EEN MOORDPLAATSING

 
IK lig languit op het vlotje van de militaire zweminrichting Michielsbaai, dat ongeveer een honderd meter van het strandje af ligt en geniet van mijn bestaan als walslurf. Het is vier uur 's middags; de felle Caraïbische zon begint langzamerhand ter kimme te neigen. Zachtjes klotst het kristalheldere zeewater tegen het vlotje en als ik naar beneden kijk, kan ik de ketting waar het aan verankerd is tot aan de bodem volgen. Een school kleine visjes sabbelt aan de zwaar aangegroeide schalmen van de ketting en op de zandbodem ligt een platvis zich gezapig heen en weer te schobberen om een goed plaatsje te vinden. Een papegaaivis zwemt plotseling binnen mijn gezichtsveld, geboeid kijk ik naar de prachtige kleuren. Langzaam glijdt het beest naar een klomp koralen en verdwijnt daar in een spleet. 

Ik kijk eens in de richting van de zee en ontwaar aan de kim een toeristenschip, dat ?gezien de grote witte snor ? haast heeft. Aandachtig volg ik het mooie schip; ik heb het wel eens eerder gezien, het is een Santaboot van de Grace Line, het verdwijnt nu achter de rotsen van de kaap, waarachter Piscadera ligt. Vlak bij die kaap ontwaar ik plotseling een wandelstok in het water, langzaam komt het ding naderbij, het omgebogen uiteinde is duidelijk te zien.Drie weken geleden ? ik was hier pas ? wist ik niet wat me overkwam, toen ik daar een wandel- stok rechtop door het water zag glijden. Nu weet ik beter, dit is het uiteinde van de snuiver van C.M.R.A. Langzaam glijdt het ding langs het vlotje en nu kan ik de zwemmer zien, die geluidloos door het water klieft. In no time is de snuiver bij het strandje, waar plotseling een gebruinde figuur oprijst, die met flapperende vinnen het strand op kleppert. Het gezicht gaat schuil achter een duikersbril, aan de gordel bengelt een vis en in de rechterhand houdt hij een gevaarlijk uitziend voorwerp; een onderwater?geweer. C.M.R.A. is een verwoed onderwater- jager, vrijwel iedere middag zie ik zijn auto stoppen en dan weet ik al bij voorbaat, dat een paar vissen erg zuur zullen kijken als ze de pijl door hun bast voelen schieten. 

Ja waarde lezers, zwemmen is niet zo eenvoudig in de Antillen. Als je gewoon het water in gaat, dan tel je niet mee. Je moet minstens een paar rubber vinnen aan je voeten hebben, een duikbril op je gezicht en het ondereinde van de snuiver in je mond. Wanneer je zo maar met niets het strand opstrompelt (natuurlijk wel met een zwembroek) en je bent bezig om met een pijnlijk gezicht de stekels uit je voet te trekken van de eerste zeeappel waar je in hebt getrapt en je benen zijn nog zo Hollands wit, dan kan je er donder op zeggen dat een of andere gebruinde jonge god met een medelijdend glimlachje tegen je zegt: "En zit U al lang op Curacao?" In zo'n geval kun je het beste lachen, want gegrepen voel je je toch. Maar als je zo na een paar maanden de nodige spullen bij elkaar hebt gescharreld en je bent wat bruin geworden, dan mag je net meedoen. Dan zegt die zelfde gebruinde jonge god: "En begint het U al te bevallen?"

Maar dan die grote dag, wanneer je nog wat buiten adem het strand oploopt en met een achteloos gebaar een zieltogende barracuda van een meter lengte op het zand werpt; dan zegt diezelfde gebruinde jonge god (want juist bij hem ben je natuurlijk aan land gestapt) niets meer. C.M.R.A. heeft zich verkleed en verlaat kennelijk de zweminrichting, want ik zie de paai in de houding schieten. Als zijn auto even later de helling opsnort, komt een mooie Chevrolet"stationwagon" naar beneden. In de stationwagen zitten ook een stelletje vaste klanten, namelijk tien pastoors.Vrijwel iedere middag stoppen ze en stappen zwijgend, doch intens tevreden kijkend, uit elk hunner met een grote sigaar in de mond. Ze gaan steeds naar hetzelfde strandje, een eind voorbij de militaire zweminrichting. Van mijn vlotje af zie ik de tien witte figuurtjes langs het strand lopen, tot ze bij een stel grote rotsblokken zijn gekomen, waar ze als op commando stil blijven staan en hun actetassen op de grond neerzetten. Vervolgens zakken als bij toverslag alle witte soutanes naar beneden; de pastoors zijn verdwenen en tien gebruinde kerels in zwembroekjes stappen - als vlinders uit de cocon - de wereld in. Het is werkelijk een, allergrappigst gezicht, deze metamorfose en iedere keer kijk ik er vol spanning naar. Even later zie ik tien wandelstokken in divisie?verband zwijgend het water doorklieven.

