Zij gaan erop af
L.M.A. van Oijen Uit: "Alle stations bedankt! . . . Uit!" Bron: VOKS   

Twaalf man lopen in colonne de besneeuwde tjot af; een luitenant, acht tirailleurs, een sergeant een radioman en een hospik. Het is nacht, het is koud, het is stil. Zij houden zich schrap om niet uit te glijden, want het is ook glad. Zij hebben hun "warme" onderkomens verlaten op de ridge, waar de compagnie zich ter verdediging heeft ingericht. De mannen gaan naar het niemandsland; dit is de vallei, die tussen de Chinese lijn loopt en de VN opstellingen. Daar, op een bobbeltje een paar honderd meter verderop hebben de Chinezen een waarnemingspost zitten van een paar man. Met hun verrekijkers zoeken zij onze stellingen af. Onze uitkijkposten hebben ze verschillende keren gespot.

Die post is hinderlijk en moet geruimd worden. De bataljonscommandant wil niet dat punt met mortieren beschieten. Die paar Chinezen die daar zitten zijn natuurlijk goed ingegraven en de kans dat een granaat precies op zo'n klein plekje valt is zeer klein. Ook de TLV-vuurmonden, die vaak genoeg dergelijke puntdoelen onder vuur hebben genomen, komen nu niet in aanmerking. Hun opstellingsplaatsen zouden direct onderkend worden. Het gevangennemen van een paar van die spleetogen voor ondervraging was ook van groot belang. Dus een gevechtspatrouille ging het doen; het zou een stille nacht overval worden. Die twaalf man, die de gevechtspatrouille vormen, gaan er nu op af. 

De patrouille komt in de vallei. De luitenant, die voorop loopt, houdt halt en de anderen gaan direct achter de struiken staan. Hij laat zijn kompas inspelen op 340 graden. Daar, in die richting, op 620 meter afstand zitten "ze". Die afstand heeft hij nauwkeurig afgemeten van de stafkaart, want het eenzaam bobbeltje staat er netjes op aangegeven. In de vallei heerst de beklemmende stilte van een Koreaanse nacht; een loodzware, roerloze stilte die een dreiging uitstraalt, het heeft iets griezeligs. De maan en de sterren schijnen volop en er is geen zuchtje wind; het is gemeen koud. 

Een teken van de luitenant en de patrouille gaat verder in de vastgestelde richting. Het terrein is bedekt onder een dun laagje sneeuw dat tot ijs is bevroren. Het is omgeploegd door de beschietingen van de laatste dagen. De mannen lopen om de vele granaattrechters heen, die hard bevroren zijn; hun schaduwen bewegen over de grond en het kraakt bij iedere stap. Als zij tegen bevroren klonten aarde lopen vloeken zij binnensmonds en gaan zwijgend verder. In hun witte camouflageoveralls lopen zij achter elkaar met gebogen ruggen om zo min mogelijk af te steken tegen de heldere hemel;zij houden een paar meter tussenruimte. Hun wapens houden zij met beide handen vast schuin voor de borst. 

In het dal is het vlak, met genoeg dekkingsmogelijkheden, maar er zijn geen herkenningspunten dichtbij, geen markante dingen in het terrein waar je je op kunt oriënteren. Het is één grote vlakte, doorsneden door greppels en met veel struikgewas. Geen landweggetjes met driesprongen of splitsingen van paden, die een check kunnen zijn voor een patrouille, geen waterloop met bruggetjes, geen gehuchten of restanten ervan. Het struikgewas is hoog, het zicht is beperkt. Je moet wel je kompas gebruiken om ergens naar toe te gaan. 

