ONZE MANNEN IN KOREA

Bron: VOKS-VOX 1-2004 

Een van de zaken die ons in Korea "dwarszat" was wel het tekort aan belangstelling van leden van de Nederlandse politieke- en militaire top. Er werd niet verwacht dat zij bij ons "de deur plat zouden lopen" maar enige persoonlijke belangstelling was toch welkom geweest. Het deed destijds dan ook wat vreemd aan te vernemen dat de Chef van de Generale Staf wel tijd had voor een bezoek aan Washington om zich daar te laten inlichten over het verloop van de Korea oorlog.

In Korea liep hij zich niet zien, maar daar werd dan ook geschoten. Het duurde tot het oktober 1952 voordat er iemand "uit den Haag" in de persoon van de Staatssecretaris van Oorlog, Z.E. mr F.L. KRANENBURG , in de periode 22/25 oktober het NDVN, dat in de frontlijn lag bij Arsenaal, bezocht om vervolgens een bezoek te brengen aan HM's Piet Hein.

Teruggekomen in Nederland bracht hij in de Tweede Kamer verslag uit dat werd opgenomen in de Handelingen van de Tweede Kamer. Vermoedelijk heeft niemand van ons ooit gehoord hoe de Nederlandse Regering destijds over ons dacht maar wellicht is het toch wel interes≠sant "op onze ouwe dag", ruim vijftig jaar na dato, daarvan kennis te nemen. Hier volgt zijn verslag:

 Het Nederlandse bataljon

Ik heb het een voorrecht geacht, dat de regering mij uit haar midden heeft willen zenden naar deze eenheden in de warme oorlog die in het Verre oosten woedt. Het is een grote oorlog, een verbeten felle afweeroorlog. Naar mijn gevoel wordt deze oorlog niet alleen uitgevochten voor een duidelijk ideaal, maar is hij ook van directe betekenis voor de vrijheid van het Westen. De Nederlandse eenheden zijn beperkt in aantal, maar op zeer verantwoordelijke plaatsen in deze oorlog opgesteld. Zij staan ook oog in oog met een gevaarlijke en agressieve vijand, die zij weerstaan.

Ten opzichte van alles wat wij hier hebben besproken en, ten opzichte van onze bijdrage in de westelijke verdediging in NAVO-verband, zou ik misschien kunnen spreken van een symbolische bijdrage van ons land aan de strijdkrachten van de Verenigde Naties. Dat heb ik echter wel afgeleerd. Een keer heb ik mij dat woord laten ontvallen, toevallig tegen een AustraliŽr, die er dus betrekkelijk buiten stond.

Hij heeft mij dit woord toen verweten en zei mij: "Als het Nederlands bataljon niet op die en die plaats en op die en die tijd een bepaald wapenfeit had gepleegd, had dit gesprek niet kunnen plaats vinden!" Het was dus tijd dat een lid van de regering aan deze eenheden de eer bracht, waarop zij recht hebben, en mogelijk de aandacht van de bond≠genoten en de commandanten (red.: en het Nederlandse volk) ging verlevendigen. Dit was gelukkig niet nodig want het bleek dat dit bataljon en dit schip zelf in staat zijn de aandacht op zich te vestigen. Voorts zou in het bijzonder door een gedachtenwisseling rechtstreeks nog eens kunnen worden bezien, waarin wij maatregelen kunnen treffen die ten goede komen aan hun strijd en die uiting kunnen geven aan de absolute prioriteit, die wij hier in Nederland aan deze militairen van de warme oorlog behoren toe te kennen.

De aandacht behoefde niet op het bataljon gevestigd te worden. Het heeft een faam in het Verre Oosten wegens zijn hoog moreel, zijn sterke discipline en zijn gebleken prestaties, wegens wapenfeiten, die algemene bekendheid genieten.

Bovendien zijn de Nederlanders daar populair. Zij bewegen zich gemakkelijk, gaan gemakkelijk met anderen om en zij hebben vůůr -een belangrijk punt in deze integratie- dat zij zich met verschillende talen heel goed weten te redden.

Ik trof hen aan op hun plaats in het vak van de 2e Divisie en het 38st Regiment waarbij zij nu al 2 jaar zijn ingedeeld. Het is gelukkig dat zij 2 jaar lang verbonden zijn geweest aan dezelfde eenheden, want ik kan niet anders zeggen dat de verhouding tussen bataljon, regiment en divisie van boven naar beneden en van onze commandant tot zijn bevelhebbers, er een is van wederzijds respect en vertrouwen en men voelt - en men zal het ook merken als men hen ziet thuiskomen met het teken van de 2e Divisie op de mouwen het speldje van het 38st regiment op de borst- een "esprit dŤ corps" met deze Amerikaanse eenheden.

