VRIJDAG DE 13de

"Alle stations bedankt.. Uit" L.M.A. van Oijen - Bron: VOKS

De mannen in Korea waren niet bijgelovig, althans veruit de meeste niet, integendeel, zij waren heel nuchter. Zij hadden hun geloof van huisuit meegekregen en beleefden het hoogst persoonlijk en meestal alleen, omdat de aalmoezenier of de legerpredikant niet overal konden zijn, maar los daarvan geloofden zij alleen maar wat zij zagen en voelden. Dat zwart-wit denken krijg je als je al een tijdje in voorste lijn bent. Er zijn geen genuanceerde benaderingen meer, waar je alle kanten mee uit kunt; je ziet de realiteit waar je direct mee te maken hebt en daar geloof je in. Een beschieting is een beschieting, dood is dood, een Chinees is een Chinees en een rat in je onderkomen is een rat. En zij wisten uit ervaring dat er maar heel weinig wonderen geschieden aan het front die in strijd zijn met de logica.

Dat nuchter zijn daar zijn ze al vroeg mee opgegroeid, op school, in de sportverenigingen, in de kroegen. Er werd daar altijd de schouders opgehaald als er iets "geks" werd verteld dat in verband stond met het bijgeloof. Als een zwarte kat bijvoorbeeld plotseling je pad overstak was dat een slecht voorteken en als je een flodder op je hoofd kreeg van een duif, of als je in de hondepoep trapte betekende dat "geluk"; jeuk in je rechterhand was een teken dat "geld" in het verschiet lag. Zo waren er meer geijkte uitspraken over het bijgeloof; het waren soms een paar kreten die geslaagd werden. Niemand nam die au serieus, maar typisch, hoe nuchter zij ook waren, er was één soort bijgeloof dat velen ter harte namen, een klein beetje misschien, maar het liet hen toch niet helemaal los. Het was het bijgeloof dat vastzit aan Vrijdag de 13de. Op die dag gebeurt altijd iets naars, werd er gezegd en dat hadden zij ook thuis gehoord in hun kinderjaren want de overleving van het fenomeen "vrijdag de 13d" bestond al geruime tijd. Men was er een paar keer mee geconfronteerd. Als je op school onverwachts een proefwerk moest maken op vrijdag de 13de betekende dat in ieder geval een zware opgave met waarschijnlijke een "onvoldoende" in het vooruitzicht; zo dachten zij toen.

En als je toevallig op die dag een afspraak had gemaakt met je vriendin kon het best zijn dat zij niet zou komen. Een misverstand? Een samenloop van omstandigheden? Of had het toch iets te maken met vrijdag de 13de? Zo dachten zij toen ze nog jong waren. In de loop der tijden is vrijdag de 13de een begrip geworden; die dag wordt geassocieerd met iets ongunstigs en roept ongeluksgedachten op. Een tegenvaller op die dag, een nare zaak waar je opeens mee komt te zitten, misschien een complete afgang of veel onheil.

Het is zomer en snikheet. De compagnie heeft zich ter verdediging ingericht op een ridge; een paar honderd meter verder liggen de Chinezen. Het is niet altijd vechten of in spanning zitten wachten op wat er gebeuren gaat als je vooraan zit. Er zijn ook dagen dat er niets gebeurt, althans niet zichtbaar, noch bij de vijand, noch bij ons. Er zijn dan over en weer geen beschietingen meer, geen acties, geen aanvallen, geen patrouillegang in het vóórterrein.
Alleen de routinewerkzaamheden gaan door: het verbeteren van de onderkomens, het uitgraven van schuttersputten, het camoufleren van al die dingen, het plegen van wapenonderhoud en dergelijke. En steeds op wacht staan en goed blijven waarnemen natuurlijk, dit gebeurd onafgebroken. Die betrekkelijk rustige periodes zijn wel van korte duur. Na één of twee dagen merk je alweer dat je in voorste lijn bent; dan gebeurt er weer wat. Bepaalde activiteiten kun je verwachten; soms staan die in verband met een aflossing denkt men want ook de Chinezen lossen elkaar af. Als er opeens veel verkenningsaktiviteiten plaats vinden aan hun kant kun je aannemen dat het andere troepen zijn die tegenover ons liggen. Zij tasten direct het terrein af, willen precies weten waar wij zitten en dagen ons uit met prikakties.

