MIJN VERBLIJF TE PARAMARIBO

 
Ik heb wat moeite om wakker te worden na de lotgevallen van de afgelopen nacht. Wat ziet alles er nu anders uit in de heldere zonneschijn. A1 het mysterieuze van de tropennacht is verdwenen en als ik half verscholen achter de heg het ezeltje guitig zie kijken dan begrijp ik niet dat ik me vannacht zo heb laten intimideren.

Het fantasieloze ontbijt is snel naar binnen geslagen en ik besluit eens een rondje door het Prins Bernhardkamp te maken. Ik trippel eerst langs de mariniersbarakken. Daar is het een en al bedrijvigheid, "waarschijnlijk ochtend-baksgewijs" mompel ik. Plotseling verscheurt een strenge stem de rustige atmosfeer. "Vooruit, opschieten, het is nou tijd van baksgewijs, leutere doe je maar in je eige tijd". Een adjudant der mariniers komt aangelopen en weer achter hem een aantal jeugdige luitenants die ik al in het officiershuis had gezien. Het wordt nu blijkbaar ernst en ineen wip staat iedereen - gewapend -aangetreden. 

Ik kuier verder en kom nu aan die zijde van het grote sportveld, die het verst van de ingang ligt. Het valt me nu op, dat er niet alleen mariniers in dit kamp zijn, doch ook soldaten. Een stelletje is aan het voetballen, een ander groepje krijgt gymnastiekles en holt als waanzinnig langs de rand van het veld en weer een derde groep hangt al kreunend en krakend aan de wandrekken. "Uitstekend, dat mag ik graag zien," mompel ik intens tevreden met mijzelf en ik kuier met bedachtzame pasjes verder. De zon begint nu al te steken en over het sportveld trekt een waas omhoog van de snel verdampende dauwdruppels. Op de Gemene Landsweg, waar ik door de poort heen een stuk van kan zien neemt het. verkeer langzamerhand toe, ik zie reeds in een oogopslag dat hier meer fietsers en voetgangers zijn en minder auto's dan op Curacao. Ik ben aan het eind van het sportveld gekomen en sla nu linksaf, zodat ik naar de poort toe wandel en langs de drie hoge radiomasten. 

Plotseling hoor ik een woedend gegrom achter me benevens het geluid van in het rond vliegende kluiten aarde. Ik kijk om en het bloed stolt in mijn aderen. Een waanzinnig grote hond komt met dito snelheid op me afrennen; duizend gedachten flitsen door m'n kop, m'n leven ontrolt zich als een panorama voor m'n geestesoog, een tranenfloers welt op in m'n ogen, ik wil nog zo graag blijven leven ......
Als een flits is de kolos langs me gestoven en staat nu te kwispelstaarten bij een paar sol- daten die kennelijk zijn bazen zijn. Met weergaloze tegenwoordigheid van geest doe ik net alsof ik helemaal niet ben geschrokken en loop achteloos weer verder met een gezicht dat wil zeggen: "Wat burgerlijk om je in dit klimaat zo in te spannen." 

Ondertussen echter is de begroeting afgelopen en komt de grote hond achter me aan lopen; dat zie ik vanuit mijn linkerooghoek. Ik doe mijn uiterste best om het te doen voorkomen alsof ik niets door heb, maar de aterling komt steeds dichterbij en opeens voel ik hem aan mijn achterste snuffelen.. Wat een brutaliteit! Al mijn haren rijzen overeind en een dof gereutel stijgt op uit mijn keel. "Was ik nu maar iets sterker dan hij, dan zou ik hem een doodschop geven", dacht ik.
Ik loop ondanks alles langzaam door en kom zodoende bij de ingang van het radiostation, waar ik suikeroom in de deuropening zie staan. Ik realiseer me dat ik door deze plotselinge concentratie van krachten tijdelijk de heerschappij ter zee (pardon te land) heb en draai mij met een ruk om, waarbij ik zo woedend mogelijk blaf. De grote hond kijkt even verwonderd,en geeft me een aai z n poot, zodat ik ondersteboven rol. Suikeroom, die trouweloze, houdt z'n buik vast van het lachen. Ik lach dom mee, omdat ik inzie dat zulks het beste is onder deze omstandigheden; zo word ik tenslotte nog goede vrienden met het bakbeest, dat alleen maar wat wilde stoeien.

Er komt een jeep aanrijden die kennelijk door suikeroom is besteld. ,Kom Lucky, ga mee naar Fort Zeelandia!" roept deze. Ik laat me dit geen twee keer zeggen, spring achterin en ga op de neergeslagen kap zitten om goed te kunnen uitkijken. Al gauw wordt het me duidelijk dat dit niet zo'n goed idee is, want we rijden de achteringang van het kamp uit en komen op een "wasbordweg". Een ,wasbord-weg" waarde lezers, is iets heel bijzonders; het is een niet geasphalteerde weg, waarvan het wegdek door het regenwater is uitgesleten tot een serie ribbels die dwars over de weg lopen en die een ,golflengte" hebben van ongeveer dertig centi- meter. De beste carosserie houdt het op dat soort wegen hoogstens drie jaar uit, waarna alles uit elkaar is gerammeld. Enfin, zo zit ik dan op de kap te rillen, de jeep raast krakend en kreunend voort en het kunstgebit van de chauffeur klappert keurig op de maat mee. Zo af en toe stuiven kippen en geiten naar de kant.