Zij waren geplaatst in een moeilijke sector, getekend, zoals bekend is, door steile heuvels. Zij hadden dus een lijn op zo'n heuvelkam, uitziende op de vlakte, maar waren bovendien verantwoordelijk voor enige plaatsen in het voorterrein, verheffingen uit de sawa's, die nog in onze handen waren gebleven bij een vroegere aanval.

Het Nederlands bataljon had de verantwoordelijkheid voor de handha≠ving daarvan. Zij waren opgesteld - en dat was goed om te zien, vooral in het licht van de legerplannen, die wij op het ogenblik bespreken- in het volle vertrouwen op de kracht van hetgeen achter hen zat en wat ook in die lijn reeds zijn uiting vond. Zij hadden de ervaring dat zij luchtsteun en artilleriesteun konden vragen en ik zag in de lijn tanks, die ter beschikking waren gesteld van de infanterie eenheden. Er was luchtafweergeschut, dat gebruikt werd tegen landdoelen en dat van hogerhand ter beschikking was gesteld. En voor de verbindingen met de moeilijk bereikbare voorposten, die min of meer geÔsoleerd waren omdat de gehele weg onder vuur lag, hadden zij gepantserde personeelsvoertuigen gekregen, ook door Amerikanen bemand.

Op de plaats waar zij gesteld waren blonken zij uit door de wijze waar≠op zij de werkzaamheden verrichtten die op dit statische, maar zeer actieve, front van hen werden gevraagd: werkzaamheden bestaande in het aanbrengen van versterkingen, het maken van prikkeldraad ver≠sperringen en het graven van overdekte loopgraven. Zij gaven blijk van waakzaamheid en vuurdiscipline en vooral vielen zij op door een bij≠zondere Nederlandse eigenschap, een stuk tactiek dat wij eigenlijk in Korea hebben gebracht, het patrouillelopen. Deze goede prestatie is bekend bij hun hogere commandanten en is voor hen zelf een voor≠werp van trots. Zij hebben zelfvertrouwen. Zij staan tegenover een belangrijke en agressieve vijand maar zij hebben het gevoel: wij kunnen hem aan. Zoals zij daar staan, versterkt met hetgeen wat zij van hun bondgenoten toegevoegd krijgen, wetend wat zij zelf waard zijn, hebben zij het sterke besef dat zij de vijand, juist in deze sector, respect hebben afgedwongen en dat hen dit in de afgelopen maand misschien bewaard heeft voor een aanval, juist in deze sector.

Hun geest trof ik aan als gedisciplineerd. Ik wijs er op dat ik in de loopgraven die zij in deze lijn gegraven hadden met verschillende onderkomen, waar zij min of meer een holenleven leiden, geen etensresten en geen blikjes heb aangetroffen. Alles was schoon en af. Zij hebben daar een hard leven waarbij zij zijn aangewezen op het vertrouwen op elkaar, op hun commandovoering en hetgeen achter hen staat en hun aandacht wordt gevraagd door de vijand die inderdaad die aandacht opeist. In dit alles vinden zij iets goeds en iets moois. Juist dat vertrouwen op elkaar, deze trots en deze saamhorigheid binnen hun eigen eenheid geven hen iets sterks, iets in de geest, dat men alleen oog in oog met de vijand zal kunnen aantreffen.

Het klimaat werd op het ogenblik dat ik er was, ook gekenmerkt door tegenstellingen van het land, overdag warm en 's nachts beneden het vriespunt. Wij staan nu op het ogenblik dat zij de koude tegemoet gaan. Dan zal het landschap bar worden, meer bar dan ik het heb gezien in zijn herfstkleuren en dan zullen zij dus bepaalde ontberingen te lijden krijgen. Ik stel hier tegenover dat hun verzorging goed is, dat in deze onderkomen kachels staan, dat zij voortreffelijke slaapzakken hebben, dat hun voeding geen aanleiding tot klachten geeft en dat de verzorging met de kleine geneugten van de frontsoldaat met zijn sigaretten en zijn snoep ook geen aanleiding tot klachten geeft.

