TER VISSERIJ INSPECTIE

 
Zuchtend van genot stapte ik uit mijn bad van warme ezelinnemelk en laat door mijn favoriete marva - het kind lijkt sprekend op Silvana Pamponnini - mijn dampende lijf in een grote bad- handdoek wikkelen. Daarna leidt ze me voorzichtig naar de masseertafel, waar ik word uit- gestrekt en door haar stevige vingers word gekneed en gemasseerd. Ik kreun van zaligheid als ze mijn nekspieren bewerkt en daarna zachte stompen op mijn schouder geeft, die ze geleidelijk harder laat worden.….. steeds harder.……!

„Donders wat brutaal van dat kind, ze wordt me toch te vrijpostig de laatste tijd!"

Met een nijdige ruk draai ik het hoofd om en wil boos tegen haar uitvallen, als ik in de lachen- de ogen kijk van de havenroerganger, een reusachtige grote en dikke kwartiermeester.

„Schiet op Lucky, het is vast snurken, er is zo juist meerrol gefloten!" zegt de havenroer- ganger al grinnekend. Moeizaam hef ik mijn slaapdronken lijf van mijn favoriete plaatsje bij de kachel in het stuurhuis, rek mij eens flink en hartstochtelijk uit en ik ga naar het mitrailleur- dek om het vertrek gade te slaan. Het weer is nu eindelijk opgeknapt en er staat veel publiek op de Parkkade naar ons te kijken. Tientallen vrijwilligers helpen ons, als de trossen en springen los moeten worden gegooid en voor we het weten zijn we al midden in het vaarwater en op weg naar zee.

Nu zal dan toch eindelijk de visserijpolitie beginnen, waarvan ik al zoveel heb gehoord, het pingen in Portland is afgelopen en in plaats van de handgranaten en de OB'ers hebben we nu een dominee aan boord en een radiotelegrafist van het hospitaal-kerkschip De Hoop, dat nog niet gereed is voor de vaart. Het weertje buiten is niet gek en zacht deinend als een grote wieg, zet Hr. Ms. Wolf koers naar de Doggersbank, nadat we brulboei blaas hebben gepas- seerd. Het sein voor verlaatrol klinkt door het schip en uit alle hoeken en gaten komt het personeel aan dek, om aan te treden bij de sloep of de vlotten. Ik ben ingedeeld bij de motor- sloep, dus met een zucht daal ik de trappen af, naar het dek en dribbel naar de plaats waar de bemanning van die sloep staat aangetreden. „Volgende keer sneller aantreden Lucky en niet zo je frisse tegenzin tonen!" is het commentaar van de schipper. „Geeft acht"...

De schipper verdwijnt naar de brug om te rapporteren, dat alles present is, behalve zij die er niet zijn. Ik wil even omkijken om iets tegen mijn maat te zeggen, doch.….„Voor je kijken als je in de houding staat!" klinkt de stem van de commandant van de brug, die met arendsogen de zaak in de gaten houdt. Daar mag ook niks meer tegenwoordig!" denk ik en blijf met droef knipperende oogjes gelaten voor mij uitkijken. Gelukkig duurt het niet lang, totdat het fluitje van de schipper ons vertelt dat wij kunnen inleggen.

Tussen de bedrijven door is het tijd voor theewater geworden en ik daal dus af naar het dag- verblijf om mijn portie te halen. Daarna ga ik door naar de longroom, om te zien of er nog iets afvalt bij de borrel. De jongste officier - pas aan boord geplaatst - luistert met een eerbiedig gezicht naar de voedingsofficier, die hem vraagt, waarom een marine-eenheid altijd tenminste een bemanning van 5 koppen moet hebben. De nieuweling blijft natuurlijk het antwoord schul- dig, waarop hem wordt verteld, dat één man niet kan commanderen, met twee man men patience speelt, met drie man men zich onmiddellijk in een commissie verenigt, bij vier man wordt er gebridged, zodat pas bij vijf man er een overbluft voor de werkzaamheden. 
De nieuweling knikte bewonderend, de dominee kijkt alsof hij nog niet helemaal door heeft, of hij met een stel gekken te doen heeft of niet en de commandant zegt tegen de hofmeester: „Vraag wat of de heren willen drinken." Van dit moment dat ieder naar de hofmeester kijkt, maak ik gebruik om een stuk cervelaatworst van het schaaltje te nemen.

