MIJN TOCHT NAAR SURINAME

 
Maandagochtend met het krieken van de dag sta ik al met suikeroom op Hato. Alles gaat hier veel soepeler dan op Schiphol en we zijn in een wip de douane in de vreemdelingendienst gepasseerd. We gaan mee met het Holland-vliegtuig van de Zuidelijke route, dat ons in Paramaribo zal afzetten. We reizen in een DC 6, die heel wat geriefelijker is ingericht dan de Constellation, waar ik nog geen twee dagen geleden in heb gezeten. De achterste cabine kan zelfs worden omgetoverd in een aantal slaap-compartimenten genaamd "sleeperettes", een woord dat me bijzonder gezellig aandoet.
Er zijn gelukkig geen hinderlijke kinderen in het toestel, en het aantal plaatsen is slechts voor de helft bezet. 
We hebben een dot van een stewardess, die nu bezig is suikeroom tijdschriften aan te bieden; natuurlijk neemt hij de "Esquire". Als ze langs mijn stoel komt neemt ze mijn kop even in haar blanke handen, hetgeen een brok van ontroering in mijn keel doet wellen, en ze zegt: "Wil ik jou eens een paar lekkere broodjes brengen, jochie?""Dat heeft ze gauw door", denk ik (hoewel de term jochie wel wat kleinerend is) en ik brom instemmend en lik haar hand.

De kleine afstand naar Maiquetia, het vliegveld van Lagnavia is binnen het uur afgelegd en weldra dalen we, terwijl over stuurboord de geweldige bergmassa's van Zuid-Amerika zich verheffen. Een grillig kronkelende autoweg loopt van de kust naar boven en verdwijnt achter een kam. "Dat is de weg naar Caracas", zegt de buurman van suikeroom, "het is een enorm gevaarlijke weg met een ontelbaar aantal bochten en er gebeuren dan ook ontzettend veel ongelukken met dodelijke afloop. De Venezolaanse regering heeft bepaald, dat de doden langs de weg moeten worden begraven, als afschrikwekkend voorbeeld voor de automo- bilisten!" 

Mijn aandacht wordt nu afgeleid doordat we onze riemen moeten omdoen. Achter een heuvelrug zie ik ineens de startbaan te voorschijn komen en het moderne stationsgebouw dat kennelijk nog in het stadium van afbouw verkeert. We glijden tussen twee heuvels door en even later rollen we uit over de enorme startbaan. Het platform van het stationsgebouw staat vol met vliegtuigen van allerlei soorten en terwijl we onze parkeerplaats opzoeken, strijken alweer nieuwe zilveren vogels neer. Het wordt nu snel bloedheet in onze cabine, maar gelukkig worden we spoedig verlost door een rover-achtig uitziend Venezolaan, die de deur openrukt en ons begeleidt naar het restaurant. Bij de uitgang gekomen krijgt hij een woordenwisseling met de douanebeambten, er wordt veel met armen gezwaaid en diverse "carajo's" vliegen door de ruimte, maar eindelijk wordt het pleit beslecht in het voordeel van onze begeleider. 

We worden over een pleintje naar het grote stationsgebouw geleid, dat nog gedeeltelijk in aanbouw is. Het is er stampvol en aanhoudend schettert een luidspreker in het rond welke vliegtuigen nu weer zijn geland en wie er nu weer naar het loket moet komen.
Het restaurant is op de tweede verdieping, we krijgen daar een drankje van de K.L.M.
We zitten met een klein groepje Hollanders bij elkaar en houden angstvallig onze vliegtuig- bemanning in het oog, die een eindje verder aan een tafeltje zit. Als ze opstaan en aanstalten maken om te vertrekken willen we haastig volgen, maar ze maken ons duidelijk, dat het voor ons nog geen tijd is. Gerustgesteld gaan we weer zitten, tot opeens iemand roept: "Kijk daar gaan de schroeven van ons vliegtuig draaien!" Haastig graaien we onze handbagage bij elkaar, rennen naar beneden en steken domweg het platform over, douane of geen douane. Niemand trekt zich iets van ons aan en zo komen we buiten adem bij ons toestel, waar de stewardess al vlijtig bezig is om de lichamen te tellen en kauwgummetjes uit te delen. 

