TERUG IN CURACAO

 
Lanzaam verwijdert Hr. Ms. „Willem van der Zaan" zich van de pier, waar we bijkans een week hebben gelegen. Op de kade staan een troep „teen-agers" te zwaaien met zakdoeken en een der meisjes huilt een beetje. Een der derde klassers krijgt op z'n kop van z'n vrien- djes: „Wat heb je dat kind allemaal voorgespiegelt man?" „Wat heb je met haar gedaan?".

„Een rotstreek hoor, om dat arme kind zo van streek te maken, hadden we niet van je ge- dacht!". Het slachtoffer verweert zich half blozend tegen deze aanvallen. ,Dat heeft je vader je vast nooit geleerd" merkt een der oudere collega's op, die blijkbaar onder die vader heeft ge- diend, die n .l. ook in de Marine is.

Ik zit op het hoekje van bakboordsbrugvleugel en kijk hoe allengs de figuurtjes op de kade kleiner worden. Het is guur weer en een fijne motregen miesert naar beneden. De sleepboot gooit los, we zwaaien bakboord uit, de schroeven beginnen hun rondedans en de wuivende figuurtjes op de kade schuiven langzaam uit mijn gezichtskring. Alleen aanvaarden we de terugreis naar doesji Corsou, H,ant de Ceram is ons al drie dagen vooruit. Het is bijzonder gezellig in de longroom, deze avond van de vertrekdag. Hoewel het guur is, is de zee rustig en glijden we comfortabel naar het zuiden. De knobelkeien kletteren op tafel, de glazen zijn gevuld en bijna iedereen is aanwezig. Suikeroom vertelt allerlei verhalen over het eskader, dat voor de oorlog in Indië rondvoer. In die tijd had men nog boordvliegtuigen, zo had bijvoorbeeld de „Java", waar ik op diende, weer C XI W's aan boord zegt suikeroom. 

„De jagers hadden er elk een ………" „lk herinner me nog dat op een van die jagers een enorm norse commandant zat, er mocht daar niets aan boord en ales was even zuur. 
Op een goeden dag stond een vliegtuigma­ker op parade, omdat hij had gelachen.

De commandant verbrak de ijzige stilte die op de brug heerste en zei tot de vliegtuigmaker op beschuldigende toon: „Vleugelmans jij hebt gelachen"! „Ik commandant op dit schip?.. . Onmogelijk……was het verwonderde antwoord. „Hij kreeg vijf dagen", besloot suikeroom zijn verhaal. „Ook herinner ik me nog de keer dat we met “de Ruy­ter” in frontlinie voeren, door de .Saleh -baai. Het was prachtweer, zoals gewoon­lijk in de Oost, de tenten waren opgetuigd en alles was even rustig en vredig, het was bovendien die middag lappen naaien. 

Ik liep toen nog ondergeschikt de wacht op de brug onder een Ltz. II die thans ook nog in de Marine is, zij het dan ook versierd met eikenloof. Wij derde klassers in de nor hadden toen al in de gaten, dat hij wel zijn eikenloof zou krijgen, want hij had een combinatie van twee eigenschappen waar je het in de Marine ver mee brengt; hij was namelik pienter en lui. Dat hij lui was, blijkt reeds direct uit mijn verhaal, want hij zat op het zadel van B.B.’s nacht-richt- toestel (de Ruyter was aan SB) te knikkebollen. Hij had tegen mij gezegd: „Je hebt 'm". Dus ik was in feite alleen op de brug en voelde de verantwoordelijkheid zwaar op m'n schouders drukken, die toen nog slechts van een streep waren voorzien.

Ik speelde dus zoet met de peilkompassen en hield braaf de plaats van het schip bij, gaf zo af en toe „vijf klapjes meer" of „vijf klapjes minder” naar de machinekamer, om op post te blijven en vond dat ik het eigenijk verdomd aardig deed. Ook zo echt rustig, de kolonel in kooi, mijn chef op BB brugvleugel bijna in slaap ......Om kort te gaan, geen vuiltje aan de kim. Plotseling werd echter mijn gemoedsrust wreed verstoord. Aan boord van de Ruyter, die de standaard van de eskadercommandant voer, begon een seinlamp te flitsen naar ons. Ik las mee.