De, commandant vertelt dan naar aanleiding van het feit dat de jongste officier een coca cola bestelt hoe gevaarlijk of dat wel kan zijn. Er was n.l. een Nederlands onderzeebootcom- mandant in de afgelopen oorlog die aan een bar zat, ergens in Australië en daar een coca cola bestelde, waarop bij het openmaken het flesje sprong, zodat hij een oog verloor en twee glazen ogen moest bestellen. „Waarom twee?" vraagt de dominee. „O, het ene was gewoon en het andere met bloed doorlopen, dat zette hij pas in na middernacht aan de bar!"

De dominee is er nu zeker van dat hij met een stel gekken te doen heeft en toont dat hij veel mensenkennis bezit, door tegen de hofmeester te zeggen: Vraag nog eens wat de heren willen drinken!" „Per slot van rekening ben ik er voor om geestelijke..., pardon om geestrijke hulp te bieden" voegt hu er aan toe. En hiermede heeft de dominee het gewonnen. deze slag is onbetwistbaar voor hem, hij is lid van de longroom. De verhalen komen nu los.

Een der officieren, wiens vader indertijd divisiechef was bij de Kweekschool voor Inlandse schepelingen (KIS) in Makassar, vertelt diens favoriete verhaal uit die glorierijke periode van onze marine. Z'n pa was officier van de wacht en wilde net naar kooi gaan, toen de Inheemse onderofficier van de wacht zich meldde en zei: ,Toean.. ada orang disini, jang bilang ada banjuk soesah di kota! “ Mana itoe orang!"

Een verschrikt uitziend jongmens trad naar voren en vertelde dat er moeilijkheden waren in het circus Harmston (dat toen een tournee maakte door de Archipel), doordat een groep mariniers zich misdroeg. Door een nader onderzoek bleek vrijwel het gehele detachement mariniers de wal op te zijn, uitgezonderd de onderofficier van politie; een sergeantmajoor met een buik vol dienstjaren. Deze werd opgemand en naar de stad gedirigeerd met de opdracht „een onderzoek ter plaatse in te stellen en het nodige te verrichten". Het procesverbaal van de commissie van onderzoek, dat later „op mondelinge last" van de commandant werd ingesteld, was zeer lezenswaardig, in het bijzonder de verklaring van de onderofficier van politie, die hier ten dele volgt.…..„Ik begaf mij naar de aloon aloon, waar circus Harmston was opgesteld en daar ik niemand in de kassa aantrof, ging ik naar binnen zonder een kaartje te kopen. Daar constateerde ik grote vrolijkheid onder het publiek. De trapezes waren vol met leden van het korps mariniers, die aan hun knieën hingen het hoofd naar beneden en de stormband om, opdat hunne hoofddeksels niet zouden vallen.

Twee clowns lagen bewusteloos in de arena, het orkest speelde onder de bekwame leiding van de tamboer maitre een fanfare en een olifant was bezig het terrein te ontruimen. Bij de uitgang naar de wilde-dierenkooien liep de directeur van het circus handenwringend heen en weer.

Uit de richting van de kooien hoorde ik een dof gebrul, zodat ik mij daarheen begaf en con- stateerde, dat een tiental mariniers bezig was een aftandse oude leeuw naar buiten te trek- ken, onder leiding van de korporaal, die het dier toeriep:

„Kom d'r uit potverdomme lamstraal, orang, blandah tida takoet, althans woorden van der- gelijke strekking. Ik heb mij toen wederom naar het orkest begeven en eerst de dirigent bevrijd, die met zijn hoofd in de Turkse trom knijp zat. Vervolgens gaf ik de tamboer le klas Pieterse mondelinge last mij te volgen naar het midden van de arena met zijn hoorn, waarna ik hem sommeerde ongewapend appèl te blazen. Nadat ik aldus de troep had doen aan- treden en door ruiken van hun adem constateerde dat zij onder de invloed wanen, liet ik hen afmarcheren onder luid protest van het publiek..."

Na dit verhaal gaat iedereen aan tafel en ik trek me bescheiden terug in de garnelle. Zelfs hier, ondanks het zoemen van de fans en de ijskast kan ik horen, dat men in de radiohut een nieuw kanaal heeft bezet: de visserpgolf. Onafgebroken wordt er gepraat op deze verbinding en als het avondaal is afgelopen wil ik net de trap opklimmen naar de radiohut, als de tele- grafist al naar beneden komt en de hofmeester vraagt: Of de dokter effe in de radiohut kan komen, want er is een visser aan de lijn, die graag medisch advies wil hebben". De dokter is echter nergens te vinden, noch in de ziekenboeg, noch in zijn eigen hut, noch in de long- room.

