UIT DE OUDE DOOS

In oktober 1951 verscheen de 1e jaargang No 1 van "Wapenbroeders". Hoewel dit een uitgave betrof van en voor Indie-veteranen werd er toch een artikel gewijd aan Korea, geschreven door Samuel D.H. Fronstrom, een Amerikaanse oorlogscorrespondent.

Bron: VOKS

De Hollandse soldaat: degelijk, efficient, moedig.

Hier in Wonju weet iedereen mij te vertellen van twee van de opvallendste onderdelen, die ooit hun spoor door de Koreaanse heuvels trokken: de Hollanders van het 38e en de Fransen van het 23e infanterieregiment.
Natuurlijk hebben alle onderdelen van de vrije wereld specifieke dingen, die hen doen verschillen van anderen, maar de verhalen die ik van de Fransen en de Hollanders hoorden, verantwoorden voldoende, dat ik hier een vergelijking trek tussen onze eigen Amerikaanse soldaten en die van het Hollandse en het Franse bataljon. In die vergelijking zijn slechts twee punten van overeenkomst: ze behoren tot de UNO strijdkrachten en ze vechten keihard. Overigens verschillen zij nogal. Men zou deze vergelijking kunnen maken: de Amerikaan is een druppel machine-olie, de Fransman champagne vermengd (als dat mogelijk is) met een druppel kwik en de Hollander een druppel hersenvocht. Ik maakte die vergelijking sinds ik in een konvooi chauffeurs van alle drie naties zag rijden. Het was een machtige colonne, een brommende mierenkolonie, die de heuvels overspoelde langs de bochtige en steile wegen.

In zo'n gemotoriseerde colonne voelt de Amerikaanse soldaat zich op zijn best. Alles wat de geperfectioneerd mechanisatie van zijn land maar heeft kunnen opbrengen aan rijdend en schietend oorlogsmateriaal vormt zijn trots en kracht. Hij is alleen een onderdeel, zij het ook een belangrijk onderdeel, dat deze hele geweldige macht in beweging kan brengen en benutten in een cycloonachtige vuurkracht.

De Fransman daarentegen domineert als mens over het materieel. Hij geeft aan al dit materieel zijn heel aparte geest, die in een konvooi bijvoorbeeld zich uit in een erbarmelijke konvooi-discipline. Met de zwarte baretten joyeus achter op het hoofd bewegende Fransen zich als een zigeuner karavaan over de wegen, zo roekeloos dat de Amerikaanse chauffeurs, die toch heus wel iets gewend zijn, zich een geestelijke in hun nabijheid wensen wanneer zij in de bergen kans krijgen een Frans konvooi tegen te komen. Het is niet dat de Fransen slordig zijn met hun materiaal, want dat zou men daar ook direct bij moeten opmerken dat zij buitengewoon slordig zijn met hun levens bij het vechten; zij kunnen niet anders, het hoort bij hen en niemand kan er kwaad over worden want zij doen het met een blijmoedige zwier: het verkrachten van de konvooi-discipline en het vechten.

De Hollander is van de drie het beste op de weg. De geringste Hollandse konvooi chauffeur zou in staat zijn een handboek voor oorlogschauffeurs samen te stellen dat geschikt zou zijn voor alle vechtende en rijdende legers van de wereld en men zou dan weten de beste en meest serieuze richtlijnen voor zijn chauffeurs te hebben.
Dat is het: de Hollanders zijn serieus en gedegen. Waarschijnlijk komt dit omdat Holland maar een zeer arm land is waarvan de soldaten geleerd hebben zuinig met het materiaal om te springen. "Dat leerden wij in Indonesia wel", bromde een kleine chauffeur die ik eens sprak "Wij waren daar aangewezen op het afgedankte Britse materiaal en het zou ons nooit gelukt zijn de zaken te fiksen wanneer wij zo met onze wagens waren omgesprongen als jullie hier in je overvloed". De Hollandse chauffeurs vertroetelen hun voertuigen en houden ze steeds in de beste conditie. Op de wegen zijn ze onnavolgbaar en daarom hebben de Hollanders van alle UNO-onderdelen ook de minste ongelukken.

