBEN HIER DE CHINEZEN AFGELOST" riep de pelotonscommandant heel hard; het leek wel een woede-uitbarsting van hem. "Zie je dat dan niet, zak die je bent, begrijp je dan niet wat hier gaande is?". Zijn stem klonk minachtend, zijn ogen schoten vuur. "Wij zitten nu op de "905", zij niet meer. Wij hebben ze inderdaad afgelost, zoals jij zegt, maar niet op de gewone manier en het was niet all quiet". Zijn verontwaardiging was groot. "Er zijn doden en gewonden gevallen. Loop iets door en kijk goed in het rond, dan zie je het wel ". Hij keek de Amerikaans-Nederlander vuil aan en wond zich erg op. Het zweet brak hem overal uit. "Ben je niet op de briefing geweest? Dan had je onze opdracht kunnen horen en ons vanaf het begin kunnen volgen en had je nu een mooi verhaal kunnen maken over ons optreden en niet achteraf, klootzak die je bent!" 

De Yank schrok ervan, liep een paar passen door en keek in het rond. Zag het een en ander en begreep het toen waarschijnlijk wel; hij lachte in ieder geval niet meer. Hij zag de doden, die onder een poncho lagen en de gewonden die geholpen werden. Ergens werd een been gespalkt met een stuk hout van een Chinese stelling. Hij zag hoe de mannen in de loopgraven hun munitie herverdeelden, hoe ze met zandzakken sjouwden en een slok water namen uit hun veldfles. "Oh, I see. Sorry, I didn't know", zei hij toen. Zou hij het echt begrepen hebben? Hij wilde nog iets zeggen of vragen, want hij had nog geen woord geschreven op zijn blocnote, maar de pelotonscommandant was tandenknarsend heel kwaad weggegaan; hij had andere dingen to doen dan te praten met zo'n waardeloze vent. Wat een beledigende vraag was dat: "Wie hebben jullie afgelost? Het is zo rustig hier!". Een afgang voor die zogenaamde verslaggever, dacht hij. Hij draaide zich toch nog een keer om en schreeuwde heel hard om de woede van zich of te schudden. Voor het geval jij het nog niet begrepen hebt, klootzak, wij hebben die spleetogen niet zomaar afgelost op de "905", wij hebben ze ervan afgetrapt, vernietigd en verdreven, met geweer en mitrailleurvuur en met handgranaten. Onze tanden stevig op elkaar gedrukt en met bijtend zweet in onze ogen. Er zijn hier doden en gewonden gevallen aan onze kant. Thats the difference met een rustige aflossing, mister Baltimore!