Ik heb ook de hospitalen waar onze gewonden worden verpleegd bezichtigd en moet zeggen dat zij een voortreffelijke indruk maken. Onze eigen verpleegsters nemen deel aan de verpleging; zij hebben hun eigen taak maar zien het ook als taak na diensttijd het dagelijks gesprek met alle Nederlandse patiŽnten, die dan dus de gelegenheid hebben hun eigen taal te spreken. Dag om dag bezoeken de veldprediker en de aalmoezenier die in Toko zijn gevestigd, alle patiŽnten in de hospitalen. Treffend was ook de goede omgang tussen onze Nederlandse soldaten in het bataljon en hun Koreaanse medestrijders, die tot in de kleinste eenheden volwaardig meedoen, die patrouille lopen, de zelfde posten bezetten, de zelfde waarnemingsposten bezetten en dezelfde wapens bedienen. Ook hier blijkt dat men elkaar vanman tot man vertrouwt en waardeert. In deze omgang met alle taalmoeilijkheden moest de humor weleens de mogelijkheid van het rechtstreeks, persoonlijk contact brengen.

H.M.'s Piet Hein

De "Piet Hein" heb ik in Pusan aangetroffen. Tot haar eigen vreugde was de bemanning speciaal voor deze gelegenheid voor het eerst in een Koreaanse haven waardoor zij in staat was voet op Koreaanse grond te zetten. Zij hebben een belangrijk aandeel in de Koreaanse campagne maar het Koreaanse land betreden zij nooit. Ik kwam er in een week waarin zij deel hadden in het werk van carriertask force.

Zij stonden op het punt naar het Oosten te gaan waar zij verwachten meer artilleristische opdrachten te krijgen om de landstrijdkrachten te steunen door het verbreken van de verbindingen die langs de oostkust van Noord-Korea lopen.

Als een bezoek is aangekondigd ziet een Nederlands schip er natuurlijk piekfijn uit en is de bemanning op z'n 's zondags gekleed. Zij zagen er gezond uit maar hadden grote baarden. Wij moeten echter niet onderschatten dat het leven aan boord van een schip onder oorlogsomstandigheden zijn eigen hardheid kent. Zo was het schip volledig op oorlogssterkte bemand waardoor het vol was en men inderdaad mannetje aan mannetje leefde. Voorts moet ik er op wijzen dat ook het klimaat dit schip parten speelt en het werk aan dek het grootste deel van het jaar zwaar is, alleen al tengevolge van de hitte of de koude.

Het menselijk element

Mijnheer de Voorzitter: dit zijn zo enkele mededelingen over wat ik heb gezien. Dit bataljon en dit schip heb ik dus opgenomen gezien in ťťn grote organisatie, trots op de eigen prestatie, met vertrouwen op de samenwerking, eigen wapenfeiten gevend, loyaal het geheel dienend, zelfbewust maar aanvaardend de leiding van het geheel zoals die door de Verenigde Naties is gesteld, omgekeerd bij die leiding duidelijke vertrouwen en respect afdwingen.

Ik zou haast zeggen dat wat ik daar gezien heb symbolisch is voor het werk, waaraan wij hier in het Westen bezig zijn, dat het daar is zoals wij ons voorstellen dat hier de samenwerking moet zijn. Toen ik dit had gezien ben ik tot de conclusie gekomen dat voor het welslagen van het werk dat wij dezer dagen in de Kamer bespreken, het menselijk element het belangrijkste is en dat wij onder de Westelijke volkeren inderdaad in staat zijn deze samenwerking te baseren op wederzijds ver≠trouwen en op wederzijdse eerbied van man tot man en van land tot land.

Het is ook voor ons een bijzondere emotie wanneer wij zien hoe wij Nederlandse troepen en militairen moeten toevertrouwen aan een vreemde commandant. Wat ik met zoveel dankbaarheid heb mogen vaststellen is, dat die zelfde emotie wordt gedeeld door de comman≠dant, die deze Nederlanders krijgt toebedeeld. Ik had dezer dagen een treffende ervaring toen ik zo'n commandant die zojuist de verantwoor≠delijkheid voor een grote Nederlandse eenheid had aanvaard, een bondgenoot dus, sprak.

Toen ik hem vroeg naar zijn oordeel over onze Nederlandse soldaten kwam het verrassende antwoord: "Your soldiers, they have the light of God in their eyes".

Dit geeft in ťťn zin zijn aandoening, zijn verantwoordelijkheidsbesef ten opzichte van hetgeen hij van ons krijgt toevertrouwd, weer. Mijnheer de Voorzitter! Als deze menselijke verhoudingen in de Westelijke samenleving overheersen geloof ik, dat wat ik in Korea heb gezien niet een symbool, maar een exact beeld moet zijn van de werkelijkheid zoals wij die ook hier nastreven.

Ik moge daaruit concluderen dat wij op de goede weg zijn en dat wij kunnen doorgaan."