IN DE VAL

L.M.A. van Ooyen - Bron: VOKS

Je maakte een hoop mee in voorste lijn. Veel van wat wij daar konden verwachten hadden wij meegemaakt. De beschietingen van de Chinezen en de aanvallen over en weer, het patrouille lopen in het voorterrein, de nachtelijke hinderlagen en de aflossingen, dit waren activiteiten die normaal waren aan het front en steeds terugkomen, maar er gebeurde zo nu en dan ook vreemde dingen die niet bij het dagelijks beeld hoorden en waar wij met grote verbazing tegenaan keken. Zo maakten wij op een dag iets heel bijzonders mee. Volkomen onverwachts werden wij geconfronteerd met iets waar wij nooit aan gedacht hadden. Wat wij toen zagen hadden wij voor niet mogelijk gehouden, maar het gebeurde wel.

Hier is het verhaal.

Het was zomer in Korea en bloedheet. De zon stond hoog aan de blauwe hemel en scheen fel; de zonnegloed sidderde boven het land. Onze tirailleurcompagnie lag in voorste lijn en had zich ingegraven op een paar tjotten. Wij zaten daar al een paar dagen. Er waren een paar korte beschietingen geweest van de Chinezen en enige activiteiten van verkenningspatrouilles. De Chinezen, op de tjotten aan de overkant van de vallei, waren daar waarschijnlijk ook pas aangekomen. Men tastte elkaars stellingen af. 

Op een middag zaten onze mannen achter hun onderkomens sigaretten te roken en wat te praten met hun wapens en helmen naast zich. En van de pelotonscommandanten, luitenant Sletterink, zat ook buiten zijn bunker en had zijn veldtelefoon naast zich neergelegd. 
Opeens ging het belletje. 
Hij nam de hoorn op. 
Het was kapitein Koopmans die hem opbelde, de compagniescommandant.
Willem Koopmans was nogal driftig van aard en wond zich gauw op; hij werd "Woeste Willem" genoemd. Hij schreeuwde altijd hard vooral als hij een telefoongesprek voerde want hij had een hekel aan de vraag :
"Wat zegt u?"
Nu ook weer. Luitenant Sletterink hield de hoorn van de veldtelefoon 20 cm van zijn hoofd vandaan om niet doof te worden van dat geschreeuw en luisterde aandachtig.
Het gesprek duurde niet lang. Woeste Willem had luid en duidelijk gezegd wat hij wilde zeggen; het was een opdracht.
"Alarm !" riep Sletterink. 

De mannen veerden op, namen de kreet over en begaven zich naar hun alarmopstellingen terwijl de helmen vastgemaakt werden op de hoofden. Binnen een paar minuten was iedereen op zijn post, in een loopgraaf, in een schutttersput, bij een mortier van 60 mm of bij een TLV 57 mm en zocht het voorterrein af.

Het terrein tussen de Chinezen en de VN troepen was een vallei, ingesloten door grauwe heuvelrijen, Het was onoverzichtelijk; het dal was gedeeltelijk begroeid met bosjes naald- en loofbomen; er was veel struikgewas en er waren insnijdingen in het terrein. De enkele huisjes en schuren van een gehucht halverwege de Chinese lijn waren aan flarden geschoten. Het dal was ideaal terrein voor verkenningspatrouilles. Er waren voldoende mogelijkheden om zich te verplaatsen zonder gezien te worden, maar je moest toch goed uitkijken hoe je liep vanwege de open plekken die er ook waren. Bij de geblakerde rune van dat
gehucht waren een paar Chinezen gesignaleerd. En van onze uitkijkposten had ze met zijn verrekijker gezien. Het waren er maar een paar, drie of vier man. En voor die drie a vier man waren nu 150 man in hun alarmopstellingen. Je kon nooit weten natuurlijk: misschien waren het er veel meer dan drie a vier, die de uitkijkpost niet gezien had. 

Men zocht het terrein af. Alleen net buiten het gehucht, bij de restanten van een schuur, zagen de mannen twee Chinezen zich buigen over een derde man, die het moeilijk scheen te hebben en zelfs niet verder kon om dekking te zoeken. Andere activiteiten waren er niet. Eigenaardig toch want die drie Chinezen begrepen ook dat zij daar open en bloot stonden. De man kon niet gewond zijn want de compagnie had nog geen schot gelost en er lagen daar geen mijnen.

De mortierschutters stonden gereed een paar granaten af te schieten maar Willem Koopmans wilde eerst duidelijkheid hebben. Wat waren ze van plan ? Die drie Chinezen deden niets en bleven ongedekt op die open plek zitten. Dit intrigeerde Willem Koopmans. Waren zij soms lokvogels die daar moesten blijven zitten om het vuren aan te trekken en zodoende achter de opstellingsplaatsen van onze mortieren te komen ? Wel vergezocht maar je wist het nooit met die Chinezen. "Zij vragen erom" vond Woeste Willem na een paar ogenblikken wachten hij gaf opdracht een paar mortiergranaten op hen af te schieten. En
granaat sloeg dicht bij de schuur in. De mannen in de stellingen zagen twee Chinezen weghollen naar hun eigen lijn toe, maar de derde man bleef ter plaatse staan I in het open stuk. Hij zocht zelfs geen dekking, bukte zich wel een paar keer en ging uiteindelijk er bij zitten. Het was of hij wanhopig met iets bezig was en het wilde maar niet lukken. Maar met wat was hij dan bezig? 

