NDVN: DE EERSTE INZET

Bron: VOKS

Nadat op 23 november 1950 het NDVN in Pusan ontscheept was en vervolgens 10 dagen in Taegu verbleef om haar materiaal in ontvangst te nemen en te oefenen, vertrok het detachement op 4 december in noordelijke richting naar Suwon. Het werd hier ingedeeld bij het 38st Regiment (Rock of the Marne, een "erenaam" verworven in WOl) van de 2 US Infanterie Divisie, de "Second to None". Aanvankelijk was het de bedoeling de "Dutchies" in te zetten ter beveiliging van de wegen noord van de N-Koreaanse hoofdstad Pyongyang maar gezien de snelheid waarbij de Chinese- en Noord Koreaanse troepen in zuidelijke richting optrokken is het daar nooit van gekomen.

Op 14 december kwam de eerste opdracht: verkenning uitvoeren zuid van de Han. Na twee dagen verkennen werd enkele dagen later de opdracht gewijzigd: het verkennen van verdedigende opstellingen meer naar het westen.
Op 19, 20 en 21 dec. werden deze verkenningen uitgevoerd maar toen de verkenningsgroep terugkwam bleek de opdracht gewijzigd: gereedmaken voor verplaatsing naar de omgeving van Chungju als flankdekking voor de oprukkende 2nd Div. Op 22 December verplaatste het bataljon zich naar die omgeving en groef zich in bij temperaturen tot minus 25 graden waarbij de schuttersputten werden "ingericht" met behulp van stro en karton van de gevechts rantsoenen.
Op 25 dec. werden zelfs "kerstbomen" opgericht, versierd met zilverpapier van de gevechtsrantsoenen. Er waren pakjes en post uit Nederland en de Amerikanen zorgden voor de traditionele kalkoen(die half bevroren arriveerde).

Men begon zich juist zo'n beetje thuis te voelen of de opdracht werd gewijzigd. Het NDVN moest een deel (ca 60 km) van de hoofdaanvoerweg ten zuiden van Chungju beveiligen tegen aanvallen en beschietingen door guerrillagroepen die deze, tussen heuvels lopende weg, herhaaldelijk bestookten. Dus verplaatste het bataljon zich op 26 december opnieuw, ditmaal in zuidelijk richting.

In tegenstelling tot de Amerikanen, die op de weg zelf patrouilleerden, patrouilleerden de Nederlanders in de naast deze aanvoerweg gelegen
heuvels, zoals men ook tijdens acties in Nederland-Indi gewend was te doen. Een peloton van de BCie stootte hierbij op een Noord Koreaanse patrouille. Bij het ontstane vuurgevecht, het eerste sedert de aankomst in Korea, sneuvelden vier N-Koreanen, de eigen partij leed geen verliezen.

De wijze waarop het NDVN haar beveiligingstaak uitvoerende leidde soms tot vreemde situaties; zo kwam op een dag een woedende Amerikaanse kolonel de CP van de Ostcie binnenstuiven, witheet omdat hij op het aan de Nederlanders toegewezen weggedeelte geen enkele patrouille gezien had.
Hem werd vriendelijk gevraagd of hij op het aan de Nederlanders toegewezen deel van de aanvoerweg beschoten was, nu dat was niet het geval geweest maar wel op het weggedeelte zuid daarvan dat door de Amerikanen zelf beveiligd werd. Hem werd uitgelegd dat de vijand niet op, maar vanaf de langs de weg gelegen heuvels en bergen, opereerde. Wilde men voorkomen dat de voertuigen op de weg beschoten werden moest men op de heuvels en niet op de weg zelf patrouilleren. Hij ging hoofdschuddend weg omdat die stomme Dutchies het zich zelf moeilijk maakten; waarom door de heuvels sjouwen terwijl men zich op de weg toch zo gemakkelijk kon verplaatsen.
Overigens: de Amerikanen zijn wat later toch ook overgegaan voetpatrouilles uit te zenden in de berggebieden.