Een uur later hangen we alweer schijnbaar onbewegelijk in de ruimte, boven het enorme Zuid-Amerikaanse continent. Hier en daar torenen de Cumulo Nimbuswolken omhoog, die we steeds netjes omzeilen, alsof het zuilen van gewapend beton zijn, inplaats van massa's wild opwervelende waterdruppeltjes. Op een gegeven moment lukt het niet meer en moeten we dwars door zo'n onding heen, tijdig te voren flitst het lampje aan dat ons vertelt: "Fasten your seat beits" en nauwelijks hebben we het bevel opgevolgd of het geduvel begint. We krijgen een enorme dreun omhoog, zodat mijn adamsappel in mijn maag zakt, terwijl ik tot mijn ontzetting zie dat de vleugeltippen zwiepen. Nu voel ik opeens weer mijn maag in mijn keel en we vallen als een blok lood naarbeneden in een luchtledige put.
"Flats. Een verblindend wit licht schiet langs de raampjes gepaard gaande met een geknetter van heb ik jou daar. Ik voel prikjes over m'n hele lijf van de schrik en heb plotseling spijt van het wilde leven, dat ik tot nu toe heb geleid en ik neem me voor om altijd verder zoet te zijn, als die vermaledijde Cumulo Nibus-wolken maar eens ophouden. 

De stewardess loopt opgewekt rond om iedereen te vertellen dat het niks erg is, maar ik geloof, dat ze hem toch een beetje zit te kieren. Gelukkig komen we spoedig uit de wolken en onder mij ontwaar ik de uitmonding van een geweldige rivier die tussen veel eilandjes door haar moddermassa's traag de zee inwentelt. Tot aan de kim is de zee verkleurd door het modderwater. 
Op mijn routekaart zie ik dat dit de Orinoco moet zijn en plotseling schiet me weer dat schone lied te binnen van "In Orinoco zat een krokodil...", dat ik schoolkinderen in Den Haag wel eens hoorde zingen. Ik ben blij, dat we 4000 meter zitten, want het trekt me niets aan, dat moerassige land daar beneden. Het is tijd voor de lunch, de ward en de stewardess lopen ijverig rond met de heerlijkste dingen waaronder champagne. Ik ga me natuurlijk aan dat heerlijke parelende vocht buiten, zodat ik weldra met een enigszins doezelig hoofd zit rond te kijken.

Het is twee uur geworden en we gaan langzaam dalen. Ik heb met interesse naar buiten gekeken, toen we boven Surinaams grondgebied kwamen. eerst kwam Nickerie in zicht, dat in de lucht net lijkt op het Hollandse 1andschap; netjes in rechthoekjes verdeeld met slootjes ertussen. Hier is het rijstgebied van Suriname, dat ligt aan monding van de Nickerie-rivier. Een eind verder passeren we de monding van de Coppename-rivier en daarna gaan we geleidelijk het binnenland in. Onder mij zie ik niets dan oerwoud (die vanuit de lucht veel lijken op boerenkool) hier en daar afgewisseld door savannah's en moerassen. De savannah's worden bewoond door ratelslangen en de moerassen door anaconda's, hoor ik mijn overbuur zeggen, zodat ik mij voorneem mij niet op savannah's of in moerassen te vertonen. We vliegen nu over een rood lint, dat met flauwe bochten door het oerwoud loopt; de Bauxietweg van Paramaribo naar het vliegveld Zanderij. 

