OP STAP DOOR PUNDA

 We slenteren verder en slaan rechtsaf de Wolkstraat in: nadat we de Columbusstraat over- steken komen we in de Madurostraat, waar we ongeveer honderd meter verder een dwars- steegje inslaan; daarna gaan we weer rechtsaf en komen in een zeer nauw en schilderachtig straatje.
In het begin van het straatje zijn aan de linkerkant een paar bars met de onvermijdelijke schetterende jukeboxen. We duiken er in en laten wat bier in onze keelgaten klokken, want lieve mensen, wat word je toch gauw dorstig in dit paradijs. Tegenover de bars staan hele oude huizen, dicht tegen elkaar aangedrukt, met overhangende balcons waar de nodige kledingstukken hangen te flapperen aan waslijnen. Het geheel ziet er verwaarloosd. doch bijzonder schilderachtig uit. 

In de deuropening tegenover ons zit een onmetelijk oude negerin met nieuwsgierige glinster- ogen alles gade te slaan, wat er in het straatje gebeurt. Van tijd tot tijd flapt ze met verba- zingwekkende behendigheid een straal speeksel door het luchtruim, die met een klets een paar meters verder op straat kwakt, tot grote verrukking van de Doorman-klanten, die haar toeroepen: "Zet hem op moeder, nog een meter en je hebt het wereldrecord". Boven haar hoofd zit een aapje op een soort standaard de meest afzichtelijke gezichten te trekken tegen één mijner metgezellen om vervolgens plotseling gehinderd te worden door één der duizenden luisjes die over z'n lichaampje rondkrioelen. waarop hij verwoedt gaat zoeken en vervolgens met satanisch genoegen de gevangen delinquent stuk bijt. Op het balcon staan vele planten in potten en er bungelen een stel kooien met kanaries er in, welke laatsten zich niet onbe- tuigd laten en mooie fluittonen in de lucht sturen.

Naast het huisje van het oude vrouwsmens is een zo mogelijk nog ouder en smaller geveltje, met een oeroud uithangbord waarop staat "KOFFIEHUIS BY SJON SAUVAGIE" Onze dorst gelest hebbende, verlaten we de bar en gaan het koffiehuis voorbij, daar we koffie op dit uur van de dag niet toepasselijk en evenmin wenselijk vinden.
Het straatje wordt nog nauwer en donkerder en aan het eind dringen heerlijke geuren onze neus binnen, we lopen namelijk langs de ramen van een Chinese eettent. Iedereen heeft plotseling honger. "Wat ruiken de gebakken Keejen 1) toch heerlijk!" merkt een onzer op, "zijn er nog voor?" Iedereen is er voor, dus duiken we gebukt door de lage deur naar binnen en laten ons aan een der tafeltjes neer zakken in het restaurant van meneer Long Kong.
Een vette zoon van het Hemelse Rijk komt ons glimlachend tegemoet en overhandigt ons een stel groezelige menu's, bestrooid met chinese karakters en soja-vlekken. Na uitgebreide discussies worden de lcempiah's besteld, haaienvinnensoep, tjap tjay en chop suey. 
Als de dampende schotels op tafel staan, wordt het spoedig stil en iedereen is ijverig aan het inladen. 