Op 31 december kreeg het bataljon opnieuw een andere opdracht: op 2 januari verplaatsen in noordelijke richting naar Hoengsong, een afstand van ruim 120 km "ter uitvoering van een overeenkomstige taak" dus "wegbeveiliging". Hoengsong werd het, maar de taak zou verre van "overeenkomstig" zijn.

Hoengsong: in voorste lijn
Wat was er gebeurd ? Op 1 januari zette de vijand haar Nieuwjaarsoffensief in o.a. gericht op Seoul en op Wonju, een belangrijk wegen- en bevoorradingsknooppunt, dat bereikt kon worden via het wegenknooppunt Hoengsong waarvan de verdediging werd opgedragen aan de Second (Indianhead) Divisie, "onze divisie dus. Binnen 24 uur wist de tegenstander noord van Hoengsong gaten in de verdediging te slaan waardoor reeds op 2 januari het 23ste Regiment van deze divisie noord van Hoengsong onder zware druk kwam te staan.
Het 38ste Regiment tezamen met het NDVN, kreeg de opdracht de toegangswegen naar Hoengsong af te sluiten. Het 9de Regiment van de divisie werd in reserve gehouden.

Op 1 en 2 januari was over de ontwikkeling van de gevechten bij het detachement niet veel bekend en de indruk bestaat dat dit bij de hogere echelons niet veel beter was. De wetenschap van de bataljons-commandant en die van zijn compagniescommandanten beperkte zich de komende dagen hooguit tot hetgeen direct vr, links en rechts van zijn onderdeel gaande was. Soms echter ontbrak ook dat met als gevolg dat bij de eenheden vrijwel niemand iets begreep van de voortdurende wijzigingen in het optreden.
Het NDVN kreeg binnen een kort tijdsbestek zeer verschillende opdrachten. Had het zuid van Chungju tijdens de wegbeveiliging ver "achter" gelegen, nu kwam het vrijwel steeds in de voorste lijn: gevechtsvoorpost voor het openhouden van een terugtochtsweg, opzoeken van de vijand op een (vermoedelijk) open flank, enkele malen dekken van een terugtocht, inrichten van en verkennen vanuit een patrouille basis, deelnemen aan aanvallen en aan verdediging.

De beweeglijkheid van de strijd en de wisseling van de opdrachten gaven ook aanleiding tot verplaatsingen over niet geringe afstanden.
Het tekort aan voertuigen, niet alleen bij het NDVN maar ook bij de hogere echelons, maakten dat de "moves" tussen 4 en 14 januari vrijwel steeds te voet moesten worden uitgevoerd.
De opvoer van warme maaltijden -de keukens stonden nog steeds in het treinengebied bij Chungju- kwam er ook lelijk door in het gedrang.
Dagenlang leefde men op twee maaltijden per dag uit blik. Maar even- goed moesten er lange patrouilles worden gelopen in het zware terrein, zich in de bevroren grond ingraven, na korte tijd de stellingen weer verlaten om ergens anders opnieuw te beginnen, nachten in schuttersputten doorbrengen, soms in "goed" weer met alleen -25 graden op de "tjot" en -20 graden beneden, soms zelfs in sneeuwstormen waarbij men geen 10 meter zicht had. Het ijs hing in de snorren en baarden op de gezichten die dagenlang geen scheermes meer hadden gezien.

Voortdurend moest rekening worden gehouden met 's vijands voorliefde voor nachtelijk optreden en overvallen tegen de morgen die ertoe noopten van omstreeks 04.00 uur volledig gevechtsgereed te zijn. Zo ging door de wijze van optreden door de tegenstander een niet te miskennen geestelijke druk uit. De zwaarste strijd werd evenwel niet tegen hem gevoerd maar tegen de kou en oververmoeidheid mede door het gebrek aan slaap doordat verplaatsingen vaak bij nacht werden uitgevoerd. Niettemin hebben Amerikaanse hogere commandanten meerdere malen hun bewondering geuit over de veerkracht van de Nederlandse soldaat.