Het vliegveld draagt deze naam als gevolg van de zandbodem, die hier het oerwoud onmogelijk maakt.Met een elegante boog strijken we neer op de eenzame strip. Wolken stof dwarrelen op en in no time is het bloedheet in de cabine. We stappen uit en worden worden in een tweetal haveloze wrakkige busjes geladen. Ik kijk eens om me heen en mompel zachtkens voor me uit: "Wie hier komt laat alle hoop varen". Alles ziet er stoffig en armoedig uit, een eind van de runway af staat een oud Amerikaans legerkamp te rotten, losse planken hangen overal neer, geen ruit is meer heel en de daken zijn gelijk zeven.

Ons busje zet zich zuchtend en steunend in beweging, we bolderen over diepe gaten in de weg, die kennelijk al sinds onheugelijke tijden niet door mensenhanden is aangeraakt. We rijden dwars door het kamp heen , en arriveren nu bij het douanegebouwtje annex restaurant. Vriendelijk en voorkomend worden we door de Surinaamse douane geholpen. Een Majoor der Mariniers komt op ons af en schudt suikeroom de hand, de begroeting is zeer hartelijk dat zijn kennelijk instituutgenoten. "Wat heb je daar in hemelsnaam meegebracht?" barst de Majoor uit als zijn oog op mij valt.

Ik ben eigenlijk woedend over deze begroeting, doch als goed militair is het niet aan mij te zien en ik ga opzitten - de actetas van suikeroom in mijn bek - en breng de militaire groet. "Dat is Lucky, scheepshond eerste klas", zegt suikeroom. Ik geef een korte militaire blaf. "Maak geen lol, wat hebben ze nu weer op dat luizenhuis uitgevonden!", de majoor houdt zijn buik vast van het lachen; het is duidelijk, dat het geen zin heeft om nog meer op mijn strot te klimmen, dus ik lach maar als een boer die kiespijn heeft. Als we allemaal zijn uitgelachen, stelt de majoor voor om maar, in de auto te stappen. Het is een dienstwagen die ongetwijfeld zijn beste dagen heeft gekend. Ik mag voor zitten naast de chauffeur en zink bijna weg in een gat van de zitting en haal m'n popo open aan 'n opstandige veer. Kreunend zet de wagen zich in beweging en daar suikeroom in druk gesprek is met de majoor kan ik rustig uitkijken en alles in mij opnemen. 

We rijden nu over de rode bauxietweg, die ik daar net vanuit de lucht zag; hij is aangelegd door de Amerikanen tijdens de oorlog. Na vijf minuten rijden we al midden in de jungle. Het is onmogelijk om van de weg af te komen, vanwege de ondoodringbare muur van bomen, struiken en lianen. Af en toe passeren we een opengehakt stuk bos, waar moeizaam een Javaan bezig is met planten.
"Dit zijn de zogenaamde kaapgronden", zegt de majoor. "Er zijn hier enkele duizenden Javanen en Hindostanis die zich bezighouden met de kleine landbouw." We rammelen verder en dringen nu door tot de beschaving, want de jungle wijkt en we rijden door een dorpje waar een spoorlijn begint. Een woest snuivend locomotiefje trekt een aantal haveloze wagons, met rare afdakjes boven de ramen. De "trein" is propvol met passagiers, op het locomotiefje staat in nonchalante, houding de machinist, die even zwart is als de dot werk die hij in zijn hand heeft. Met z'n andere hand geeft hij rythmische rukken aan een belkoord, zodat al tjingelend de trein reeds van ver te horen is. "Die vent weet tenminste waar de klepel hangt", merkt suikeroom op. 