Soldaat Koreman loopt achter de luitenant met een radio zend/ontvanger op zijn rug en de man erachter, soldaat Spierdijk, houdt zes stukjes hout in zijn ene hand vast, zes stukjes afgebroken van een takje. Zijn neventaak is de afstand in de gaten te houden. Na elke 100 meter gooit hij een stukje tak weg; hij weet dan hoe ver de patrouille van het doel verwijderd is en geeft dit door aan de patrouillecommandant. Als je je te voet verplaatst door het terrein bepaalt het terrein, het weer, de vijand en bij duisternis het zicht, of je rechttoe rechtaan kunt gaan naar je doel en met welke snelheid. Soms moet een patrouille even in dekking blijven liggen als er bijvoorbeeld lichtgranaten worden afgeschoten of als er een paar brisantgranaten vallen. 

Er waren geen herkenningspunten en omdat alles op elkaar leek en je snelheid steeds veranderde, afhankelijk van de omstandigheden, wist je opeens niet precies hoe ver je gevorderd was. Daar was een truc op natuurlijk om het bij benadering wel te weten. De mannen werden geoefend om op vlak, licht begroeid terrein, 100 meter te lopen en daarbij het aantal passen te tellen die zij ervoor nodig hadden.
Gewone passen uiteraard. De ene had 160 passen nodig, de ander 165. Het varieerde tussen de 160 en 180 passen. Het werd alleen toegepast voor de korte afstand, hooguit voor een paar honderd meter.

Soldaat Spierdijk was de beste op dat gebied, had steeds dezelfde uitkomst, 170 passen. Hij mocht het nu weer doen. Als de patrouille om een hindernis heen moest, een inzinking in het terrein bijvoorbeeld, dan moest hij de omloopafstand zo goed mogelijk incalculeren. Op bobbelachtig terrein ging het natuurlijk niet op en ook niet als het drassig was. Nu was de grond bevroren, de vallei vlak; het was te doen.

Het was nacht, maar de mannen konden tussen de struiken doorkijken. Zo stil mogelijk gingen zij door het terrein; hun blikken zochten de omgeving af. " De Chinees" kon ook een patrouille hebben in het vóórterrein en dan gaat het erom, wie als eerste de ander onderkent!

De luitenant liep voorop op kompas en hield de koers, 340 graden, scherp in de gaten. Het ging vrij vlot rechttoe rechtaan, er waren geen te grote hindernissen en het was makkelijk lopen; het maanlicht verlichtte het terrein. Ongeveer 50 meter vóór het doel had Spierdijk hem gewaarschuwd, dat zij er bijna waren. "Nog 50 meter, luit", fluisterde hij. "Ok‚ Spierdijk, goed gedaan!" De patrouille hield halt. Iedereen keek langs de struiken; er waren er minder dan tijdens de nadering.
"Daar... het bobbeltje! " De luitenant wees ernaar met een gestrekte arm. ledereen keek in die richting. Het zien van het doel gaf de patrouillecommandant een kick. Tot nu toe was alles goed gegaan; de stafkaart klopte voor wat betreft de afstand, wat niet altijd het geval was, liet lopen op kompas was feilloos gegaan en Spierdijk had goed afgepast. 

Nu nog het uitvoeren van de opdracht, het vernietigen van die Chinese waarnemingspost. Het bobbeltje was toch nog een flinke knobbel en stak goed uit boven het maaiveld. Van daaruit konden de spleetogen, over de struiken heenkijken, naar de VN lijn. Een paar honderd meter meer naar achteren verhief zich indrukwekkend het gebergte waarop de Chinezen zaten. Daar hadden zij waarschijnlijk ook visueel contact met hun waarnemingspost in de vallei. Met de bataljons S3 (Operatieofficier) was afgesproken, dat er een seintje gegeven zou worden met de radio, zodra de patrouille op 50 meter afstand was van het doel. Dat was nu het geval. 