In verband met het tekort aan vrachtauto's moet het bataljon vanuit zuid van Chungju in twee slagen verplaatst worden naar Hoengsong, een afstand van ca 150 km. In opdracht van 38 RI vertrekken op 2 januari om 07.00 uur per 3 tonners de ACie en de BCie, een verplaatsing waarvan de staf van het NDVN niet door het hogere echelon was ingelicht; pas tegen de avond kwam men daarachter. Bij aankomst in Hoengsong wordt de ACie door het 38ste Regiment gedirigeerd naar het 2 km oost van Hoengsong gelegen Massani teneinde de daar gelegen brug over de Chonchon te
beveiligen. Zij voert dit uit door zich met drie pelotons naast elkaar, door een dikke sneeuwlaag heen schutterputten te graven in de heuveltjes west van de brug.
De BCie moet bij aankomst in Hoengsong eerst een uur wachten op haar opdracht: doorrijden naar het 6km west van Hoengsong gelegen Chowonni en de daar liggende brug open houden voor de C-Cie van 38 RI, die in Pakchodon een gevechtsvoorpost had betrokken. Tevens moet de B-Cie een uit het noordwesten komende vijand beletten door te dringen tot de weg Hongchon-Hoengsong, de weg waarlangs 23 RI inclusief het Franse bataljon enkele kilometers noord van Haktamni in gevecht is.

Terwijl men nog enig inzicht had op hetgeen zich op de westflank afspeelde tast het hogere niveau in het duister omtrent de ontwikkelingen op de oostflank waar de tegenstander een gat van ca 30 km heeft geslagen; war de vijandelijke eenheden zich bevonden is niet bekend.
Men beschikt slechts over vage meldingen en een waarneming van een licht verkennings vliegtuig dat zich bij Yudongni, ca 20 km noord-oost van Hoengsong, vijandelijke concentraties bevinden.

De eerste gesneuvelden
De divisiecommandant wenst nadere gegevens te verkrijgen en draagt dit op aan 38 RI, dat in de nacht van 2 op 3 januari aan de C-ACie NDVN de opdracht geeft bij dagaanbreken met de cie een opstelling in te nemen bij het 15 km ten no van Hoengsong gelegen dorpje Chohyonni, daar voor de nacht van 3 op 4 januari een hinderlaag te leggen en krijgsgevangenen te maken. Een verkenningsvliegtuig zal de patrouille vergezellen voor verkenning, meldingen aan de divisie en doorgeven van aanvragen om artillerie en/of luchtsteun. De compagniescommandant overweegt, aangezien het laatste deel van de verplaatsing te voet zal moeten geschieden en het geaccidenteerde en zwaar beboste terrein weinig mogelijkheden biedt tot het gebruik van zwaardere wapens, de actie alleen met zijn drie infanteriepelotons uit te voeren. Hierdoor bedraagt de sterkte van de compagnie rond 100 man. Het is koud die dag (ca -15 graden) maar helder weer en er ligt een dikke laag sneeuw. Rond 10.00 uur vertrekt de compagnie op auto's die haar tot Pondongni brengt.

