Hr.Ms. KAREL DOORMAN BEZOEKT CURA«AO

 
DE ene week na de ander vloog voorbij tijdens mijn plaatsing in Michielsbaai. We hadden een bijzonder drukke periode tijdens het bezoek van de ,, Karel Doorman", die het squadron kwam brengen. Per ALGA-bericht werd bekend gemaakt, dat een ieder, voor zover niet door dienst verhinderd, de aankomst mocht gadeslaan vanaf de muur van het waterfort. Daar moest ik natuurlijk ook bij zijn, dus vroeg en kreeg ik permissie van de kwartiermeester, om er heen te gaan.
Zo ben ik dus 9 uur 's ochtends al in het Waterfort en beklim moeizaam de hoge traptreden van de fortmuur.
Ik krijg er gewoon pijn van in m'n zij, overigens eigenaardig, want ik heb daar nooit last van.

 "Zeker het klimaat," peins ik. Als ik boven kom, zie ik, dat het al behoorlijk vol is. Op het rechteruiteinde van de muur, bij de saluutbatterij, staat de gewapende wacht aangetreden, achter de stukken staan de bedieningsmanschappen en daarnaast is het al vol met marine-klanten en hun aanhang.
Op de omloop van de seinpost zijn vele fleurige toiletjes te zien en de hoogste autoriteiten met hunne dames staan op het bovenste platform. Een tanker vaart juist naar buiten, vrolijk wapperen zijn cijferwimpels in de passaat, het loodsbootje steekt van de logge romp af en klautert over de golven naar binnen. Aan de kim is een dikke stip te zien: Hr. Ms. "Karel Doorman".

Volgens ingewijden heeft hij afstand gemaakt, waarna hij in de wind op zal draaien om zijn vliegtuigen af te vliegen, zodoende zal hij ons dicht langs de kust passeren. Inderdaad zie ik de stip groter worden, kennelijk tot genoegen van de ietwat ongeduldig wordende menigte.
Achter de "Doorman" wordt een tweede schip zichtbaar; de "Willem van der Zaan", die is aangewezen als volgschip. Plotseling maakt zich een vliegtuig los van de "Doorman", even later weer een en na enkele minuten zien we een twaalftal kisten in de lucht, die als een zwerm bijen om de "Doorman" cirkelen.
"Mammie, is dat nou een tanker," vraagt een driejarig jongetje aan z'n moeder, terwijl hij met een kleverig handje op de "Van der Zaan" wijst, die hijgend achter de "Doorman" aan stoomt. "Neen vent, dat is nu een sleepboot, die straks de "Doorman" naar binnen moet trekken!" zegt ma. "Da's niet waar, je weet er geen pest van!" kraait verontwaardigd een jongen van een jaar of negen, kennelijk de oudste telg; "da's de "Van der Zaan" "Pats," zegt de hand van pa, hetgeen vergezeld gaat van de woorden: "tegen wie heb je het vlegel!"

Zoonlief wrijft z'n wang en mompelt verwensingen. Ooo's en aaa's stijgen op uit de menigte en drie groepen vliegtuigen komen nu recht op ons af. Van de andere kant komen dikke, zwarte regenwolken aan, maar dat heeft vrijwel niemand in de gaten. Met donderend geraas trekken de toestellen over ons heen in de richting van Fort Nassau, doch halverwege verdwijnen ze al achter een dik regengordijn. Dikke druppels kletsen op de fortmuur en iedereen zoekt een goed heenkomen. Gelukkig is het buitje snel voorbij en we zien de ,Doorman" nu op korte afafstand door de regen breken. Dwars van het Waterfort gaat plechtig de Nederlandse vlag omhoog en op het moment, dat hij in de masttop is, schiet er een rookwolkje uit de flank van het grote schip. 

Even later rolt het eerste schot over het water; het saluut is aangevangen. Alle militairen staan stram in de houding en brengen de militaire groet. Als het laatste schot is gevallen gaat de Nederlandse vlag weer omlaag en bijna op hetzelfde moment antwoordt de saluut- atterij van het Waterfort met het eerste schot.
Onze schoten klinken veel harder en kaatsen ettelijke malen heen en weer tussen de gebouwen aan weerszijden van St. Annabaai. Als het laatste schot is gevallen zet de "Doorman" koers naar Caracasbaai en het publiek op de fortmuur verdwijnt geleidelijk in de Punda. Ik trippel naar beneden en wordt daar opgevangen door suikeroom, die belangstellend informeert naar m'n wederwaardigheden in Michielsbaai.
"Ga je mee naar de "Karel Doorman? " vraagt hij, "er zijn een heel stel oude bekenden van het smaldeel aan boord." Dat is een kolfje naar m'n hand en voordat ik het weet, suizen we al over de weg, richting Caracasbaai. 