………van EC' aan JVA = verzoekte beter letten op tenue aan dek = 1511".

Opeens voelde ik me weer een kleine derde klas. Ik keek schuins naar BB's brugvleugel, waar mijn chef rustig knikkebolde. Vervolgens liet ik snel de onderofficier van de wacht roe- pen en gaf hem opdracht een rondje te maken en alle zonnebaders naar beneden te sturen. Wat stom van mij dat ik er niet aan had gedacht dat de EC zo fel was op tenue aan dek! 

Maar vijf minuten later kwam de bootsman terug en rapporteerde me dat hij overal was ge- weest en dat er niemand aan dek was behalve de wacht, die keurig in tenue was. Ik begreep er niets van en keek hulpeloos naar het vlaggeschip, alsof daar het antwoord vandaan zou komen. En ja hoor, daar begon die vermaledijde seinlamp weer. „van EC aan JVA - gij dient sneller gevolg te geven aan mijn order" „Lust je nog peultjes", jammerde ik binnensmonds en wilde mijn chef erbij halen, deze had echter als geroutineerde Officier van Wacht dank zij zijn zesde zintuig onraad gevoeld en begaf zich naar stuurboordsbrugvleugel. „Wat is er loos"? vroeg hij, zich de slaap uit de ogen wrijvend. Ik vertelde hem het gebeurde. „Natuurlijk een streek van de EC1" zei hij, zijn kraagknoopjcs dichtmakend. (Toen droeg men nog lang wit aan boord). Hij ging naar het stuurboordsrichttoestel, deed de klep van de kijker omlaag stelde in voor maximale vergroting (28 maal) en tuurde naar het vlaggeschip.

„Kom hier vierde klas en kijk", zei hij mij achter de kijker duwend. Ik keek en zag verrassend dichtbij de campagne van de Ruyter door het dra­denkruis zweven. Een eenzame figuur stond bij toren drie naar ons te kijken door een prismakijker, op 's mans schouderbedekkingen zag ik een ontelbaar aantal strepen! „Wat zie je suffie?" „De eskadercommandant meneer", hij bespied ons door een kijker!"Waar kijkt hij naar"? „Het lijkt wel of hij omhoog kijkt meneer" Op dat moment liet de eskadercommandant zijn kijker zakken en zelfs op deze afstand zag ik een grijns van vergenoegen op z'n gelaat. „Wat ga je nu doen suffie”? vroeg mijn chef. 

Hij hoefde me niets meer te zeggen, want ik klom de gevechtsmast al in, overpeinzende dat mijn chef inderdaad niet alleen lui, maar ook pienter was. En ik maar klimmen!

Het zoeklichtbordes was verlaten, dan was er nog maar een kans; de mars. Ik keek eens om me heen, het was hier torenhoog. Op de campagne van het vlaggeschip zag ik een eenzaam wit figuurtje naar me staren. ,Die lacht zich rot", dacht ik. Ik klom de laatste vijf meter en be- landde op het bordes om het marshuisje waar het centrale richttoestel instond. 

Niets te zien…………Onder mij zag ik twee grote schoorstenen hun rook uitbraken. Ik wilde weer naar beneden gaan, toen er opeens iets op mijn hoofd viel, dat daarna op het bordes neerplofte……….een pompoesje! Ik klim op het hekwerk van het bordes (30 meter boven dek) en steunde mijn handen tegen het marshuisje en ja hoor, daar lag hij in zijn volle lengte op het marshuisje.….de luitenant van de mariniers, tevens of­ficier van het benedenschip, met even­ veel aan als toen hij ter verlostafel verscheen! Uit wraak gaf ik hem een behoorlijke ruk aan zijn teen. Eerst kwa­men er een hoop woorden die ik op grond van artikel 1 A R.K. hier niet kan vermelden en vervolgens eindigde het met de bewering dat hij er een bij­zonder arm gezicht van trok, door iemand met zo weinig dienstjaren op zo'n manier te worden gewekt. 