In de gepasseerde dorpjes weet de bevolking niet meer te vertellen dan dat zich in het oosten vijand bevindt. Vanaf Pondongni wordt om 11 .00 uur de verplaatsing te voet voortgezet langs een aan de rechteroever van het riviertje liggende bochtige weg langs vrij steile heuvels.
Bij het bereiken van Sangdongpyong wijzen verse sporen van een gevecht om een politiepost op aanwezigheid van vijand in de omgeving waarna de patrouille opdracht krijgt niet zonder nader bevel op te rukken na het bereiken van een knik in de weg west van Choyonni.
Vlak voor het bereiken van die bocht, het is inmiddels 12.00u geworden, ontwaren de verkenners een aantal mannen bij een knik van de weg. Zij waarschuwen de PC, die achter zijn voorste groep loopt en snel naar voren komt en ca vijftien soldaten ziet die bezig zijn mijnen te leggen in de weg. Onmiddellijk geeft hij opdracht aan de dichtstbijzijnde lichte mitrailleurschutter in de rechter berm in stelling te komen en het vuur te openen en dirigeert een groep het heuveltopje links en een andere groep naar het hoge terrein rechts van de weg, waar beide groepen in stelling komen. Alles gaat zeer vlug; het mitrailleurvuur verrast de mijnenleggers volkomen, zij stuiven zonder te schieten uit elkaar.

De CC geeft alle drie de pelotons opdracht het heuvelcomplex rechts van de weg te bezetten vanwaar hij een goed inzicht in het terrein verwacht. Terwijl dit wordt uitgevoerd klink weer vuur, nu uit de richting van het dorp, maar van wie is niet duidelijk; elke kijk op de situatie ontbreekt nog.
Wanneer de CC tegelijk met het 2e peloton de heuvel bereikt wordt hem de situatie wat duidelijker. Het blijkt dat de naar rechts gezonden groep van het voorste peloton, onder achterlaten van een korporaal en twee man, op eigen houtje het dorp is ingesneld, daar in een vuurgevecht is gewikkeld en reeds gewonden heeft: de groepscommandant en twee anderen, door wie om hulp word geroepen. Waar de vijand precies zit is niet duidelijk. Omdat de groep in het dorp geen radio bij zich heeft draagt de CC iemand op ter plaatse poolshoogte te gaan nemen. Vrijwillig biedt zich een soldaat aan die meent, omdat hij in een van een Amerikaan geleend wit camouflagepak is gekleed, meer kans heeft erdoor te komen. Maar voor zijn borst draagt hij een zwarte kijker en mogelijk is hem dat noodlottige geworden want in het vlakke terrein voor het dorp wordt hij getroffen door, na later bleek, een schot onder zijn hart. Vervolgens begeven zich de sergeant-majoor ziekenverpleger met drie man, eveneens vrijwillig, naar het dorp om de gewonden te helpen en op te halen terwijl de CC, bij gebrek aan elk ander middel voor rechtstreeks contact, een spreekkoor doet vormen dat de groep in Chohyonni toeroept terug te keren.

Direct daarna, het is inmiddels 12.45 uur. arriveert ook het derde peloton waarvan een groepje van vijf man, ook nu weer uit eigen beweging, het dorp tracht te bereiken voor het bergen van de gewonden. Ook zij komen, evenals de vorige, op een enkeling na niet verder dan een rijstveld op het open terrein. Het blijkt nu dat de vijand op de hellingen noord van Chohyonni zit en dit dorp als het ware met vuur insluit. Tot overmaat van ramp meldt de luchtwaarnemer dat zich in het dorp en 3km oost daarvan sterke vijand bevindt. Even later meldt komt hij weer in de lucht met de vreemde vraag of de compagnie zo'n 500 meter naar het noordwesten soms een afdeling in Amerikaanse uniformen heeft geposteerd. Het antwoord is uiteraard ontkennend waarop de luchtwaarnemer meldt" U bent omsingeld; tracht terug te gaan; heeft u luchtsteun nodig ?" De C-Acie wijst deze steun af omdat hij er rekent op een spoedige terugkeer van de groep in het dorp en meent zelf het hoofd te kunnen bieden aan de dreiging uit het noordwesten.