Plotseling kijkt Jan, die aan z'n laatste loempiah bezig is, vreselijk bedrukt, om niet te zeg- gen ontsteld. Hij haalt iets uit z'n mond en toont het aan de kauwende menigte: een klauw. van een kat!
"Morgen mevrouwtje", zegt de een. "Dat is een loempiah met genotsverhoging", zegt de ander. "Man, die zijn heerlijk", zegt nummer drie, "ik heb er al een paar gehad en ze kraken prachtig tussen je tanden, als je er op kauwt".
Jan kokhalst en houdt opeens niet meer van loempiah's. De eetlust van de overigen neemt toch ook plotseling af en het duurt niet lang of we staan , weer op straat. "Zo Lucky, wat is er nu nog meer loos in deze stad?", wordt mij gevraagd. 
Ik peins hard en krijg opeens een helder idee. "Laten we eerst naar boord teruggaan, om ons te mandiën en te verkleden en dan gaan we daarna naar Chobolobo, dat is een reuze aardige tent, waar je kan tandakken!" Dit idee, wordt met algemene stemmen goedgekeurd en weldra snorren we met onze pakjes Caracasbaaiwaarts in een taxi. 
Het is inmiddels donker geworden en de Doorman biedt een prachtig schouwspel, gelegen in het midden van de baai, met de feestverlichting opgetuigd op et vliegdek, Er is namelijk een grote instuif aan boord vanavond, gegeven door de BDZ, die overgekomen is uit Nederland op een dienstreis.
Ik besluit eens poolshoogte te gaan nemen op het vliegdek, terwijl mijn passagier-maatjes bezig zijn zich te mandiën. Amechtig van het trappenklimmen kom ik boven aan, waar juist het orkest Tipico Moderne" bezig is het nobele lied "Simaraya" ten beste te geven. 
De stemming zit er best in en ik ontwaar al spoedig de BDZ, die met het borrelglas in de linkerhand en een vergenoegd gezicht zijn blikken laat glijden over het feestgewoel. Hij staat te praten met de commandant van de Doorman, plotseling krijgt hij mij in de gaten en roept me. Ik trippel naar mijn vroegere smaldeelcommandant, ga opzitten en geef hem een poot. "Ja Bill", zegt de admiraal tegen de commandant, "Lucky is al een oude bekende voor me, hij maakte zich zeer verdienstelijk aan boord van mijn vlaggeschip". Ik heb zoiets al gehoord van mijn hoofd-machinekamer en van de OBO" antwoordt de commandant, volgens hen had Lucky bovendien een bijzonder zwak voor Franse poedels", zei de commandant, "in het algemeen was hij trouwens wat zwak aan de wal". Hierbij kijkt hij mij aan met de twinkelende ogen van een zeeman, die te lang op zee is geweest. De admiraal lacht en vraagt: "Waar ben je hu geplaatst Lucky?"

Ik ben geplaatst bij de basis en op het ogenblik toegevoegd aan de paai van Michielsbaai, dat is de zweminrichting", zeg ik. Zo zo, dus je hebt een mooi rustig baantje", zegt de admiraal, "en heb je nu al wat kennissen opgedaan aan de wal?" Neen admiraal, nog niet!", lieg ik, denkend dat het beter is hem maar niet te vertellen omtrent Lomelitan. "Nu Lucky, ik hoop dat je hier verder een prettige term zult maken, we komen elkaar nog wel eens tegen!" Met een knikje krijg ik mijn congé.

Op mijn gemak kuier ik over het reusachtige vliegdek tussen de groepjes dansende, pratende en lachende mensen door. Suikeroom is druk bezig op de dansvloer en in een hoekje tref ik het hoofd-machinekamer aan die diep in de ogen kijkt van een Chinese schone. Hij heeft mij direct in de gaten en wenkt, dat ik bij hem moet komen; ik word voorgesteld aan zijn char- mante gezellin, die hij -zoals uit het gesprek blijkt - vroeger al eens heeft ontmoet.
Ik ontmoet nog talloze bekenden en voordat ik het weet is het tijd om naar beneden te, gaan, want ik wil mijn vriendjes die ik naar Chobolobo zal begeleiden, niet laten wachten. 

Heel voorzichtig daal ik de lange statietrap af, ik heb namelijk een klein beetje op en dan wordt ik altijd dubbel voorzichtig. Mijn vriendjes zitten al in de motorschouw, die dansend langs het bordesje ligt. De felle lamp boven aan de valreep, schijnt in het water, zodat ik de bodem kan zien; de kiezelsteentjes en koralen dansen heen en weer op de maat van de golven. Een paar zweetpareltjes verschijnen om mijn neus. "Eventjes flink zijn", denk ik en met een sprong duik ik in de schouw, waar ik word opgevangen door mijn maats. 