Woeste Willem wilde onmiddellijk gaan kijken en de man die niet weg wilde gaan gevangen nemen. Hij nam eerst per veldtelefoon contact op met de bataljons S 3 (Operatie-officier). Hij vertelde wat er aan de hand was en vroeg toestemming een patrouille te sturen in het voorterrein om ter plaatse te gaan kijken.
Na enige ogenblikken kwam het antwoord dat het akkoord was. Een patrouille van zes man, onder leiding van sergeant Polman, ging erop af. Zij maakten goed gebruik van de dekkingen want zij waren niet te zien vanaf de stellingen op de tjot. Het ging snel; na twintig minuten waren zij bij de puinhopen van het gehucht. Zij bleven even in dekking liggen en zagen meteen die ene man, die steeds maar op de zelfde plek was blijven zitten. Verder was er nie- mand. De man was ongewapend.

Voorzichtig, elkaar dekkend gingen de mannen er naar toe. Sergeant Polman liep de laatste meters alleen, met zijn geweer in de schouder, klaar om een schot af te geven. En toen zag Polman wat er aan de hand was. Met verbaasde blikken keek
hij naar de man. Niet te geloven! Het was inderdaad een Chinees, niet gewond, maar de man kon zich niet meer verplaatsen, Zijn rechtervoet zat vast in een vossenklem! Een vossenklem die goed verankerd was. Dit verklaarde ineens alles. De Chinees had zijn pistool laten vallen dat een paar meter van hem vandaan lag; hij kon er niet bij. 
De man had geen rangonderscheidingstekens op en zag er ouder uit dan een gewone soldaat. Het was waarschijnlijk een hoge officier; alleen zij waren bewapend met pistolen en hadden verweerde koppen, dacht sergeant Polman. Hij moest even lachen toen hij het tafereel zag. Een Chinees die niet weg kon omdat hij vastzat in een vossenklem!. Wat zal de man wanhopig geweest zijn! Polman gaf een seintje aan de anderen en die kwamen ook kijken en moesten hard lachen. 

De Chinees keek hen aan met grote schrikogen, zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd, zijn pak was drijfnat van het zweet. Hij werd gefouilleerd op wapens maar hij had er geen bij zich. Alleen een paar gevulde patroonhouders van zijn pistool zaten aan zijn koppel vast die werden hem afgenomen.
De man zat hopeloos vast; de scherpe tanden van de vossenklem staken lelijk in zijn enkel; het deed hem pijn. Door zijn pogingen om zich los te rukken hadden de tanden wonden gemaakt. De klem was geplaatst door de oorspronkelijke bewoners dicht bij de ingestorte schuur, een kippenhok zo te zien, maar in die klem was geen vos gelopen, daar zijn ze te slim voor, maar wel een Chinees!

Onvoorspelbaar dat zoiets kon gebeuren. Sergeant Polman gaf zijn bevindingen door per radio. Woeste Willem, die aan het toestel was op de tjot, schreeuwde het uit van opwinding. Polman moest de hoorn van het toestel een halve meter van zijn oor vandaan houden :"maak hem los en breng die spleetoog hier naar toe", schreeuwde hij. 
Een vechtmes bewees toen voor alles gebruikt te kunnen worden. Na een paar draaiende prikken in het slot en na enig wrikken en rukken sprong de klem los. De man was zichtbaar opgelucht toen hij bevrijd was van de klem en stond moeizaam op maar hij werd direct weer gepakt. Zijn handen werden achter op zijn rug vastgebonden met een stuk touw.
Dat deed sergeant Polman hoogst persoonlijk. Hij had destijds bij het KNIL gediend in Indi en maakte een perfecte "Atjehknoop", zodat losmaken en wegrennen onmogelijk was. Daarbij zong hij zachtjes binnensmonds :"Manissee, o Manissee, het is terlaloe manissee... !, het oud Marechausseelied uit die dagen.

Zij gingen terug naar hun tjot met de Chinees in hun midden die strompelend meesjokte. Woeste Willem stond hem op te wachten. Toen hij de Chinees zag riep hij met brullende stem:"Jij hebt wel pech gehad man, kon je niet beter uit je doppen kijken, zak? 
De Chinees schrok van zijn geblaf en verwachtte een dreun voor zijn hersens te krijgen, maar zo was Willem niet. Hij gaf opdracht aan een hospik om de man te helpen. De wond aan de enkel werd schoongemaakt en provisorisch behandeld.
De bataljons 82 (Inlichtingen officier) was inmiddels aangekomen met een tolk/vertaler. Zij bekeken het militaire zakboekje van de man en spraken met hem. Het was een interessant vangst. De Chinees was inderdaad officier, ingedeeld bij een verkenningseenheid. 

Hij was doodop, uitgeput en volkomen gedemoraliseerd, Na die eerste ondervraging viel hij direct in slaap. Woeste Willem wist wel iets om hem wakker te houden maar hij mocht er niet bij komen. Tien minuten later werd de Chinees afgevoerd naar achteren. Einde oorlog voor hem.
Ongelooflijk dat zoiets kon gebeuren. Iemand gevangennemen die in een vossenklem vastzat en niet weg kon! Nee, zoiets hadden wij nog niet meegemaakt.