Ondertussen winnen we het ondanks de ouderdom van ons vehikel, van het treintje, dat weldra door een bocht in de weg aan mijn oog wordt onttrokken. De weg is nu van asphalt geworden, en hierdoor is er gelukkig wat minder stof, hoewel het aantal "bomkraters" niet afneemt. De bevolking langs de weg is zeer gevarieerd. Javanen, Hindostanis, Chinezen, Portugezen, Negers, Hollanders, Vanks en cocktails daarvan lopen in bonte mengelmoes langs de wegen. "Vanks", (niet te verwarren met Yanks) is de afkorting voor "Vereniging Afstammelingen Nederlandse Kolonisten Suriname". De lieden die van die vereniging deel uitmaken worden VANKS genoemd, zij zijn afstammelingen van de Nederlanders, die zich hier ruim honderd jaar geleden vestigden als boeren en die zich niet vermengden met de inheemsen. Hierdoor ontstond er in de loop der jaren een niet geringe inteelt; slechts enkele families waren slim en stuurden hun zonen naar Holland om nieuw bloed in te voeren.

Eindelijk naderen we Paramaribo. We gaan een soort ophaalbrug over, genaamd de "Poeloepantje-brug". Die naam is afgeleid van "pull pants", omdat vroeger de negers, die de stad wilden binnenkomen, hun broek moesten uittrekken.
We rijden over nog steeds hobbelige wegen naar het Prins Bernhard Kamp aan de Gemene Landsweg, waar we worden ingekwartierd in het officierenhuis. Het kampement ziet er keurig uit en het is ruim van opzet. In het midden ligt een groot sportveld met aan de rand een openlucht-zwembad. 

We rijden langs het veld heen en vervolgens langs een paar gloednieuwe barakken waar kennelijk mariniers in zijn gehuisvest. Achter de nieuwe barakken, bij de achteruitgang, ligt het officiershuis, dat op "hoge neuten" is gebouwd. Er omheen loopt een galerij, waar de kamers op uit komen en aan de voorkant is een grote open voorgalerij, waar we gaan zitten. Amechtig zijgen de majoor en suikeroom in een paar rieten stoelen neer, terwijl ik plat op mijn buik ga liggen op de vloer, om tenminste nog enige koelte te krijgen. Het is volkomen windstil en een zware vochtige atmosfeer ligt als lood op ons. De plantengroei is hier wel even anders dan op Curaçao, cactussen heb ik nog niet gezien en er is vrijwel geen plaatsje onbegroeid. Het officiershuis ligt aan de grens van het kampement, doch uitzicht hebben we niet, want een ondoordringbare groene muur van bladeren onttrekt alles aan het oog. 

Ik besluit eens op verkenning uit te gaan. De kamers van het officiershuis zijn allemaal. eender. Een eenvoudig stalen bed met een groene klamboe, een hang-legkast, een tafel, een stoel en een spiegel. De wanden in de zolder zijn van kostbaar, mahoniehout, pardon ik bedoel triplex. Ik wordt afgeleid doordat ik gegiechel van vrouwen hoor, vanzelfsprekend ga ik onmiddellijk de bron van dit geluid opzoeken. 
Ik kijk over de balustrade van de voorgalerij en ontdek drie zwarte meisjes die aan het wassen zijn en twee mariniers - kennelijk hofmeesters -die de meisjes plagen door ze met water te spatten. De meisjes doen of ze het vreselijk hinderlijk vinden, doch op hun gezichten staat duidelijk te lezen: "Doe het toch niet want ik heb het zo graag" Overigens zijn het verre van schoonheden; hun haar is in kleine vlechtjes gewrongen en hunne partes postetiores zijn formidabel, vergeleken bij de rest van hunne figuren. Een derde marinier zit met een ietwat verveeld gezicht toe te kijken; hij is kennelijk nog maar pas hier, want hij heeft zo'n gezellige Hollandse kleur op zijn wangen. "Toe joh, doe nie zo sjagrijnig", zeggen z'n maten. " Ik snap niet wat jullie eraan vinden". is het antwoord van de nieuweling.
"Kwestie van doorzetten", merkt een der plaaggeesten op, "heus man, als je hier drie weken bent, zijn ze allemaal wit!"