Maar nu is het rustig aan weerskanten van de lijn en dat betekent dat er ook tijd is om te klussen en zo'n klus is het halen van water in het dal of liever gezegd onder aan de tjot want een dal is er niet; er is geen brede strook tussen de heuvellijnen maar alleen een smalle afscheiding tussen twee steile tjotten waarin een waterloop stroomt. Het is 10 uur `s avonds; de duisternis is gevallen over het land, over de ridge, maar het is ook volle maan en deze schijnt heel helder zodat men toch redelijk goed om zich heen kan zien. De mannen zitten naast of achter hun onderkomens en genieten van de avondkoelte of ze zitten bij elkaar in hun bunkers wat te praten en een sigaret te roken. Dit is het mooiste ogenblik van de dag: geen hitte meer, geen activiteiten, lekker relaxen en zo meteen gaan pitten. Zolang het kan moet je er van profiteren.

Voor vier man echter is dat niet weggelegd; zij kunnen niet genieten van de avondbries want er is toch nog een karwei dat zij moeten opknappen; zij moeten water gaan halen beneden aan de tjot. Zij zijn de waterpatrouille voor die nacht en dit is doorgaans een zware opgave. In het begin sprak men over de watercorveeploeg maar al gauw bleek dat de mannen ook patrouillewerk deden, vooral op de heenroute. Zij waren bewapend, namen continue waar op de achterhelling en beneden de tjot, dekten elkaar op moeilijk begaanbare punten en dat kon lastig zijn want zij hadden ook nog een waterjerrycan mee te sjouwen. De achterhelling van de ridge waarop de compagnie lag ging vrij steil omlaag naar de beek waar zij het water gingen halen en was uiteraard ook vrij steil om weer tegenop te gaan en dan had elke man ook nog een gevulde waterjerrycan bij zich.

De waterpatrouille bestond uit korporaal Endeveld en de soldaten Fokker, Kilsdonk en Kamerling. Zij hadden zich gemeld bij de compagniessergeantmajoor, de csm en deze gaf hen de laatste bijzonderheden.
"Alles is rustig vanavond" zei hij "De Chinezen houden zich koest en het is goed weer, de helling is mooi droog dus geen glijpartijen. De maan schijnt volop ; je loopt dus niet in het donker en kunt zien waar je loopt." maar dat wisten de mannen al. Hij zei verder;" Jullie zijn straks alléén beneden bij die waterloop, de eenheden links en rechts van ons zijn in de namiddag al beneden geweest om water te halen. Je kunt op je gemak die jerrycans vullen; het is zo gebeurd en dan komen jullie weer terug. Het zal wel even doordouwen zijn tegen de stijle helling op; doe het dus rustig aan. De jerrycans breng je naar je eigen peloton; dan kunnen de maten hun veldfles weer voor de helft vullen met dat heldere water en dan ga je ook slapen".

Korporaal Endevoet, de commandant van de waterpatrouille vroeg "zijn er verder nog bijzonderjeden, majoor?" De csm dacht even na en zei toen "Er is nog één bijzonderheid, het is vandaag vrijdag de 13e, maar daar zitten julie niet mee neem ik aan" en toen was het even stil " Nou mannen, sterkte. Kom bij me langs als je terug bent om je af te melden, tot straks" en hij ging heen. Had hij dat gezegd bij wijze van gein dat het vrijdag de 13e was of had hij zich versproken ? Hoedan ook, hij had het beter niet kunnen zeggen want één man zat ermee en dat was soldaat Folter. Hij was één van de weinigen in de compagnie die bijgelovig was en die in al die dingen geloofde. De csm was nauwelijks uit het zicht of hij zei: "Vrijdag de 13de! Dat betekent een hoop narigheid onderweg, let op mijn woorden".

Gauw afkloppen!" Dat was ook zo iets. Afkloppen betekent een ongeluk proberen af te wenden door op ongeverft hout te kloppen; dat wil wel eens helpen, wordt er gezegd, maar dan moet je het onmiddellijk doen. Een paar minuten later heeft geen zin meer en waarop moesten zij afkloppen? Zij stonden open en bloot op die ridge , dichtbij de achterhelling en er was geen hout binnen handbereik; er lagen alleen wat zandzakken op de grond maar je gaat toch niet op zandzakken afkloppen! Naar een bunker gaan die iets verder op ligt en waar wel hout te vinden is? Te aanstellerig.
Folter klopte toen af op de houten kolf van zijn geweer, die was niet ongeverfd maar beter dit dan niets dacht hij en de anderen deden het dan ook maar. Waarom niet? Je kon nooit weten trouwens, dat afkloppen was zo ingeburgerd dat het niet meer iets bijzonders was; iedereen deed het.