Dit laatste is juist, het daarheen gezonden als laatst aangekomen derde peloton kan al spoedig melden dat de vijand zich heeft teruggetrokken.
De terugkeer van de groep in Chohyong laat evenwel op zich wachten; het vuur in dit dorp wordt heviger en er mengen zich nu ook mortieren
en zware mitrailleurs van de tegenstander in het gevecht terwijl zich op de hellingen aan de noordzijde van het dorp zich vijand vertoond.
Reden voor de commandant om nu via de luchtwaarnemer luchtsteun aan te vragen.

Intussen voert de door de drie gewonden gehandicapte groep in het dorp een zware strijd.
De CC wil nu een groep uitzenden om hen er uit te halen iets wat hem ontraden wordt door de pelotonssergeant, een sgt 1 , van het rechter peloton. Deze heeft vanuit zijn opstelling alle bewegingen naar en in het dorp goed kunnen waarnemen en wijst op het riskante van het uitzenden van een groep; hij biedt aan alleen te gaan. Dit wordt goed gevonden waarop hij met zo weinig mogelijk uitrusting vertrekt in de richting van houtstapels aan de oostzijde van het dorp. Gesteund door vuur van de eerder vastgelopen groep weet hij die heelhuids te bereiken waarbij hij op de besneeuwde rijstvelden bijna struikelt over de gesneuvelde soldaat in het camouflagepak. Achter de houtstapel treft hij ook een paar man aan van de eerder afgedaalde vrijwilligers.

Enkele andere sluiten zich hierbij aan waaronder de sergeant-majoor verpleger die de gewonde onderzoekt en daarbij vaststelt dat hulp hier niet meer zal baten. Tezamen gaat men dan het dorp in waar men de gewonden helpt en twee van hen naar de houtstapel brengt vanwaar zij verder kans zien op eigen gelegenheid de stelling te bereiken. Een korporaal voert een derde gewonde vanaf de houtstapel in n ren af naar de opstelling en keert vervolgens weer terug zonder ook maar enig letsel op te lopen.
Terwijl dit zich afspeelt geeft de luchtwaarnemer om ca 14.00 uur de opdracht van de divisie door het gevecht af te breken en terug te trekken. De CC antwoord dat hij eerst de gewonden dient te bergen aangezien de eerste drie binnengekomen gewonden weten te melden dat er nog meer gewonden zijn. Het vuur van de vijand neemt toe maar de luchtsteun blijft uit. Enige malen wordt de aanvraag herhaald maar onveranderd is het antwoord: "gevecht afbreken en terug". Op het laatst mengt de luchtwaarnemer zich in "debat" door in vrij gepeperde termen te vragen waar of die "airstrike" blijft want die Nederlanders zullen zich zonder hun gewonden en doden te bergen toch niet terugtrekken. Het wordt de CC door deze afgeluisterde gesprekken wel duidelijk dat er op luchtsteun niet valt te rekenen. Derhalve zendt hij, het is inmiddels 15.00 uur geworden een ordonnans, opnieuw een vrijwilliger, naar het dorp met het bevel nu, hoe dan ook, gedekt door vanuit de stelling af te geven vuur, terug te vallen.

Alsof de vijand dit heeft voorzien begint hij nu ook de troepen op de heuvel te bestoken onder meer met mortiervuur. De CC vraagt daarom via de luchtwaarnemer om een compagnie versterking, het zenden van gewondenjeeps naar Podongni en opvoer van warm eten. De reeds eerder genoemde pelotonssergeant, die weet dat luchtsteun is aangevraagd, heeft inmiddels de niet-gewonden achter de houtstapels verzameld om, zodra die steun komt, met hen en de gewonde soldaat het gevaarlijke open terrein te doorschrijden om zich bij de compagnie aan te sluiten. Op het horen van het geroep "terugtrekken" van de uitgezonden ordonnans, de man zelf ziet hij niet, besluit hij met de sgt-maj. verpleger, een sgt en twee kpl's, de gewonde te bergen. Het verplaatsen van de gewonde zonder draagbaar, zeil of wat dan ook over de rijstvelddijkjes, gaat zeer moeilijk. Bij n van die dijkjes moet de verpleger zich even oprichten, waarop een kopschot hem dood. Dit wordt gezien door de mannen die nog achter de houtstapels liggen omdat zij niet de moed hebben gehad dwars door het vuur over het open terrein terug te gaan.
Drie van hen wagen het er nu toch op. Een van hen, een ROK soldaat, sneuvelt, de beide anderen bereiken, zij het gewond, de eigen stelling.