Ik kan een grijns niet onderdrukken en wil net wegwandelen als ik me een hoedje schrik, want ergens in de onmiddellijke nabijheid begint een stervende te reutelen. Een langgerekt gekreun zwelt gestadig aan en eindigt in een langzaam wegrochelen. "Uh-uuh Eu, Eu Eu...", om daarmee over te gaan in krachtige uithalen, waar langzamerhand de fut uit verdwijnt. Ie huh, ieieie heu heu en ... heuh; heuh". Ik sta te trillen op mijn benen en wil hard wegrennen, als ik plotseling een klein gezellig ezeltje zie staan, half verborgen in het groen, dat net z'n wagenwijd opengesperde muil dichtklapt en mij met glundere oogjes aankijkt, alsof hij zeggen wil: "Ziezo, ik heb m'n gemoed weer eens gelucht!"
Hoe men dat afgrijselijke misbruik van de stembanden kan beschrijven als "Ia, ia", is mij een donkerbruin mysterie. 

Na deze emotie merk ik plotseling, dat ik behoorlijk slaap heb en ik trippel terug naar de voorgalerij, doch suikeroom is verdwenen en de majoor plus auto eveneens. Mistroostig wandel ik langs de galerij en zodoende ontdek ik suikeroom in diepe rust op een veldbed. Ik ga in een der kamers naar binnen en vlei me neder onder het veldbed geheel gereed voor een moorddadig piepslag. Mis evenwel. Een aantal muskieten houden een dog-fight boven m'n neus en af en toe drillen ze hun steeksnuiten erin. Vertwijfeld sta ik op, wip snel op het tweede nog lege veldbed en verdwijn schielijk achter de klamboe. De muskieten dansen aan de buitenkant en kunnen, me niet meer pakken. "Te laat, te laat", zei Winnetoe, "Lucky Joseph is reeds naar binnen toe", neurie ik tartend. 

Een paar minuten later snurk ik...
Suikeroom is in geen velden of wegen te bekennen, als ik ontwaak uit mijn middagslaapje, dus ga ik na een bad te hebben genomen naar de voorgalerij, waar inmiddels een paar luitenants van de mariniers zich om de borreltafel hebben geschaard.
De stemming is opperbest en het gesprek gaat kennelijk over de patrouilles in het binnenland. In Zanderij nabij het vliegveld bevindt zich het bosbivak, waar een gedeelte der opleiding te velde plaats vindt. Ik merk dat het lopen van een jungle-patrouille geen eenvoudige zaak is en dat je de raarste ontmoetingen kan hebben.

In het oerwoud van Suriname huizen namelijk allerlei gezellige dieren, zoals vogelspin oftewel "tarantella", die even groot is als een uitgespreide mannenhand. Vriend tarantella is bijzonder behaard en zijn lijf is zo groot als een klein kippenei, voorts beschikt hij over gifklieren om z'n prooi te verlammen en hij zit meestal in het struikgewas, van waaruit hij zijn slachtoffer bespringt. Webben maakt hij niet, dat is te veel moeite. Op een der patrouilles sprong hij op de rug van een marinier en liet zich gezapig een eindje meezeulen totdat gelukkig de achterbuurman het in de gaten kreeg en met zijn klewang het monster wegsloeg. Voorts hebben we er de boa constrictor, een beestje, waar je niet mee in de clinche moet liggen, want dan heb je het gehad, hij (of zij) hangt meestal in een boom en laat zich van boven af op z'n prooi vallen; de bedoeling daarvan is om het slachtoffer om te werpen. 