In voorste lijn wist men nooit precies welke dag het was. De maand was wel bekend maar of het een dinsdag was of een woensdag en of het de 16e of de 17e van de maand was wist niemand. Er hingen geen kalenders in de bunkers en zakagenda's hadden de mannen niet bij zich. Alleen de commandanten wisten het natuurlijk wel; dat moesten zij wel gezien de opdrachten die zij kregen van hogerhand en waarin de dagen en tijdstippen stonden vermeld. En de csm wist het blijkbaar ook; hij had immers gezegd: "Het is vandaag vrijdag de 13de". Korporaal Endevoets gaf een teken aan zijn groep en toen gingen zij achter elkaar de helling af. Er was geen pad, zij gingen rechttoe rechtaan naar beneden. Hij liep voorop met een lege jerrycan op zijn ene schouder en zijn geweer hangend aan zijn ander schouder. De anderen volgden met een paar meter tussenruimte. De maan scheen op de helling; zij konden elkaar goed zien en ook de terrein oneffenheden. Zo maakten zij goed gebruik van de dichte graspollen en de rotsblokjes die overal uitstaken om zich daar schrap te zetten om de vaart af te remmen en om even halt te houden en de jerrycan op de andere schouder te nemen. Het ging lekker, de grond was inderdaad droog, er was geen modder.

Korporaal Endervoets maakte gebruik van de schaduwplekken die er waren om met zijn patrouille zo goed mogelijk onzichtbaar te blijven. Een paar dagen geleden was er sprake geweest van Chinese infiltratie in onze sector. Zij probeerden bij tijd en wijle met kleine groepjes in de rug van de VN eenheden te komen om aanslagen te plegen, installaties op te blazen en verwarring te stichten. Er waren geen bevestigingen geweest en geen infiltratie-activiteiten gesignaleerd maar als de kreet eenmaal gevallen is houdt je er toch rekening mee. Op hun weg kwamen zij een grote rots tegen; zij zagen niet wat er achter was. Een van de mannen liet zijn jerrycan achter bij de anderen, pakte zijn geweer met beide handen vast en ging voorzichtig kijken. Na een paar seconden draaide hij zich om en met zijn duim omhoog gestoken gaf hij aan dat alles oké was. De anderen volgden toen.

Het was stil in het gebergte. Zij deden hun best om zo stil mogelijk naar beneden te gaan.
Toch raakten een paar stenen los; die rolden omlaag en maakte wat lawaai maar dat was van korte duur. Na een kwartier afdalen waren zij aan de onderkant van de helling en zij zagen de beek. Het viel hen zwaar tegen ; het was een smal waterloopje dat langzaam voorbij stroomde. Door de droogte van de laatste dagen was het een minne beek geworden. Het bergwater was wel helder en fris maar het was niet meer zoals een week geleden snel en bruisend. " De Yanks hebben bijna alles voor zichzelf opgeschept" fluisterde Kilsdonk. Folter keek bedenkelijk. "Sssssst.... korporaal Endevoets deed een vinger op zijn mond om aan te geven dat zij stil moesten zijn. Zij keken ontmoedigd naar links en naar rechts maar het was overal het zelfde; de beek was erg smal en erg ondiep en langzaam stromend. De mannen begrepen dat het een hele tijd zou duren voor die vier jerrycans à 20 liter gevuld zouden zijn.

Iets meer naar links was schaduw; daar gingen zij heen. Endevoets wees naar een rots waarachter Kamerling op de uitkijk moest gaan staan, voor alle zekerheid; je kunt nooit weten! Toen ging hij met Folter en Kilsdonk naast de beek knielen een paar meter van elkaar en maakten aanstalten om de klus te beginnen. Het was te ondiep om de opening van de jerrycans onder te dompelen in het water.
Zonder één woord te zeggen en zonder naar elkaar te kijken deden zij precies het zelfde.
Zij namen de mok uit de hoes van de veldfles; daarmee zouden zij het water opvangen en de jerrycans vullen. Maar ook dat viel niet mee. Zij moesten stenen uit de bedding halen en kuiltjes en gleuven maken om zo met hun mok erbij te kunnen en als die halfvol was werd die leeggegooid in de jerrycan. Zo nu en dan gingen zij er bij staan om wat te ontspannen en geen kramp te krijgen in hun knieën en benen.