De luitenant kneep in de spreeksleutel van het toestel drie keer kort achter elkaar. Het stroomcircuit werd daardoor driemaal onderbroken en die onregelmatigheid werd opgevangen in de OP (Observation Post) van het bataljon. Dat was het seintje. De S3 kneep driemaal terug in zijn eigen spreeksleutel ten teken, dat hij het bericht ontvangen had. Op de OP wist men nu, dat de patrouille nog even zou blijven waarnemen en luisteren en dat zij over tien minuten naar voren zouden gaan, naar het doel. Op de ridge lagen de bedienings-manschappen van ondersteunende wapens gereed om, indien nodig, ondersteunend en dekkingsvuur af te geven. 

De mannen van de gevechtspatrouille stonden in die tussentijd achter de paar struiken die er nog waren of lagen in een greppel en zochten met hun ogen de knobbel af. De luitenant en de sergeant deden dit met hun verrekijkers, die ook 's nachts goed te gebruiken zijn. Zij zagen een half ronde, kale knobbel voor zich, bedekt met sneeuw. Geen wachtpost te onderkennen, niets bijzonders te zien.

Geen veldversterkingen, geen schuttersputten en er was geen enkele aanwijzing, dat er ergens een onderkomen was of een waarnemingspost. Uiteraard geen rook of licht. De mannen luisterden gespannen, maar het was stil, akelig stil. Toch waren er activiteiten gemeld. Een dag eerder, net voor dagaanbreken, in de grauwe ochtendschemering, had één van onze uitkijkposten heel even een bewegende gedaante gezien op die knobbel en de US radio-interceptiedienst had verschillende korte radioberichten opgevangen, die uit die richting kwamen. Dus... erop af! Een donkere nacht was beter geweest, maar daar kon men niet op wachten. De Chinezen moesten onmiddellijk aangegrepen worden; als je te lang wachtte bestond de kans, dat zij er niet meer waren. 

Na tien minuten kijken en luisteren gaf de luitenant het teken om verder te gaan, nog steeds in colonneformatie. Er waren geen dekkingsmogelijkheden meer, het terrein was volkomen kaal tot aan de knobbel toe. Zij waren 20 meter van de voet van de knobbel verwijderd en er was nog steeds geen reactie van de vijand. Wat voerden zij in hun schild? Zij hadden natuurlijk ergens een wachtpost liggen en die moest hen wel gezien hebben. De patrouille was weliswaar in het wit gekleed, aangepast aan het terrein, maar bewegende mensen moet je toch kunnen zien op zo'n korte afstand, vooral nu de maan en de sterren volop schenen. De luitenant gaf met zijn armen het teken, om uit de beweging op linie te gaan. De mannen drukten toen hun M1 Garrandgeweren in de schouder en de schutter van de BAR hield zijn wapen op heuphoogte, klaar om een paar strotjes vuur af te geven.

Op linie gingen zij naar de knobbel toe. Het waren momenten van grote spanning voor de mannen. Al waren het maar twee of drie Chinezen die op de knobbel zaten, die konden toch heel wat vuurstoten afgeven of handgranaten werpen. De mannen liepen snel door en het zweet brak uit over hun hele lichaam, want het eerste schot of de eerste vuurstoot moest nu wel komen, dachten zij. Zij keken scherp voor zich uit, maar zagen geen mens. Zij kwamen aan de voet van de knobbel en er was nog steeds geen schot gevallen noch handgranaten geworpen. De mannen gingen de buit op, waren er gauw bovenop, zochten visueel het terrein af. Geen spleetoog te zien, geen put, geen onderkomen, niets. Een gevoel van frustratie en van ergernis deed zich voelen. Alles was kaal en plat. 

Ook op de achterhelling was niets te zien. Het was een knobbel zoals er zo velen zijn in dat "pokkenland", dachten de mannen. Half rond, zonder enige begroeiing, volkomen kaal, grauwen zonder leven erop. Zelfs dieren en vogels zag men daar niet. Een knobbel met een naargeestige uitstraling. De luitenant had opdracht gegeven om plat te gaan liggen en zodoende niet af te steken tegen de verlichte hemel. De mannen waren over de bult gegaan en lagen open bloot op de grond. De radioman was dichtbij de patrouille-commandant gaan zitten. Hij had voorlopig niets te doen, want zolang er geen vuurcontact was met de vijand was er radiostilte. De luit en Spierdijk waren boven op de bult gebleven en keken nog wat rond. Er waren geen aanwijzingen, dat de Chinezen daar gezeten hadden, er waren zelfs geen voetsporen te zien in de sneeuw. Vreemd toch, want de inlichtingen waren toch erg positief. 