Ik antwoordde slechts door naar het vlaggeschip te wijzen. O", zei de Luitenant, schoot z'n pendekje aan en z’n badjas en verdween snel naar beneden. Ik er achter aan. Op het seindek gekomen zag ik de twee seiners haastig een grijns verbergen. De oudste kwam naar mij toe,

groette akelig model en duwde me een briefje in de hand. ,Sein van de Ruyter meneer"! Ik las: Van EC aan JVA = Uw Officier van de Mariniers wijzen op eskader order 27 inzake tenue aan dek =”. Aldus eindigt suikeroom zjn ver­haal. „W ie was die Officier van de mariniers"? vragen diverse leden van het gezelschap. ,Neen, dat is niet fair, dat kan ik niet zeggen", zegt suikeroom " want hij is nog m het korps"! De hofmeester komt binnen en vraagt of er nog eitjes gekookt moeten worden. Met een order van 17 telorren verdwijnt hij weer. ,Laten we om de eieren knobelen" zegt de eerste Officier. Dit plan vindt beval en weldra klinken de knobel- keien weer. De Officier van Administratie blijkt de sigaar te zijn voor het eerste rondje. Na tafel ga ik nog even naar de brug om eens poolshoogte te nemen. Onwennig in de inktzwarte duisternis tast ik men weg naar de brugvleugel en wip daar op men vertrouwde plaatsje, het bankje aan de windwering. Een paar lichten aan de kim wenken uit en aan, dat is alles, verder niets dan zwart.

 Twee schimmen duiken naast mij op; de Officier van de wacht en de navigator. Ik heb het weerbericht in de kaartenkamer op de plottafel gelegd", zegt de laatste. ,Hoe is het"? „Vuile rommel, niets anders dan storm warnings bezuiden kaap Hatteras we moeten er op het eind van de hondenwacht in raken", zegt de navigator. „Fijn daar heb ik dan niets meer mee te maken". Het lijkt er dus op, dat de adelborst codedienst eindelijk zijn zin krijgt! Na nog een uurtje op de uitkijk te hebben gezeten, ga ik naar de hut, waar ik suikeroom bezig zie vellen vol te schrijven voor het “exercise report”. „Hij liever dan ik, denk ik en met een zucht van verrukking rol ik me op in mijn bagagenet.

In het holst van de nacht wordt ik wakker, doordat ik telkens ergens tegen aan bons met mijn rug. Eerst besef ik met mijn slaapdronken kop niet wat het is; het is donker in de hut en ik kan suikerooms ademhaling duidelijk horen. Boems!!!!! De scheepshuid krijgt een doffe dreun en ik hoor water druppelen in het lekbakje onder de patrijspoort. Eindelijk komen we dus aan onze trekken! Telkens wanneer het schip zijn neus in de golven boort, bons ik met mijn rug tegen de wand. Met een zucht ga ik verliggen en zie nu ik aan de duisternis ben gewend, het hoofd van suikeroom dwaas heen en weer bewegen met de slingeringen van het schip. Aan de flauw oplichtende wijzers van zijn polshorloge zie ik dat het half vier is. 

Heerlijk, nog een paar uurtjes snurken! Wreed klinkt het overal mij enige uren later in de oren. Ik probeer uit m'n bagagenet te springen, maar dat valt niet mee, want het schip gaat nu werkelijk hard te keer. Gelukkig helpt suikeroom mij een handje. Ik ben nog niet bij de drem- pel in de deur gekomen of het schip krijgt zo'n hevige opduvel, dat ik domweg van m'n korte pootjes rol, helemaal naar de andere kant van de hut. Mistroostig krabbel ik weer overeind en wip de gang in over de hoge drempel in de gang. Als een dronken man slinger ik heen en weer en ik ben totaal uitgeput als ik eindelijk aan het dek ben om daar aan lijzijde mijn pootje te lichten. (Ik ben een getrouwe aanhanger van het rijmpje: Aan loef loden en vissen, Aan lij kotsen en ……. ). 

De terugtocht is gemakkelijker, vooral door de lucht van gebakken spek, die mij bij het trap- gat tegemoet stijgt. Toch zijn niet zoveel klanten als gewoonlijk om de met stormlatten versierde ontbijttafel. Het hoofd MK kijkt ietwat afgunstig naar de adelborst codedienst, die met de eetlust van een gezond dier in zijn boterham met gebakken spek bijt. Zijn fototoestel ligt op tafel en zijn ogen glinsteren van de pret bij het idee dat het storm is en dat hij zo direct hoge golven kan fotograferen. Zo af en toe kinkt er een doffe bons en wordt het licht uit de poortjes groenig door het water dat er overheen slaat. Ik moet zeggen, dat het ontbijt mij ook opperbest bevalt, ondanks de heftige bewegingen van het schip. De radio staat aan en geeft een nieuwsoverzicht in het Amerikaans. „The president returned from his holiday trip to the white house to day. He received a deputation of the American Federal him about the future price policy of Housewyves association who questioned household materials. Moskow……. It was reported from the Kremlin that mr Stalin passed away durin the night The supreme soviet counsel will assemble for an emergency meeting to day ......” en zo dreunt de stem van de omroeper door.