"Doe het op je gemak"had de csm gezegd en dat deden zij dan ook. Het duurde lang, heel lang zelfs, maar uiteindelijk waren de drie jerrycans gevuld en afgesloten. Soldaat Kamerling, die op de uitkijk stond, werd afgelost en kon nu ook zijn jerrycan gaan vullen maar bij hem ging het veel sneller omdat de twee anderen hem meehielpen. De eigen veldflessen werden ook gevuld met het heldere water en toen gingen zij langs de zelfde route de tjot weer op met een gevulde en goed afgesloten jerrycan op de schouder.

Er waren ook draagrekken in de compagnie om een vracht op de rug te nemen, dat draagt gemakkelijker, maar de mannen wilden onmiddellijk vrij zijn in hun bewegingen voor het geval zij op een vijandelijke groep zouden stoten. In zo'n geval laat je je vracht meteen vallen van de schouder, pakt je geweer en je kunt met een paar sprongen alle kanten op en dat kun je niet met een draagrek op je rug. Er waren geen quick release sloten aan die draagrekken; het ging allemaal met draagbanden om de schouder en om het middel met gespen die één voor één los gemaakt moesten worden en dat was veel te omslachtig en tijdrovend, vandaar de keuze van de patrouilleleden om het moeilijk te gaan doen met de vracht op de schouder.

De weg terug was lastig. Een gevulde jerrycan op je schouder was zwaar om te sjouwen en tegen een steile helling op is het gewoon krankzinnig om het te doen. Maar ja, ze hadden ervoor gekozen. Ze hadden aan de andere schouder hun Garand geweer hangen en die schommelde mee met de bewegingen. Soms moesten zij een hand gebruiken om zich ergens af te zetten of omhoog te trekken of een maat te helpen. Na een paar minuten al begonnen zij goed te zweten ondanks de koele avondbries die langs de helling omlaag ging. Er was al bewolking gekomen in de lucht; de maan verdween er zo nu en dan achter maar kwam steeds terug. Het was een pittige klim en het ging langzaam.
Elke stap was er één; zij hielden vaak halt om weer op adem te komen en om de zware jerrycan op de andere schouder te plaatsen. Toch vorderden zij gestaag en zij zagen de skylijn steeds dichterbij komen, maar opeens gebeurde er wat. Ongeveer halverwege de helling verloor soldaat Kilsdong zijn evenwicht en viel achterover met jerrycan en al, rolde een paar meter naar omlaag en heel wat losse stenen rolden mee. Die val ging gepaard met een paar rauwe vloeken. "Wat een klere tjot!" riep Kilsdonk kwaad.

Sssst... lispelde korporaal Endevoets. Op hetzelfde ogenblik weerklonk van boven de ridge waar de compagnie lag de kreet: "Wie daar?" Een wachtpost had die herrie kennelijk gehoord. Onmiddellijk gingen de vier mannen plat liggen tegen de helling en hielden hun waterjerrycan voor zich uit bij wijze van dekking.
"Wie daar?" herhaalde een opgewonde stem en voordat korporaal Endevoets antwoord kon geven werd een schot gelost in hun richting. De kogel ging sissend door de jerrycan van Kilsdonk heen. Hijzelf werd niet getroffen maar het water stroomde met kracht door de twee gaten die ontstaan waren. Vuur van eigen troepen! Dit was verschrikkelijk en kon tragische gevolgen hebben. Dit begreep korporaal Endevoets. Hij moest ze daar boven op de ridge onmiddellijk waarschuwen niet op hen te schieten. Van achter de jerrycan waar hij lag strekte hij zich iets omhoog en schreeuwde `Niet schieten, waterpatrouille!" en soldaat Kilsdonk begon ook te schreeuwen maar op een andere manier.
"Gvd, daar gaat het water!" De klootzakken, moet je zien wat ze gedaan hebben; mijn jerrycan lek geschoten, de hufters!" Hij was des duivels, zijn kostbare water dat hij met handige trucjes en veel geduld had opgeschept en die hij met veel zweten en met veel krachtsinspanning tot halverwege de tjot omhoog had gekregen. Maar er moest nu snel gehandeld worden met dat water. Hij pakte zijn verbandpakje, maakte het los en propte het in één de gaten om het te dichten. Folter begreep de opzet ook, kroop iets naar voren en reikte hem zijn eigen verbandpakje toe en zo kon Kilsdonk ook het andere gat dichten. Dat ging heel snel en het hielp; het water stroomde er niet meer uit en de jerrycan bleef voor de helft nog vol. Kilsdonk was weer tot rust gekomen en gaf een knipoog aan Folter.