Ondertussen begin ik gezelschap te krijgen op m'n vlotje. Een stel mariniers van het kamp Suffisant is gearriveerd, alras duiken vanaf de steiger de eersten in het water. Enige minuten later zijn de zwemmers bij het vlotje en pringen er op. "Zo Lucky" roept een hunner, "jij hebt toh maar een, moordplaatsing in deze tampat!"Hij heeft gelijk. 
Het is inderdaad een moordplaatsing, dat heb ik in de drie weken, dat ik hier ben ruimschoots ervaren. Zo vrij als een vogel ben ik hier. Geen "baksgewijzen", geen parade, niets van dat alles.
Een kwartiermeester, de baas van het spul, oftewel de ,paai" en een stoker. Verder is hier een variërend aantal van mijn soortgenoten; afkomstig van de basis. Het zijn vrijwel allemaal teefjes, die hier worden gebracht omdat ze loops zijn, dan wel in blijde verwachting. Op het ogenblik zijn er maar vier, namelijk Mies, Annie, Marietje en Greet. Mies en Annie hebben net jongen gehad, die op een na zijn weggegeven. Marietje is in blijde verwachting en Greet ...., ach, nou ja, U begrijpt mé wel. De kwartiermeester, met wie ik het reuze kan vinden, was erg blij toen hij mij zag en belastte mij onmiddellijk met het toezicht over de teefjes en hun jongen.

Nu, ik heb de discipline er behoorlijk in gestampt, vooral met de kleintjes had ik veel te stellen, want die moesten nog zindelijk worden. Iedere ochtend om ongeveer elf uur is het voor ons honden verplicht zwemmen; dat gaat als volgt. De paai en z'n maat pakken onver- hoeds elk twee honden en lopen daarmede naar het eind van de steiger, vervolgens worden ze beurtelings met een wijde boog in het zilte nat gesmeten.
Luid gillend van ellende ? typisch vrouwen ? zeilen ze door het luchtruim en als ze het water raken, gaat het gegil plotseling over in een geborrel. Even later komen de koppen weer boven en zwemmen ze vlijtig terug naar de kant.
Toen ik het de eerste keer zag gebeuren rende ik natuurlijk mee naar de kop van de steiger en hield m'n buik vast van het lachen. Plotseling werd ik evenwel gegrepen en ook met 'n grote boog in zee gesmeten, ik had nog nooit gezwommen en toen ik weer naar de oppervlakte dreef wist ik echt niet precies wat te doen. Gelukkig riep de paai mij toe "Zwem!" zoals ook staat voorgeschreven in de "Verordeningen Koninklijke Marine". Ik herkreeg mijn denkvermogen en zwom naar de kant, waar ik buiten adem aankwam, spottend aangekeken door vier teefjes die druk bezig waren zich uit te schudden.

Nu ben ik evenwel wijzer geworden, daal uit eigen beweging plechtig het trapje af en begin aan mijn ochtend zwemtocht, namelijk naar het vlotje en terug, welke afstand ik met lange krachtige slagen ? de man eigen afleg.
Het eerste karwei 's ochtends is schoon schip maken; Maandagochtend ? toch al zo'n rare dag ?is dat een behoorlijk stuk werk, maar door de week valt dat erg mee. We halen meestal een paar kisten vol papier, lege flesjes, doppen van flessen, lege sigarettendoosjes, etc. op. Vervolgens zetten we de kisten met afval in het jolletje, waarna de paai en ik er mee weg- roeien en het zaakje een goed eind, uit de wal buiten boord zwikken. Op ons dooie gemakje roeien we dan terug, onder het genot van een sigarillo. 