Het is nu 16.00 uur en er rest niet veel tijd meer tot het invallen van de duisternis.
Daarom wil de CC nog n uitvallaten doen door de helft van het inmiddels uit het noordwesten weer aangetrokken peloton. Zij strand op 's vijands nauwkeurig gericht vuur op het open terrein. Het aanzwellen van het vuur en hetgeen van zijn bewegingen valt waar te nemen -wijzen er op dat een aanval aanstaande is. De CC zendt nu zijn plaatsvervanger met ca 12 man en de reeds verzamelde 7 Nederlandse en 1 Koreaanse gewonden, waarvan er twee gedragen moeten worden naar Podongni, de aangevraagde jeeps tegemoet. Ongeveer op die tijd breken er in Chohyonni branden uit waardoor de nog in dit dorp aanwezigen onder dekking van de rook de eigen opstellingen weten te bereiken. Alleen de groep die, onder leiding van de pelotonssergant, de nog achtergebleven gewonde soldaat tracht te bergen, ontbreekt nog. Bevreesd dat de vijand van de invallende duisternis gebruik zal maken de compagnie af te snijden geeft rond 17.00 uur de pelotons per radio opdracht achtereenvolgens langs de opmarsroute terug te
vallen.

De groep die zich, onder leiding van de eerder genoemde pelotonssergeant, nog aan de rand van het dorp bevind, ziet de vijand naar het open terrein afzakken en de eigen pelotons de opstelling verlaten en constateert tevens dat de gewonde overleden is. Er zit niets anders op dan de overledene achter te laten en terug te vallen op de eigen opstelling; hierbij raken nog twee man, zij het licht, gewond. De groep kan zich nog net aansluiten bij het linker peloton dat als laatste de stelling verlaten heeft, zich in looppas terugtrekt uit vrees voor achtervolgend vijandelijk vuur en zich vervolgens aansluit bij de beide andere zich terugtrekkende pelotons. De vijand doet echter niets.

Eenmaal opgesloten keert de compagnie met de drie pelotons achter elkaar langs de eerder afgelegde weg terug waarbij zij halfweg de eerder teruggezonden groep met de gewonden inhaalt en gezamenlijk om 19.00 uur Podongni bereikt. De gewonden worden eerst afgevoerd en daarna, al pendelend, de overigen, op de allerlaatste na die de hele afstand in de vrieskou moeten afleggen. Na zich in een ROK post oost van Hoengsong wat te hebben verwarmd bereiken zij om 23.00 het bivak, de stelling bij Masanni, waar door de Amerikanen verstrekt warm eten hen wacht!

Bij deze actie sneuvelden sm.zvpl A.A. van Balkom, sld P.K. Smit en een ROK soldaat.
Gewond werden sgt. K. Stoevelaar, sgt G. v.d Biggelaar, sgt C.J. de Jong, sgt. D.A. Jansen, sld. W.C. Spamer, die allen na herstel weer bij het bataljon terugkeerden.
De naar Nederland afgevoerde gewonden waren sld. J.H. van Oort, sld L.J van 't Zand en sld. A.G. de Groot.
De 3 gesneuvelden zijn door de bevolking begraven.
Op 2 april 1951 zijn de stoffelijke resten van de twee Nederlanders door een Amerikaans-Nederlandse patrouille opgegraven en vervolgens overgebracht naar het ereveld bij Pusan.
De eerste twee NDVN'rs waren gevallen; velen zouden er nog volgen.