Deze lag nog steeds op zijn buik en fluisterde, maar wel zodanig dat de anderen het konden horen "Vrijdag, de 13de ! Ik zei het jullie toch!" Zij keken hem verbijsterd aan; dus toch! "Vandaar dat gesodemieter" mompelde Kilsdonk. Intussen schreeuwde korporaal Endevoets nogmaal, maar nu harder, "Niet schieten, waterpatrouille". En toen kwam er antwoord" Oké mannen, kom maar, je bent er zo". Zij herkende de stem van de csm. Zij stonden op en namen de jerrycan weer op de schouder. Endevoets keek op zijn polshorloge; het was kwart voor twaalf, bijna middernacht. Zij hadden er zowat twee uur over gedaan. Zij gingen weer achter elkaar staan, Endevoets voorop en net toen zij aan het laatste stuk van de klim begonnen werd het donker, aardedonker en dat maakte het natuurlijk niet gemakkelijker. De maan was volledig verdwenen achter de wolken; zij zagen niets meer. Ook dat nog! Toeval? Of ook omdat het vandaag ..... En weer siste soldaat Folter tussen zijn tanden door:"Zie je wel...."

Het laatste stuk was bijzonder zwaar, ze zagen de skyline zich toch nog vaag aftekenen en daar gingen ze op af. Het lukte uiteindelijk; zij kwamen bovenop de ridge; de csm stond ze op te wachten.
"Het is een hele klus geweest, geloof ik " zei hij ."kon het echt niet vlotter?"
"Er stroomt bijna geen water door die sloot beneden, majoor"zei Endevoets. "We hebben gleuven moeten maken om het water op te vangen, maar wie is die klootzak die op ons geschoten heeft?" Het scheelde niet veel of er was een dooie gevallen" zei Kilsdonk. "Dat was ik" zei de wacht. Hij was uit zijn put gekropen."Ik hoorde opeens een hoop herrie op de helling en dacht dat het een paar Chinezen waren die naar ons toelopen, nou, dan schiet je toch!" 'Maar je wist toch dat de waterpatrouille onderweg was en langs dezelfde weg terug zou komen. Begreep je dan niet dat wij het konden zijn? Je hebt mij bijna voor m'n raap geschoten, zak, en de jerrycan lek geschoten. Al het water spoot eruit; allemaal voor niets geweest!" Hij was pisnijdig.

"Sorry man, maar jullie waren zo lang onderweg. Ik dacht echt dat jullie al boven waren langs een andere route. Meestal doet zo'n patrouille er een half uur over. Jullie hebben er twee uur over gedaan". Beide partijen waren opgewonden, driftig zelfs maar het gelukte de csm de gemoederen te bedaren. De vier van de waterpatrouille brachten de jerrycans naar de verschillende pelotons. In de tussentijd had de compganiescommandant gebeld d.m.v. de veldtelefoon en aan de csm gevraagd wat dat ene schot betekend had.

"Een vergissing, kapitein. De wacht dacht dat er infiltranten waren op de achterhelling. Ik ben gaan kijken, er is niets an de hand" En zo was het ook. Endevoets, Folter, Kilsdonk en Kamerling zochten gauw hun onderkomens op en gingen languit liggen op hun stekkie. Zij vielen direct in slaap. Er gebeurde niets naars meer die nacht, zelfs de maan kwam weer te voorschijn; het was ook geen vrijdag de 13de meer! De volgende dag werd er nog even over nagepraat. Waren het allemaal toevalligheden die plaats gevonden hadden die nacht? "Kwam het door omstandigheden" Soldaat Folter dacht van niet. "Maar op andere dagen is er ook vaak ellende; het gebeurt echt niet alleen op die ene dag, werd er gezegd. Kijk naar die beschieting een paar dagen geleden. Toen was het geen vrijdag en het was niet de 13de, maar we hadden wel twee gewonden die afgevoerd moeten worden". "Jawel" zei Folmer "alles gaat gewoon door maar op vrijdag de 13de komt er "iets extra" bij aan narigheid. Dat hebben wij vannacht toch gezien"