Dan zijn er nog tal van leuke insecten zoals reusachtige muskieten, mieren, schorpioenen etc: en gifslangen en poema's. Wanneer het oerwoud je door al deze narigheden te onaantrekkelijk wordt, kan je nog altijd naar de savannah's of naar de swamps, waar pa en ma anaconda huizen die zeer nabij familie zijn van de boa constrictor, alleen nog veel groter van afmeting. Ik voel me erg onbehaaglijk worden bij het aanhoren van al deze verhalen, temeer daar er een ware wolk van ,vliegjes, torren, motten en sprinkhanen om de lamp heen dwarrelt en, zo af en toe vliegt een van die beesten rakelings langs me heen. Gelukkig komt er afleiding, want er stopt een auto, waar te oordelen naar het vlugge en drukke gepraat een aantal leden van het zwakke geslacht in zit. Onder gejuich worden ze ontvangen, het zijn blijkbaar. al oude bekenden, want ze, doen of ze thuis zijn en ploffen in de nog onbezette rieten stoelen. Ik moet zeggen; dat er aardige toetjes bij zijn en ze praten allemaal uitstekend Hollands. 

Daar het eten in het kamp eenvoudig, doch smakeloos is en bijzonder weinig variatie biedt, verdwijnt het gezelschap al spoedig om in de stad een hapje te pikken. Ik blijf alleen achter en ga van pure ellende maar weer naar mijn nest, daar kunnen al die beesten me tenminste niet lastig vallen. Als ik de deur van de kamer binnenga, snort een fladderend voorwerp langs m'n kop, zodat ik met al m'n nekharen overeind m'n kooi instuif en de klamboe achter me dichtruk. Met smart denk ik terug aan mijn tijd aan boord van de Tromp, daar had je geen griezelige beesten, maar wel een hoop meer lol. Ik ben op het punt van indutten, als ik plotseling een zacht geflapper hoor, waarna een of ander groot beest met een reuze harde klap tegen de kant aan vliegt. Weer het geflapper... pats boem!! Iets zoemt langs mijn klamboe en botst tegen de lamp, weer geflapper en opeens zit met een harde klap het beest op m'n klamboe, vlak voor m'n neus. Het angstzweet breekt me uit en ik dank de hemel, dat ik tenminste onder een klamboe slaap. De muskieten zoemen ondertussen het hoogste lied. Het beest zit doodstil en nu mijn ogen aan de duisternis gaan wennen, zie ik dat het qua vorm op een mot lijkt, maar dan monsterachtige afmetingen, want het beest is minstens tien centimeter lang.

Plotseling begint er buiten een of ander insect een doordringend snerpend geluid uit te stoten, met een afwisselend hoge en lage toon. Ik wacht in spanning wanneer het zal ophouden, maar het gaat onafgebroken door en ik begin al in te dommelen, als er opeens iets op m'n bed springt. Ik schrik me een beroerte, kruip in elkaar in het verste hoekje van mijn bed en wil luid gaan janken, als ik opeens het gespin van een kat hoor. 
"Don't make a bloody fool of yourself Lucky", denk ik en begin me opeens dapper te voelen, stel je voor dat ik bang ben voor een kat, die 's nachts op je bed springt. Ik maak me klaar voor de sprong en ben bezig om woede in me op te zamelen, als ik in de gaten krijg, dat de kat loert op de reuzen-mot, die nog steeds op m'n klamboe zit Voetje voor voetje, sluipt de kat nader, ik houd me doodstil. Een sprong..., wild gefladder..., vleugels spatten in het rond... De kat springt op de grond met de mot in z'n bek en begint de hap gezellig op te peuzelen. Ik hoor de mot kraken tussen z'n tanden en ril van afgrijzen. Plotseling flapt het licht aan, suikeroom komt binnen, zegt "donder op rot beest" en geeft de kat een schop. "Wéeeuw" gilt de kat en rent weg, met nog een paar stukjes mot in z'n bek. 
Suikeroom heeft kennelijk snurk, want hij ligt in no time in kooi. "Morgen ga ik met je mee, Lucky", zegt hij. Vervolgens draait hij het licht uit. Gerustgesteld door de aanwezigheid van suikeroom val ik weldra in slaap.