Het parkeerterrein voor Chobolobo is eivol. Chobolobo is de enige nachtclub van betekenis op Curagao en bestaat uit een landhuis, dat geheel is opgeknapt en er bijzonder aardig uitziet. Aan de ingang tekenen we het gastenboek; met forse pennentreken zet ik mijn naam onder die van mijn maats. Door de eetzaal komen we in de tuin, die er werkelijk bijzonder gezellig uitziet bij het bonte licht van de feestverlichting. 
De band houdt pauze en een zee van stemmen weerklinkt door de tuin. In het midden is de dansvloer, die wordt omgeven door een soort miniatuurgracht, waarin een eend zwemt met een heel stel piepende jongen. Een eindje verderop waadt een heer met opgestroopte broeks- pijpen door het grachtje en probeert tot vermaak van de toeschouwers visjes te vangen met z'n zakdoek. Het vrouwtje dat bij hem hoort zit enigszins verlegen lachend aan een tafeltje toe te kijken. 
"Jongens, de stemming is er hier wel in", merkt Jan op. We strijken aan het enige nog onbe- zette tafeltje neer en nadat we de traditionele whiskey soda's hebben besteld, volgen we vol belangstelling de verrichtingen van de visser. Deze heeft een dolle pret, grijpt een glas bier van een tafeltje, ledigt het, zegt dank je wel tegen de onthutste eigenaar en gaat weer door met vissen; plotseling maakt hij een woeste sprong en glijdt uit, zodat hij tot aan z'n smoking dasje onder water schiet. Dit schijnt hem te ontnuchteren, want hij krabbelt overeind en druipt letterlijk en figuurlijk af, gevolgd door een woedende metgezellin.

De leden van de band "Estrellas del laribe" verschijnen op het podium en zetten het lied "Awa ta kai" 2) in. De dansvloer stroomt snel vol en voordat ik het weet, zit ik alleen aan het tafel- tje, want mijn beide metgezellen hebben zich elk meester gemaakt van een deerne, waar ze de dansvloer mee onveilig maken. Het ligt mij niet erg, om me op de dansvloer onder de voet te laten lopen, dus ik blijf rustig zitten en neem af en toe een flinke teug van mijn ijskoude whiskey soda. Rustig sla ik het gedoe om mij heen gade. Het is duidelijk te zien dat de bevolking op Curagao tijdelijk vermeerderd is met een kleine tweeduizend man, want overal zie ik plukjes lieden in witte uniformen zitten van de Doorman en er komt nog steeds meer bij ook vanwege alle afzakkers van de instuif aan boord. 

Mijn oog valt op een zeer aantrekkelijk lid van het zwakke geslacht, dat enigszins verveeld zit te kijken; ze is vergezeld van een veel oudere man, die kennelijk de eigenaar is. Haar voetjes, gestoken in opengewerkte goudleren sandaaltjes tikken mee op de maat van de muziek, haar slanke figuurtje wordt op geraffineerde wijze omhuld door een laag uitgesneden cocktail-jurkje en haar gezichtje verraad een zekere ontevredenheid met haar lot. Plotseling verhelderd het; een zoemi 3) van de Doorman komt op haar tafeltje toegestapt en vraagt haar ten dans.

"Zo gaat het in Spanjos meestallos, senorita caballeros", fluit ik tussen mijn tanden, neem een teug van mijn whisky soda en ga voort met mijn observaties.
Een bekend Curacao's fotograaf heeft het bijzonder druk op de dansvloer, ik heb hem al eens eerder gezien. Zijn dansen is het best aan te duiden als "voorwaarts gaan met dijen heffen" en iedereen maakt dan ook ruim baan voor hem. Het mooie vrouwtje komt weer langs, ze is blijkbaar moe, want haar gezichtje leunt tegen haar partner's brede schouders. Haar eigenaar vindt het niet prettig. De dans is ten einde en het stel komt naar haar tafeltje toe.
Blijf je niet gezellig bij ons zitten Ernst"? kirt ze. "Jongens, dat is snel werken", denk ik. Ik hoop niet dat ik stoor", zegt Ernst beleefd tegen haar man. "oh neen, helemaal niet", zegt deze. "Want kan die vent liegen"! denk ik. Mijn metgezellen strijken weer aan ons tafeltje neer. Ik voel me vermoeid en kondig mijn vertrek aan. Niet dan na veel tegenstribbelen kan ik eindelijk gaan. Met een zucht van verlichting stap ik in een taxi die net aankomt en me naar Parera brengt. Ik ben moe, voel me oud en heb weer pijn in mijn zij.

1) "Kee" is de marineterm voor een Chinees. 
2) Het regent. 
3) Een vlieger.