En toen riep Spierdijk opeens: "kijk luit, een antenne komt uit de grond... daar!" en hij wees ernaar. Op de achterhelling kwam inderdaad een heel dunne draadantenne uit de grond, een paar meter lang en lag praktisch onzichtbaar in de sneeuw.
"Daar moet het onderkomen zijn, daar was hun radiopost", riep de luitenant op gedempte toon. Dus toch! Er kwam een glimlach om zijn lippen. "Zij hebben ons zien aankomen, zijn er tussenuit gegaan en hebben hun voetsporen in de sneeuw weggeveegd met een sjaal of wat dan ook", zei hij. "En zijn vergeten de antenne in te trekken of zij hebben er geen tijd voor gehad", zei Spierdijk. 

De sergeant was er ook bijgekomen en met zijn drieën zochten zij de plek af rondom de antenne. De opening van het onderkomen werd gauw gevonden. Het was geen opening zoals wij die kennen aan de achterkant van onze bunkers, waar je lopend of gebukt ingaat nadat je een zeil opzij geschoven hebt. Hier was het een rond gat in de grond op de achterhelling, 25 cm in doorsnede waar men zich kruipend doorheen moest wringen om binnen een hol te komen. Niet zo makkelijk met een gewatteerd Maopak aan. Een gecamoufleerd deksel van gevlochten takken stond ervoor. De luitenant scheen vanaf de zijkant met zijn zaklantaarn naar binnen. Niemand te zien. Hij zag, dat het een laag onderkomen was,waar alleen twee liggende mensen konden verblijven. Er was een uitbouw, een dode hoek waarin hij niet kon schijnen. Van daaruit ging de draadantenne naar buiten. 

"Ik ga kijken", zei de sergeant. "Wacht even, eerst een handgranaat erin gooien", zei de luitenant. Hij maakte een handgranaat los van zijn koppel, haalde de veiligheidsspeld eruit en wierp de handgranaat in het hol. De mannen zochten dekking links en rechts van het gat. Na drie seconden flitste het licht en was er een knal. De luit scheen weer met zijn zaklantaarn; geen mens te zien, geen gekerm. Toen gaf hij een teken aan de sergeant om te gaan kijken. Die was lenig en binnen een paar seconden lag hij in het hol met een zaklantaarn in zijn ene hand; met zijn andere hand hield hij zijn karabijn stevig vast. Hij kroop naar de uitbouwen zag de radiohoek. Het radiotoestellag volkomen in diggelen door de handgranaat die de luitenant daar naar toe had geworpen. Hij zag, dat de draadantenne van daaruit omhoog ging naar buiten, dwars door de bovendekking heen. In het hol lag een zeil op de grond en in een hoek een grote platte steen waarop een paar verwarmingsblokjes. Er lag ook een zakje, gekookte rijst. Meer niet. Die spleetogen hadden zich als mollen verstopt. Het was een tweemansgat; een derde man zal waarschijnlijk ergens buiten hebben gelegen als wacht en als waarnemer, al of niet met een nachtkijker. Nu dat een handgranaat geworpen was in het vijandelijk doelvond de luitenant, dat hij de radiostilte kon verbreken.

Met de radio meldde hij aan de S3, dat het doel bereikt was, een vijandelijke OP, dat er geen vijand ter plaatse aanwezig was en dat hij nu die op ging opblazen. "Roger out", was het antwoord: ok‚, doe maar.
De sergeant plaatste toen twee blokjes TNT op verschillende plaatsen in het onderkomen, rolde het vuurkoord naar buiten uit en kroop uit het hol. Iedereen lag gedekt, iets verderop en toen ontstak de luitenant het vuurkoord. Twee gesmoorde knallen weerklonken en de bovendekking van het onderkomen stortte omlaag en delen ervan vlogen de lucht in.

