Op reis met Smaldeel V - Schietoefening

 
Met een schok werd ik wakker, een soort doffe dreun had mij ruw uit Orpheus' armen weg- gemaaid. Ietwat verwilderd keek ik om mij heen, de hut was in schemerdonker gehuld, het poortje was geblindeerd en uit de kakafonie van geluiden begreep ik, dat we nog steeds voeren. 
Ik rolde bijna mijn bagagenet uit, een gloeilampje boven mijn hoofd gaf de geest en spatte uit elkaar, een en ander werd mij te machtig, ik sprong uit het net, op de kooi, vervolgens op de grond, zwiepte mijn staart tussen mijn derrière en sloop behoedzaam de hut uit en naar boven.
Toen ik naar buiten keek, kreeg ik een loeiende wind in mijn snuit en begon het schip plot- seling snel te draaien, waardoor het een behoorlijke helling kreeg; beneden hoorde ik allerlei glazen en borden met groot lawaai stuk vallén, ik rolde bijna over dek op hetzelfde ogenblik.

Mijn oren flapperden en ik rook een scherpe lucht, mijn jachtinstinct fluisterde mij in dat dit nu kruitdamp was; ik begon plezier te krijgen in dit gekkehuis, dit was iets interessanter dan de Kneuterdijk en wandelde naar de brug.
Langs de ziekenboeg komende zag ik nog net kans om ongezien een paar oordopjes weg te ratsen, die ik onverwijld in mijn oren klemde, want die klappen vond ik toch wel wat erg hard.
Op de brug aangekomen zag ik een apart schouwspel. In het midden op een soort barbier- stoel zat een kennelijk belangrijk persoon, want hij had veel goud op zijn mouwen, verder stond er een hele stoet omheen; met z'n allen keken ze gespannen met kijkers in dezelfde richting. Een van die lui, hij had een grote neus schreeuwde plotseling in mijn richting "Love dog!" "Ha, die moet ik te vriend houden, die houdt tenminste van honden," dacht ik in mijn onnozelheid. 

Toen ik mij even.. omdraaide, zag ik evenwel, dat kennelijk die hondenliefde op wat anders sloeg, want in deze waanzinnige. wind werden snel een paar vlaggen omhooggesleurd 
Ik viel bijna van mijn staanplaats af (zitplaatsen werden hier kennelijk niet op prijs gesteld).
Nu zag ik duidelijk lange steekvlammen uit de kanons schieten en weer rook ik die scherpe lucht, die me aan de jacht deed denken: "Ha ….Hunter….Heerrrlijk" gromde ik diep achter in mijn keel en ik voelde mijn hormonen in mij rammelen.

"Stuurboord twintig!" 
"Dekkend!" 
"Speed two four!" 
"Down!" 
"Speed two four!" 
"Division answer four answer turn!" 
"Contrasein overal" 
"Uitvoeren!" 
"Down!"
De orders flitsten kanan en kiri, iedereen had blijkbaar wat te zeggen, af en toe werd op vin- nige wijze iemand die kennelijk iets fout had gedaan weer in het gareel gesleurd door de opperste baas in de scheerstoel. 
"Wat een bedrijf, zorg dat je er bij komt", dacht ik.
Plotseling viel mijn oog op een open staande deur in een toren, die midden op de brug stond, ik liep naar binnen en zag daar een heel stel kerels zitten, die door kijkers loerden en aan wielen draaiden.
Een van hen interesseerde mij bijzonder. Aan zijn kleding te oordelen was hij matroos, hij had een vriendelijk gezicht met een paar prachtsnorren en helderblauwe ogen; hij boezemde me wel vertrouwen in dus ik besloot om eens nader kennis te maken met deze orang, wan- neer hij het wat minder druk had.

Ik stapte weer naar buiten en daalde af op het seindek; daar was het volle pannen, vlaggen werden omhoog en omlaag gesleurd en het geklepper van seinlampen was niet van de lucht.
Hier had ik de gelegenheid om eens om mij heen te kijken en nu zag ik een tweetal schepen aan BB op twaalf streken (hoe vinden jullie mijn scheepstermen?), die ook al allerlei vlaggen aan hun ra's hadden wapperen; dit was dus weer een ander gedeelte van het smaldeel.
Ze sloten zich achter de Tromp aan en toen nam langzamerhand de drukte af, een hele mas-sa mensen kwam van de brug naar beneden en kennelijk was het nu tijd voor het eten.

Aangezien eten een bezigheid is, die altijd mijn bijzondere belangstelling geniet, besloot ik maar eens een rondje door het schip te maken. Vooruit zat iedereen aan de bakken, ik had al gauw mijn kennis met de snorren in de gaten.
"Hallo Flippie, maré sini" riep hij.
Ik vond dit niet al te best, Flippie vind ik een intens burgerlijke naam en bovendien ligt Maleis mij niet, ik liet hem dan ook mijn penning zien, waarin zeer duidelijk mijn naam is gekrast. 
Overigens had ik geen spijt van zijn uitnodiging, want er viel nog al wat af.

Via de gouden bal, waar ik even een borrel meepikte, belandde ik bij het achterdekhuis. Ik was hier nog niet binnen geweest, het zag er zo voornaam uit. ,Smaldeelcommandant" stond op de deur.
,Aha", dacht ik, dus bij hem ben ik blinde passagier geweest. Voorzichtig sloop ik naar bin- nen en kwam in een ruim vertrek, de heren zaten aan tafel, de commandant, die ik al eerder op de brug had gezien zat ook aan en nog iemand, die uit het gesprek de Chef Staf bleek te zijn. Het gesprek ging over Stockholm. 
Dit nu leek mij bijzonder interessant, dus bleef ik nauwlettend luisteren. Weldra werd het mij duidelijk, dat de reis naar deze schone plaats voerde; mijn hart ging wijd open, want ik had al eens eerder van collega's op de Vijverberg gehoord dat in het bijzonder de vrouwelijke bevol- king aldaar zo aantrekkelijk is.

Verder hoorde ik, dat de omstreken er bijzonder mooi moeten zijn en dat er diverse feesten zouden worden gegeven voor de opvarenden van het smaldeel.
"Hoge pit" dacht ik, liep door de gamelle naar buiten toen de hofmeester juist aan het bedienen was, zodat ik net de tijd had om een "hoog fijn" stukje roast-beef mee te sleuren.
Ik wilde weer naar mijn hut gaan, toen ik evenwel door een stel officieren werd opgemerkt, die bij de bar stonden. "Hier Joseph" werd er geroepen.
"O, heden, daar is het weer van optappen", dacht ik, want eigenlijk was ik erg moe zo langzamerhand. De officier E.I. stond achter de bar en schonk me een borrel onder mijn neus.
Alras begon ik mij een stuk beter te voelen. Ik moet zeggen, dat de stemming zeer geani-meerd was. Eén hunner haalde een doedelzak te voorschijn en al spoedig gingen wij in optocht een ronde over het halfdek maken, muziek voorop en ik luid blaffend er omheen.
Tegen middernacht liep het feest langzamerhand ten einde. De G.I.officier zei, dat hij maar gauw naar kooi ging, vanwege de nachtelijke ontmoetingsoefening, die de volgende dag zou worden gehouden. 
Dit leek me ook interessant, ik had wel eens een dergelijke oefening op de Vijverberg en de Kneuterdijk gehouden, maar nog nooit op zee.
Ik wenste het gezelschap beleefd welterusten en zwaaide mijn hut in; was zo vermoeid, dat ik maar amper de sprong naar mijn net kon halen. Weldra sliep ik als een blok hout. 
Mijn slaap was die eens rechtvaardige.