De kleding der voorbijgangers loopt nogal uiteen, hetgeen bijzonder opvalt bij de vrouwen. Eerst zie ik bevallig heupwiegend een Javaanse voorbij lopen, keurig, in haar strakke sarong en de kleurige dunne kabaya met gouden spelden, waaronder - hl coquet -de onderkleding zichtbaar is. Vervolgens druk kakelend - een paar dikke schommels in ,kota missie" dracht, met manden vol manga's en citroenen op het hoofd. Even voordat we weer op de hoofdweg van de stad komen, krijg ik wel de meest bizarre figuur in het oog; het is een negerin met uitbundige vormen, gekleed in een katoenen ochtendjurkje (jullie weet wel marva's, zoals je ze bij dozijnen in de etalages ziet bij Vos op het spui) haar zwarte benen, zonder kousen, zijn gestoken in goud leren, hoog gehakte schoentjes, waarvan de bandjes een paar maal kruiselings om de kuiten zijn geslagen. Om de kroon op het werk te zetten, heeft ze een coquet hoedje op, met een hoge rechtopstaande fazanten veer. Ik kijk het geheel met open mond aan; als we langs stuiven lacht ze ons vriendelijk toe. 

"Wat was dat nu voor een vrouw?" vraag ik Suikeroom. "Dat weet ik niet Lucky, dat heeft m'n moeder me nooit willen vertellen" is het antwoord. "Dat liegt ie natuurlijk" denk ik, maar zeggen doe ik het niet, O, after all is hij m'n meerdere. We zijn inmiddels op een asphaltweg beland, zodat ik m'n aan het zwerven geslagen nieren weer op hun plaats kan drukken. Aan het eind van de asphaltweg komen we op een ruim plein,dat grenst aan de Surinamerivier en waaraan mooie grote gebouwen liggen, waarvan het Gouverneurshuis wel het meest opvalt.
"De gouverneur heet Klaassen en hij is exburgemeester van een dorpje in Drente", hoor ik de chauffeur tegen ,Suikeroom zeggen. "Wat moet zo'n man toch enorm knap zijn, om na burgemeester van een Drents dorpje te zijn geweest, plotseling te worden aangesteld tot Gouverneur van Suriname", denk ik vol ontzag. 

We rijden vr het Gouverneurshuis langs en komen op een terrein, begroeid met hoge bomen, waarop een aantal oude gebouwen staan en een tweetal houten woonhuizen. Dit complex heet "Fort Zeelandia", terwijl het oude, oorspronkelijke gedeelte in gebruik is als gevangenis. Achter een der oude gebouwen, tegen de oever van de rivier aangedrukt en naast het tweede woonhuis, staat een houten barakje, waar onze jeep bij stopt: Het hoofkwartier van de Commandant Mariniers Suriname. We treden binnen in een groot vertrek, waar een officier van administratie de scepter zwaait. Dit is kennelijk het bureau commandement, tevens bureau administratie, gezien de brandkast, de bundels circulaires voor de zeemacht, de volle prullemanden, de conduiteoekjes en de schrijfmachines.

Het vertrek heeft aan weerszijden ramen, die aan de ene kant uitzicht geven op de Suriname- rivier en aan de andere kant op de ramen van het stenen gebouw pal naast de barak, waarachter een aantal Surinaamse meisjes verwoed op schrijfmachines zitten te rammelen. Aan de muur hangt een grote kalender, waarop een fleurig vrouwtje staat afgebeeld, dat met klem beweert, dat de enige manier om in dit land in leven te blijven bestaat uit het regelmatig drinken van Canada Dry Sodawater. (Dat het spul zonder een schot whiskey erin ondrinkbaar is zegt ze er niet bij).
De officier van administratie schuift ons door de deur aan het eind van het vertrek en we komen nu in het hol van de chef-staf en de stafofficier materieel. De chef-staf blijkt de majoor te zijn die ons gisteren afhaalde van het vliegveld.
Hij wil juist Suikeroom aandienen bij de commandant, als diens deur al wordt geopend door de Commandant Mariniers Suriname. Laatstgenoemde blijkt een overste te zijn, met felle blik en dito snor. Hij kijkt even verwonderd in mijn richting en neemt vervolgens Suikeroom en zijn chef-staf mee in zijn kamer.

Ik voel me verder volmaakt overbodig en drentel naar buiten om eens poolshoogte te nemen. De barak staat op een paar meter afstand van de oever van -de rivier, en wat een rivier! De breedte is hier minstens tweemaal die van de Nieuwe Waterweg, het water is bruin van de modder en stroomt langzaam zeewaarts. Een Amerikaans schip, tot barstens toe volgeladen met beauxiet, komt langzaam de rivier afstomen. Een Hollands schip komt van de andere kant en maakt zich gereed om langs de steiger van Paramaribo te meren. De scheepvaart wordt hier enigszins gehinderd door een Duits schip, dat zich hier midden in de rivier heeft laten zinken, in 1940, toen de oorlog met Nederland uitbrak. Gelukkig is er aan weerszijden nog ruimte over, doch een obstakel blijft het. 

Ik wil juist weer een eind verder lopen, als ik plotseling een doffe dreun op het hoofd krijg. Half versuft kijk ik rond en zie vlak naast me een grote opengebarsten vrucht liggen, ik kijk om- hoog en zie nog meer exemplaren hangen, dus grijp ik snel de vrucht en ren het barakje weer binnen. De vrucht is heerlijk en de officier van administratie vertelt me dat dit nu een manga is. "Aangenaam" prevel ik, terwijl het sap m'n bek uitdruipt.
Ondertussen komt Suikeroom uit de kamer van de chef staf en kondigt de terugtocht aan naar het Prins Bernhardkamp.