Daarna laten we de vrouwen zwemmen en vervolgens is het tijd voor de koffie. Tijdens al deze bedrijvigheid staat de radio steeds bij, zodat ik zo langzamerhand de diverse reclames uit het hoofd ken, zoals "Fuma Lucky Strike, el primero en calidad", "Sound off for Chesterfield" en "Dus Dralle ? prima!" Door de week hebben we weinig bezoekers, meest vrouwen van officieren en onderofficieren met kroost, maar Zaterdagmiddag én vooral 's Zondags is het pen uit. Dan lijkt het hier wel een klein stukje Zandvoort. 
Vele onderofficiersdochters vormen in hun fleurige badpakjes een vrolijke afwisseling tussen de gebruinde lichamen der mannen en hun gezellig geklets is overal te horen, vooral van een der jongsten, een kwiek en bijdehand ding, dat meedoet aan de opvoering van het toneelstuk "Het Wespennest" en daarin de rol vervult van "enfant terrible". Pas 's middags na vier uur wordt het een beetje kalmer en is de grootste drukte achter de rug. 

Het wordt koeler op het vlotje. De zon staat laag en de mariniers van Suffisant zijn vertrokken in hun truck, die hun op tijd voor theewater in de kazerne moet afleveren. De pastoors zijn uit het water gekomen en zitten nu op de rotsen te genieten van de zonsondergang. Er is ook waarlijk geen beter tijdverdrijf te vinden, dan zich zo af en toe eens te verdiepen in de schoonheid van Gods goede natuur. Vol aandacht kijk ik naar de kleurenpracht, die plotseling te voorschijn schiet als de zon bij de kim is gekomen; bloedrood van klur is hij nu en als gehypnotiseerd staar ik in deze oneindig verre vuurpoel. Plotseling pakt de zon de kim, als in een smakzoen; hij heeft een tuitmondje gekregen, waarmee hij nu zit vastgezogen aan het bloedspoor, dat hij door het water trekt.

Nu pas kan ik zien hoe snel de aarde draait, want de zon zakt zienderogen weg in de Caraïbische Zee. Rood, groen en oranje kleuren de hemel en het water. Aan de wal worden hier en daar lichtjes ontstoken en boven de heuvelrand kleurt zich de wolk van gassen, uitgebraakt door de raffinaderij, langzaam rood. 
De pastoors hebben hun soutanes aangetrokken en stijgen in hun stationwagon, na een laatste blik op deze hemelse kleurenpracht. De zon verdwijnt en met hem de kleuren, aarzelend komen de sterren te voorschijn.
Met tegenzin kom ik overeind en plons in het water om naar de kant te zwemmen. Als ik naar beneden kijk zie ik geen bodem meer, het water is zwart geworden. Ik huiver en voel plotseling dat ik honger heb, ik versnel mijn tempo en na vijf minuten. klim ik lichtelijk buiten adem het strand op. Het is nu donker; een zwart fluwelen kleed, bezaaid met diamanten is over Curagao uitgeworpen. "Awa ta kai" schalt ons radio?tje. "Akipo akipo akipooooo mama" galmt de juke box uit het bartje daar tegen in. "Lucky kom 'es hier" roept de paai. "Present meester!"
"Lucky breng deze mand met flesjes effe naar het weekend huisje, ze hebben daar vergeten drankjes in te slaan, daarna ben je vrij voor vandaag!" "Jawel meester!" Ik zeul met de mand met flesjes naar het weekendhuisje, dat ongeveer drie honderd meter van de zweminrichting ligt, op een klip. Er wordt veel gebruik gemaakt van het huisje door de gehuwde verlofgangers, daar het voor vrijwel iedereen veel te duur is om naar Curagao te gaan, of naar Haiti, Jamaica en andere heerlijke oorden in het Caraibische gebied. 

Op het ogenblik zit de chef staf er een paar dagen met zijn gezin. Het huisje is door een hoge omrastering omgeven, daar het dicht aan de rand van de steile klip ligt, ongeveer tien meter boven het wateroppervlak en kinderen nu eenmaal de gewoonte hebben om op onge- legen momenten van zo iets af te vallen. Het is direct onder de klip al heel diep en soms ziet men grote grauwe lichamen roerloos in het kristalheldere water staan, dat zijn haaien die hun middagslaapje doen. Toen ik dit voor het eerst zag werd ik bang en durfde niet meer in het water, doch ervaren Curagaose zwemmers lachten me uit en zeiden, dat haaien hier niet bijten en mochten ze speels worden en te dichtbij komen, dan geef je een schreeuw in het water en als een pijl uit de boog vluchten ze. Ik voelde me nog steeds niet erg "happy" met dit verhaal en ging de eerste keer daarna schoorvoetend en met frisse tegenzin het water in. Nu trek ik me er echter niets meer van aan ....