Zoals gewoonlijk is het bijzonder druk op de weg. We komen een hele sliert busjes tegen, afgeladen met kakelende negermeiden, die kennelijk hun inkopen op de markt hebben gedaan, blijkens alle tassen, manden met vruchten en koppen van half versufte kippen, die uit de bagage-bakken puilen. Ik moet hier even uitweiden over het leven op de openbare weg, lezers, want dat is iets aparts. De maximumsnelheid op dit gezegende eiland is 50 km buiten het stadsdistrict, maar daar trekt nie-mand zich iets van aan en landskinderen rijden minstens 90 km en niet landskinderen(macamba's) een schuchtere 80 km. Zo af en toe (en dat is vrij vaak) donderen met een doffe klap een paar wagens tegen elkaar. Dan wordt het net een rij tinnen soldaatjes, waarvan je de voorste omgooit, zodat alles omvalt, want de wagens rijden hier allemaal vlak achter elkaar, dus de twee volgenden zijn meestal ook de sigaar.
Vervolgens is de weg versperd en staat aan weerszijden van de plaats van het ongeval een snel aangroeiende queu en iedereen gaat claxoneren om de feestvreugde te verhogen. In het midden staan de heftig gesticulerende eigenaars (als ze niet zijn gereduceerd tot een bloe- dige vleesmassa) en een paar dienaren van de heilige Hermandad, met potloden, opschrijf- boekjes en ingewikkelde gezichten. Over het algemeen arriveren vrij spoedig een kraanwagen en een ambulance. De kraanwagen hijst de verwrongen autokarkassen op en smakt ze langs de weg, waar ze nog een paar dagen blijven liggen, de ambulance laadt de brokken vlees in en snelt daarmee weg naar het ziekenhuis. Er gebeuren ontzettend veel ongelukken op Curacao, ik was laatst in het politiebureau en zag daar een kaart van Curacao in het zwart met witte stippen; de witte stippen geven aan waar nog geen ongeluk is gebeurd! 

Wij snorren ondertussen lustig voort, passeren Salinja en moeten helaas bij Dominquito ,vaart minderen tot 40 km, want ver voor ons rijdt de oudste wagen van het eiland, een Ford, merk 1930. Daarachter minstens zes wagens met ongeduldigde bestuurders en dan wij. Voor ons rijdt een Curacaonaar met een dame naast zich. Hij heeft zijn linkerarm uit het portier, de elleboog rust op de rand en de hand houdt het dak van de wagen vast. Dat is de houding hier, linkerhand op het dak, de rechterhand, hou je losjes om het stuur. Wanneer je nu praat met de persoon die naast je zit, dan gebaar je met die linkerhand, zodat de vent achter je niet weet of je gaat stoppen, of naar links of rechts wilt. Vooral vrouwen zijn sterk in dit laatste. Verder is het erg chique, als je veel aanhangsels aan je auto hebt. 

Het summum van fraaiigheid bestaat uit twee verchroomde claxons op de spatborden gemon- teerd, een sprietantenne van minstens drie meter met kronkels, tierelantijnen en een struis- veer er aan, voorts een paar vlaggen op de bumper en een draaiknop aan het stuur, bont gekleurde zijden kussens bij de achterruit en jalouzieŽn of gordijntjes met kwastjes voor de raampjes. Voor chauffeurs van taxi's en bussen achterste en we vervolgen onze weg naar achteruit. Nog vele oude bekenden ontmoet ik, zowel in de longroom, de gouden bal, als de verblijven. En overal moet ik een paar neutjes nemen, zodat ik mij bijzonder monter ga voelen. We blijven ook nog schaften aan boord en het is al twee uur als eindelijk suikeroom mij een wenk geeft om te vertrekken. We nemen een paar lui van het schip mee, die willen gaan winkelen in de stad. Ik voel me enorm loom en zwaar en ondervindt dat het drinken van borreltjes in dit klimaat niet zo ongestraft gebeurt als in Holland.

We gaan terug in een sloepje en de Caraibische zon doet haar best. De lucht trilt van de verzengende hitte en mijn hersens zijn als gesmolten was, dat langzaam uit mijn hoofd wegvloeit. Gelukkig duurt de tocht in het sloepje niet lang en weldra zijn we weer op weg naar de stad, daar aangekomen zet suikeroom ons af bij de Heerenstraat en verdwijnt, om z'n roes uit te slapen. Ik volg in het kielzog van de lui van de "Doorman". Ze zijn zwaar aan het delibereren wat ze moeten kopen. ,.Ja," zegt de een," het eerste wat ik doe, is altijd iets voor moeders kopen, dan heb ik dat gehad en kan verder tenminste de zaak opmaken." "Wel nee man, dat is reuze stom," zegt een maat van hem, "ik koop pas wat in Rotterdam, dan kan het tenminste van het Hollandse katje en ik verpak het in een krant van hier, dan heeft ze het nooit door!" "Die moeders toch," denk ik, "als ze dat eens wisten." 

We slenteren de Heerenstraat door en genieten van de uitstekende muziek die bij "EI Louvre" wordt gedraaid. Er staat een groot bord bij de ingang: "Tien procent korting voor de "Karel Doorman". De winkel staat al vol met braniekragen, die van alles aan het bekijken en kopen zijn voor de familieleden in het verre koude landje. We lopen door en mijn twee metgezellen gaan een klein winkeltje binnen, waar ze worden opgewacht door twee lieve mulatinnetjes, gewapend met hagelwitte glimlachjes.
Dank zij hun overredingskracht gaan we naar de eerste etage, waar honderden jurken hangen en kasten vol met b.h.'s, strapless en niet strapless en nog veel meer heerlijkheden. Er schieten nog een paar meisjes toe, die het geval wel prettig schijnen te vinden. Ik heb gauw door, dat ik hier volmaakt overbodig ben, dus neem ik een sprong en parkeer me in de brede vensterbank, vanwaar ik uitzicht heb op een nauw steegje, dat dwars op de Heerenstraat staat.