Wij hebben trouwens meer kunnen leren van de ervaringen die de Hollanders in Indonesia opdeden in de guerilla-oorlog, evenals de Fransen die hadden in hun strijd in Indo-China. Een zeer belangrijke les is bijvoorbeeld geweest dat men een oorlog in het Oosten niet kan voeren volgens de Europese "Blitz Krieg" regels. Zeer belangrijke verliezen leden wij bijvoorbeeld in het begin omdat onze gemotoriseerde en gemechaniseerde aanvalscolonnes langs de wegen doorstootten zonder dat tegelijkertijd de infanterie het zijterrein uitkammen.
In de aldus ontstane "zakken" bleven daardoor vrij belangrijke contingenten "gooks" zitten, die rustig hun tijd afwachtten tot de verbindingswegen door de grote afstanden kwetsbaar waren geworden en dan knepen zij gewoon die verbindingswegen af en brachten ons onbarmhartige verliezen toe. Het waren vooral de Hollanders die rond-uit hun bezwaren hiertegen naar voren brachten en de harde werkelijkheid (enorme verliezen aan manschappen en materiaal) bewezen hoezeer zij gelijk hadden: blijf weg van de hoofdwegen en bewerk de omgeving. Het feit dat de Nederlandse officieren zo onomwonden hun persoonlijke visie op de oorlogvoering naar voren brachten wijst erop hoe individueel ingesteld de Hollandse militairen zijn. Zij overdenken alles te voren met een zuiver uitgebalanceerde efficientie en gaan zeer doelbewust te werk, een prachtige combinatie met hun persoonlijke moed. Zij zijn daardoor in staat, in verhouding tot de andere contingenten, betrekkelijk weinig verliezen te boeken en daar tegenover een zeer ruim maximum aan successen te stellen. Zij hebben er zich een bijzonder goede naam door verworven. De Hollanders weten dit doch naast de gerechtvaardigde trots door deze naam behouden zij een mate van nuchter inzicht die wel eens pijnlijk kan zijn door haar oprechtheid. 

Zo zei mij eens een korporaal die ik complimenteerde met de prachtige prestaties van het Hollands bataljon bij de terugtocht van Wonju, waarbij dat bataljon de achterhoede vormde: "ja, wij krijgen veel complimenten. De eerste keren trapten wij erin, later ontdekte wij wel dat zo'n compliment een nieuwe aanval of terugtocht inluidt waarbij wij dan weer de spits moeten afbijten. Evengoed bedankt voor het compliment, want jouw soort compliment is ongevaarlijk."

Evenals de Hollanders (en vooral ook de Turken) hebben zich ook de Fransen bekend gemaakt om hun bajonet-charges, een desperate vechtmethode die aan deze harde, rauwe oorlog bijna een aparte kleur gegeven heeft om het persoonlijk karakter dat eraan vast zit. Alleen soldaten, die geloven in hun eigen superioriteit- zo wijsgeerde een Amerikaanse luitenant met bewondering in zijn ogen- gaan over tot een bajonet aanval. De Hollanders attakeren op de bajonet omdat zij weten dat de Gooks en de Chinezen daar doodsbenauwd voor zijn; het is een onderdeel van hun bedachtzame oorlogvoering. De Fransman doet het omdat het in zijn karakter ligt. Op het commando spring "Beau Geste" als een losgelaten veer uit zijn stellingen en bestormt met daverend elan zijn vijand op de bajonet. De jonge officieren die voorop gaan dragen een reep rode parachute-zijde om hun hoofd omdat een Franse officier nu eenmaal behoefte heeft telkens een nieuwe "traditie" uit te vinden. En des te furieuzer de vijand de rode doeken als doelwit zoekt voor zijn geconcentreerd vuur des te dierbaarder wordt deze `traditie". 

De Amerikaanse soldaat heeft geen behoefte aan tradities van dit soort, noch kan hij zo ijskoud naar de bajonet-aanval grijpen als de Hollanders dit doen. Hij doet het liever op de Tommygun en de handgranaat, met mortier en artillerievuur op de vijandelijke stellingen en "strafende" vliegtuigen daarboven.

De nacht ligt nu over Wonju.
In het noord westen, achter de onzichtbare heuvelruggen, weten wij een enorme overmacht van Gooks en Chinezen die ongetwijfeld straks zullen attakeren. De nacht, ondoordringbaar zwart, is geladen van een enorme, voelbare spanning. Rond deze heuvel , tot zeer ver uitlopend naar het zuidwesten en het noordoosten, strekken zich onze linies, ingegraven in rotsspleten, op plateautjes en op lagere heuveltoppen. Vijf bataljons liggen te wachten; harde troepen vol ervaring en bressen
in de rijen. Daarin liggen de Hollanders en de Fransen op sleutelpunten. Op de heuvelrug waar het Franse bataljon zich heeft ingegraven gloeien wat lichtpuntjes: kleine houtvuurtjes. Overal verder is het absoluut donker, bij de Amerikanen en de Hollanders.
De Fransen branden zorgeloos kleine vuurtjes. Als de Chinezen, aangetrokken door dit merkteken, daarheen komen zullen de Fransen vechten voor alles wat zij waard zijn maar ze hebben nu koude handen en voeten en willen die dus verwarmen zolang zij daartoe nog de gelegenheid hebben. En zo wachten zij op de grote aanval.

De Amerikanen wachten ook, maar anders. ledereen is klaar wakker en in de commando posten zijn de verbindingsmensen doorlopend in de weer: "Krijgen we artilleriesteun? Komt er nog aanvulling munitie voor onze mortieren? Komt de luchtmacht direct in de ochtend?" In de tastbaar-donkere nacht zoeken de Amerikaanse mensenharten naar de steun van het gemechaniseerde metaal.

En ook de Hollanders wachten, Op hun manier. Op de dubbelposten na slapen de meesten; elke minuut slaap is meegenomen in het vacuum van uitputting waarin deze troepen reeds weken verkeren. Maar ik zou bijna durven beweren dat zij in dit geval niet door oververmoeidheid slapen, maar weldoordacht.

Sambal D.H. Fronström