 „Alle mensen zeg, hoor je dat, Stalin is dood", roept de OB Officier uit. Een levendig debat ontwikkelt zich en ik vind dit een geschikt moment om er tussen uit te knijpen en naar de brug te gaan. Voor mij uit loopt de hofmeester die zo juist aan tafel bediende. „Zeg heb je het al gehoord, Stalin is dood!" zegt hij tegen een matroos die voorbij loopt. Een stoker die bezig is het drinkwater te peilen en de woorden opvangt, kijkt zichtbaar verschrikt op en zegt tegen de kok die even later voorbij komt: „Zeg heb je het al gehoord, Snellen is dood!" „Asjemenou, man, dat kan niet, hij was gisteren nog kerngezond!" ,Jawel, echt waar, ik hoorde het een hofmeester van de Officieren zeggen!" „Nee, wat erg",

zei de kok hoofdschuddend", de eerste Officier dood, zo heb je niks en zo leg je d'r onder, dat komp van al die virusse die ze teugewoordig uitvinde !" Hoofdschuddend en mompelend in zich­ zelf loopt hij naar de kombuis. Ik realiseer mij dat ik hier tegenwoordig ben bij de ge- boorte van een „kombuispraatje", iets dat men maar zeer zelden meemaakt. Vlak bij de in- gang van de kombuis komt hij de barbier tegen en draait daar weer het verhaal af.

"Het is toch wat", zucht de barbier", Meneer Snellen dood, wie had dat…….". 
„Kunnen denken zeker he? klonk de vrolijke stem van de heer Snellen, de eerste Officier, die lachend uit de kombuis stapte en de laatste woorden van het gesprek had opgevangen. Twee onderkaken zakten naar beneden. „Gaan jullie maar vlug aantreden, het is tijd voor baksge- wijs en niet voor kombuispraatjes!" "Geeft Acht" blaast de tamboer. „Geeft!!!! Acht!!!, com- mandeert de officier van de voormiddag. Iedereen klapt in de houding en ik kijk geintrigeerd toe, hoe alle hens er in slaagt, ondanks de heftige bewegingen van het schip toch stram te blijven staan. 

Na het baksgewijs maak ik mijn dagelijks rondje over het schip, daarbij mijn vrouwelijke col- ega Ulucky niet vergetend, die met waterige oogjes achter de lessenaar van de onderofficier van de wacht op een jutezak ligt. Ze heeft kennelijk last van zeeziekte, want ze kijkt erg dul en knippert zenuwachtig tegen het schelle daglicht. „Niets mee te beginnen concludeer ik en bestijg het seindek, waar de adelborst codedienst al druk met zijn kiektoestel zit te knut- selen. De zee biedt van hier werkelijk een imposante aanblik. Machtige waterbergen komen aanrollen, opgezweept door een keiharde wind, die mij bijkans van het seindek rukt. Vervolgens storten de waterbergen zich op het voorschip. Soms gaat het goed en glijden we er overheen, maar vaak komt de waterberg net aan als onze boeg naar beneden smakt. Dan gaat er een doffe bons door het schip, twee waterbuizen spuiten uit de kluizen en een watergordijn stijgt omhoog, dat daarna door de wind tegen brug en seindek wordt opgesmakt. Moeizaam richt „Ouwe Willem" zich dan weer op en ploegt verder. 

De Adelborst codedienst gilt telkens van enthousiasme als er een extra grote golf aankomt en fotografeert dan de watergordijnen. Als ik naar beneden ga en op de brug beland, zie ik dat we koers veranderen en de zee daardoor wat meer dwars in krijgen. Jongens, wat gaan we nu slingeren. Bij de eerste schuiver dwarsuit die we maken, hoor ik overal door het schip dof gebons van omvallende voorwerpen en gerinkel van brekend glaswerk. .,Het werkbriefje valt", prevelt de roerganger, die moeite heeft te blijven staan. 