Langzaam snuiverend zwem ik aan de oppervlakte van de Knipbaai; een paar kennissen hebben me meegevraagd om op vissen te jagen. We zijn met zn drieën ,de officierduiker van de basis, een jongeling die bij de C.P.I.M. werkt en mijn peroontje. Beiden zijn ervaren onderwaterjagers, vooral de officier?duiker, wiens term in de West al bijna ten einde is. Mijn taak is nu met hen mee te zwemnen en als ze iets hebben geschoten, dan moet ik de buit overnemen en ze naar de wal zwemmen, zodat zij door kunnen gaan met jagen. Het is de eerste keer dat ik in de Knipbaai ben; een romantisch klein baaitje, met een verblindend wit strandje. Nooit heb ik zulk mooi wit zand gezien als aan de stranden van Curacao, daar zijn Scheveningen, Zandvoort, enz. niets bij vergeleken. 

Door mijn duikbil heb ik een prachtig uitzicht en langzaam waaierend met mijn vinnen glijd ik voort boven de witte zandbodem, die bedrieglijk dicht bij lijkt, maar in werkelijkheid drie meter onder me is. Ik passeer een paar zwemners, wier van vinnen voorziene benen elegant heen en weer trappen in het water. "Zeker meisjesbenen" denk ik, te oordelen naar de fraaie vormen, ik steek mijn kop boven water en zie de even elegante bovenbouw, die mijn aanname bevestigt. Goed gezien, Lucky, ouwe jongen", brom ik, werp een "wolf?smile", steek weer onder water en snuiver verder, achter de jagers aan. Het wordt dieper, hier en daar doemen grote koraalbanken op uit het donkerblauwe verschiet, dik bezaaid met zeeappels en meer van dat fraais.Er gaat een vreemde bekoring van dit onderwaterlandschap uit en ik krijg plotseling een onweerstaanbare drang om in die blauwe diepte af te dalen. 

Ik voeg de daad bij het woord, haal een paar keer diep adem en duik met een borst vol zuurstof naar beneden; de koraalbodem schuift dichter bij, maar het begint vervaarlijk te knappen in mijn oren, dus ik besluit op deze diepte te blijven ei: niet door te gaan naar de bodem. Langzaam roei ik verder; die vinnen zijn werkelijk een pracht uitvinding, je schuift zo gemakkelijk door het water. Boven mijn hoofd zie ik een enorme zilveren spiegel, die schuin boven me wordt gebroken door twee paar deftig voorttrappelende benen met vinnen; mijn metgezellen.
Uit het blauwe waas voor me uit doemt plotseling een vervaarlijke koraalbank op, die als een muur omhoog rijst. Duizenden vissen zwemmen er omheen, ik heb helaas geen adem meer en ga naar boven, waar ik krachtig mijn volgelopen snuiver leegblaas om daarna met gulzige teugen verse lucht te happen. We komen nu boven het rif, dat zich voor de baai bevindt, het is hier niet diep en mijn metgezellen kunnen staan, hoewel je daarbij erg voorzichtig moet zijn vanwege de scherpe voren, de zeeappels en andere puntige uitsteeksels. We zijn kennelijk op het jachtterrein aangekomen, want de jagers maken zich gereed en zwemmen heel zachtjes langs de buitenkant van het rif, door hun brillen omlaag kijkend. Ik blijf achter hen en kijk omlaag .... welk een tafereel. 

Onder mij zie ik een berghelling, die uit de zwartblauwe diepte naar boven komt; wat zou daar allemaal verborgen zijn, in die koude afgrond, ik huiver even. De berghelling is bezaaid met grote koraalklompen en rotsblokken en wordt gekroond door het rif, waar we zo juist overheen zwommen. Hier koraalsoorten die ik nog niet gezien heb, sommigen zien er uit als hele fijne waaiers, die zachtjes heen en weer worden gewiegd, anderen als bomen, met dikke en brede bladeren. Het zonlicht werpt zijn stralen er tussen door en telkens wanneer vissen uit de schaduw komen blinken ze fel op. Ik vergeet alles, bij het zien van dit onderwaterparaijs en verlies bijna de jagers uit het oog. 