"Vijandelijke OP opgeblazen. Keren nu terug", meldde de luitenant aan de S3. "Roger out", was weer het antwoord. De mannen stonden op en verzamelden bij de restanten van die Chinese post, aan de voet van de buit. Op dat ogenblik weerklonken vuurstoten vanuit de Chinese richting. Nogal ver weg, op 200 meter misschien lagen drie Chinezen hun pistoolmitrailleurs leeg te schieten op de patrouille. Die spleetogen hadden hun post niet verdedigd, waren er tussenuit geknepen en nu, op grote afstand wilden zij toch nog van zich afbijten. Niemand werd geraakt en het vuur werd onmiddellijk beantwoord. De schutter lichte mitrailleur Bar gaf verschillende vuurstoten op die drie Chinezen. Of hij iemand geraakt had wist hij niet, maar er werd niet meer gevuurd uit die richting. 

"Wij moeten hier snel weg", zei de luitenant. "Op de tjotten daarginds, hebben de Chinezen gezien hoe hun waarnemingspost de lucht is ingegaan. Zij zullen er nu wel mortiervuur op afgeven om te trachten ons te treffen." In colonneformatie ging de patrouille terug en het ging sneller dan de heenweg. Na vijf minuten lopen ontploften een zestal granaten niet ver van de patrouille vandaan. Iedereen lag onmiddellijk plat op de grond. De hospik hief als één van de eersten het hoofd weer op om te zien of iemand gewond was geraakt en luisterde scherp. Als er gewonden zijn hoor je meteen iemand heel hard "hospik" roepen. Hij hoorde niets er zag niemand in moeilijkheden. De rondvliegende scherven hadden niemand getroffen. Nog even in spanning blijven wachten en toen... niets meer, einde beschieting. D6 patrouille ging verder naar eigen lijn. 

Al lopende meldde de patrouillecommandant aal de S3: "kregen mortiervuur, geen gewonden. Wij komen eraan." Kort was weer het antwoord: "roger uit!" De mannen liepen met dezelfde haastige stappen. Ook Spierdijk had een andere cadans van lopen; hij hoefde geen passen meer af te tellen. Zij liepen allen met opgetrokken schouders en gebogen hoofd om de bittere kou te trotseren ei heel gauw waren zij bij de prikkeldraadversperring vóór de eigen stellingen. Daar werden zij door een opening geloodst. Zij werden opgewacht door de bataljonscommandant (BC), door de S3, door hun compagniescommandant (CC) el door hun sergeant-majoor.

"Proficiat, mannen", zei de BC, "goed gedaan", zei de SI "zo meteen de munitie aanvullen", zei de CC. Schouderklopjes, handdrukken en een glimlach op alle gezichten. De sergeant-majoor was toen aan de beurt.
"Bij mij nu voor de munitieaanvulling en loop er niet naakt bij; hou je helm op het hoofd. Zómeteen de wapens schoonmaken en inolieën", zei hij met een dienstgezicht, maar even later lachte hij met de anderen mee. In die tussentijd spraken de BC, de S3 en de CC met de patrouillecommandant. Die beantwoordde de vragen en gaf uitleg. Een half uur later lagen die twaalf van de patrouille in hun slaapzak te "meuren" in hu onderkomen. 
Bij het aanbreken van de dag gaven de Chinezen enig artillerievuur af, kennelijk met de bedoeling wraak te nemen. Het waren kortvallers, die nog vóór de prikkeldraadversperring neervielen. Ook nu weer geen gewonden. Er werden geen gedaanten meer gezien op of rondom de buit en de US radiointerceptiedienst had o.a. niets bijzonders meer te melden uit die hoek.