De commandant verschijnt op de brug en geeft de Officier van de wacht order om voorlopig nog de oude koers voor te blijven liggen, hetgeen inderdaad een hoop comfortabeler is. Tegen de avond zwakt de storm vrij snel af en hoewel het nog ruw weer is, hoef ik me niet meer aan alles vast te klampen om op de been te blijven. Twee dagen later glijden we door de Mona passage onze Caraibische vijver weer binnen en die avond horen we voor het eerst warempel de Curom weer, die de uitstekende Curacaose wals , Poncke crema" ten beste geeft. Ik voel me deze avond niet zo in de stemming, waarschijnlijk heb ik iets onder de leden, want ik heb een pijnlijk gevoel in m'n botten en mijn ogen branden in hun kassen. 

De overigen zijn in beste stemming, want de OVA heeft een stuk meegenomen, dat te Norfolk met de dienstpost aan boord is gekomen. Het is de beschikking nr. 3259865/129813 van 21 December 1952, die plechtig door de taris wordt voorgelezen onder luid gejuich van de menigte. Uit het stuk blijkt, dat we al een maand lang een fregat zijn zonder dat we het weten. „Wat eeuwig zonde, hadden we dat maar voor de oefening geweten, dan hadden we nog wel een subje gevangen ook!", schreeuwt de OB'r. „Nou in ieder geval hebben we van het fregat „het gat" al en dat is dan ook ongeveer alles", brult de navigator van het lachen, doe- lend op onze achtersteven (van het schip), waardoor we in Guantanamio voor een walvis- vaarder waren versleten door het publiek. Met algemene stem­

men wordt besloten om te drinken op het gat van onze brave praam met zijn onvermoeibare armen en benewerk in de vetput. Twee dagen later krijgen we op de dagwacht Bonaire in zicht en de ons zo vertrouwde contouren van de koude Klip van doesji Corsou. Op de kop af om twaalf uur gaan we rond Punt Kanon en zien we een tweetal zoemi’s­ van het squadron laag over het wa­ter op ons afkomen, vlak voor ons trek­ken ze op een even later duiken ze van grote hoogte weer op ons neer. We zijn weer thuis. Voor de St. Annabaai lummelen een paar grote tankers rond en het pretschip “Del Mar" van de Delta-line; de brug is kennelijk nog niet open. 

Vele kijkers worden op seinpost van Fort Nassau gericht en wel vier lui roepen tegelijk „Groe- ne vlag, zwarte kegel en vlag aan”, de tekens die aangeven dat de brug open is, voor scheep- vaart naar binnen en dat het oorlogschip voorrang heeft. Langzaam stomen we binnen. Op de fortmuren van het waterfort staat een figuur in het wit, kennelijk de stafofficier van de wacht die een kijkje komt nemen. Een eind verder bij de saluutbatterij staat de gewapende wacht aangetreden, duidelijk herkenbaar door hun witte helmen. Op het gouvernementhuis waait de Nederlandse vlag met de drie witte ballen in het rood, ten teken dat zijne excellentie op het eiland is. Op het gouvernementplein staan een aantal vrouwen te wuiven, die daarna naar hun auto's rennen om zodoende nog sneller op de basis te zijn dan wij, zodat ze manlief met open armen op de steiger kunnen ontvangen. 

De handelskade aan stuurboord en het Brion-plein aan bakboord staan vol met een onaf- zienbare queue auto's die staan te wachten op de brug, daar tussen door krioelt een bonte mensenmenigte; oude surinaamse vrouwen, uitgedroogd tot op het gebeente en een sigaret smokend met het brandende eind in de mondholte, jonge deernen met deinende heupen en laag uitgesneden jurken, vette lands-kinderen met manden op het hoofd en luid kwakende stemmen, brutale kerels in opzichtige bojo shirts en met jockey petjes op, Chinezen, Portugezen, Bombayers, kortom van alles, de duvel en zijn mama incluis. En daarboven de gevels van de gebouwen in bonte rij, Club de Gezelligheid, Havenkant, All America; langzaam glijden we er voorbij.