Plotseling merk ik dat ze iets in de gaten hebben. Ik kijk in de richting, die zij aanwijzen en zie onder een grote koraalboom, half verscholen achter een der wuivende bladeren, een grauwe streep in het water staan. "Een barracuda" is het oordeel van de jagers. Een hunner zwemt schuin boven de plaats waar de barracuda staat en duikt naar beneden, voorzichtig wuivend met z'n vinnen glijdt hij naar de vis, het geweer voor zich uithoudend. Hij nadert van achteren de koraalboom, ademloos kijk ik toe, nu is hij bij de boom,voorzichtig richt hij het geweer, ik hoor een droge tik en zie de pijl op korte afstand het lichaam van de vis doorboren. Een wilde warreling schiet door het water. De barracuda is woedend en rukt aan het touw waar de pijl aan vast zit, die dwars door zijn lichaam steekt.Zwarte wolkjes schieten uit de wond; eigenaardig dat bloed er op enige diepte onder water zwart uit ziet. 

Het schot is overigens behoorlijk raak geweest, want het dier beweegt al heel gauw niet meer. Ik krijg het touw in m'n bek gestopt en peddel bedaard over het rif naar het strand, waar ik het monster bij onze spullen neerleg. Zwakjes ademend ligt het beest op het zand, het is ongeveer zeventig centimeter lang en heeft een vervaarlijke bek, waarin een stel hagelwitte en vlijmscherpe tanden pronken. Tien minuten later ben ik weer op het jachtterrein. De jagers hebben inmiddels elk nog een vis gevangen, die ze aan hun gordel hebben vastgemaakt. "Laten we maar teruggaan", zegt de ene jager tegen de ander, "er is nog al wat bloed in het water en ik voel er niets voor om speciaal hier te wachten tot er haaien komen?" 
De officier?duiker vindt dat blijkbaar een redelijk voorstel en de terugtocht wordt aanvaard.Bij het rif kan ik de verleiding niet weerstaan om nog eens te duiken en zo zweef ik enige seconden later boven het rif en geniet weer van de merkwaardige sensatie, zo geluidloos door dit onderwaterrijk te bewegen.

Plotseling meen ik iets te bespeuren in de blauwe nevel voor me, schielijk kijk ik waar de jagers zijn, neen, die zwemmen een eind naar links en boven mij. Ik kijk weer voor me en verstijf van schrik, want een groot grauw torpedovormig lichaam lost zich op uit het blauwe verschiet en koerst regelrecht op me af.Goeie help daar zal je het hebben!" Het zweet breekt me uit ? voor zover dit kan onder water ?en het bloed stolt in m'n aderen.Langzaam zwemt de haai ? want dat is het ? op me af, hoe hij zich voortbeweegt is me een raadsel want ik zie hem bijna niet bewegen, ik kan nu zijn bek onderscheiden en een paar kleine puiloogjes aan weerszijden van de kop. 

Plotseling schiet me dat verhaal te binnen over het schreeuwen, wanneer je een haai ont- moet.Ik geef een geweldige blaf. De haai verandert van koers en zwemt om me heen. Ik stik bijna en moet naar boven om adem te happen. Mijn metgezellen kijken me verbaasd aan en ik stoot uit: "een haai!" Vervolgens kijk ik gauw weer onder water, want ik wil dat monster in de gaten houden. Weer komt het beest recht op me af, m'n ogen puilen uit m'n hoofd van angst en als het beest op twee meter is gekomen geef ik met al m'n kracht weer een blaf: "Wauw!"
Een schok gaat door de haai, met verbazingwekkende snelheid draait het beest zich om en verdwijnt in de blauwe afgrond. "Doorzwemmen, Lucky", schreeuwen de jagers tegen me, die al in de richting van de wal zwemmen, "want hij komt straks weer terug, hij ruikt bloed". Ik zet alle branders bij en ga met maximum snelheid door het water.

"Balen heb ik ervan, ik ga nooit meer zover weg om te jagen" denk ik. Ik kijk telkens achter om, maar gelukkig komt er niets meer, en tien minuten later stap ik bevend en volkomen uitgeput aan wal. "Heel goed gedaan, Lucky" is het commentaar van m'n metgezellen, "je mag nog eens een keer mee!" "O wat geweldig" lieg ik, en het enige waar ik nog naar verlang is mijn nest. Gelukkig blijven we niet al te lang meer en nadat de vissen zijn ontdaan van un ingewanden gaan we weer stadswaarts. Als ik 's avonds in Michielsbaai wordt afgezet kus ik de stoep van het gebouwtje van pure aandoening en ik lig nog niet in m'n nest, of ik val in slaap.