Nieuwsgierig tippel ik achter de commandant aan, die dan zelf maar met de visser zal gaan praten. Juist wil hij beginnen, als er van de bovenbrug wordt opgebeld om te zeggen, dat de dokter in de stuurhut is, bezig om het echolood te repareren.

„De dokter het echolood repareren?" mompelt de commandant verbijsterd, „wat zullen we nou hebben!" En hij rent verschrikt naar boven, op de voet gevolgd door mij.

In de stuurhut wacht ons een zonderling schouwspel. De dokter staat in z'n hemdsmouwen, z'n gezicht vol met zwarte vegen temidden van een aantal knopjes, stangetjes, lampen en wijzers, die eens tezamen het echolood hadden gevormd.

Voor de roerganger is nauwelijks meer plaats. De dominee staat er met een geinteresseerd gezicht bij en zegt verheugd: „Hij heeft het helemaal uit elkaar gehaald commandant!"

„Dat zie ik," zucht deze vertwijfeld, „was dat nu wel nodig dokter?" De dokter, die nog maar een week aan boord is, zegt geruststellend: „Het is niet zo erg als het lijkt commandant, het ding heeft nooit goed gewerkt en ik speel thuis vaak met radio en dacht daarom dat ik dit dan maar eens zal maken!" Ik hoop, dat je gelijk hebt, maar nu als de wind naar de radiohut doc- teur, want er is volk voor je!" Jawel commandant!" Ik dribbel mee met de docteur.

De luidspreker is ijverig aan het gorgelen van alle luchtstoringen, af en toe onderbroken door stemmen var, vissers, die elkaar wat te vertellen hebben. De telegrafist van de wacht neemt de microfoon in de hand en drukt op de knop: Hallo, Pieter Leendert Huibert, hallo. Pieter Leendert Huibert hier Hare Majesteits politiekruiser Wolf hoe ontvangt U mij, hoe ontvangt U mij... over!„ ... Hallo hallo hallo... hallo hallo hallo... ja politiekruiser Wolf hier Pieter Leendert Huibert ik versta je goed hoor... is de dokter daar?" Ja Pieter Leendert Huibert hier is dokter zelf... wat is er aan de hand?" 
Nou dokter ik heb hier een jongen en die z'n vinger is een beetje opgezwollen, het doet wat pijn en nu dacht ik zo misschien kunt U morgen effe komme kijke!" „Ja dat is goed schipper, waar ben je morgen bij het halen van de vleet?".. En zo gaat het gesprek nog enige tijd door, met als resultaat, dat we morgen omstreeks negen uur bij de Pieter Leendert Huibert zullen zijn, die precies in het Devils Hole ligt.

Als laatste raadgeving wordt de schipper gezegd om twee vlaggen te hijsen bij in zicht komen van ons, zodat we hem makkelijk temidden van de massa kunnen herkennen. De schipper heeft om de hoek van de deur staan meeluisteren. Dat betekent een braaitje commandant!"

.,Juist schipper, laten we het hopen, we zullen de sloep maar strijken morgen, dan kunnen we meer meenemen dan in het vlotje." „Jawel commandant en dan zullen we matroos Ouwe- hand meesturen, want de schipper van de Pieter Leendert Huibert, de Katwijk 3, is een oom van hem. En zo gaat ieder weer zijns weegs en hebben we ons eerste karweitje te pakken.

Ik ga nog even naar de brug om va!. het mooie weer te genieten. De schemering is aan het vallen en aan de volmaakt wolkeloze hemel zijn al heel wat sterren te zien.

De officier van de wacht is bezig sterrejes te schieten voor oefening en aan de kim worden de lichtjes van vele vissers zichtbaar, al zijn het dan nog niet de drijfnetvissers, die veel meer om de Noord liggen aan gindse zijde van de Doggersbank. Ik besluit dat mijn persoontje hier ver- der op de brug volmaakt overbodig is en daal af naar de stuurhut om m'n tampat op te zoe- ken. Tot mijn stomme verbazing vind ik daar het echolood alweer zo goed als geheel in elkaar gezet. De dokter is nog steeds druk bezig, zijn ogen glinsteren van enthousiasme.

Morgen komt hij klaar," zegt hij glimmend van voldoening, pakt z'n gereedschappen bij elkaar en verdwijnt naar z 'n hut. De rust daalt over het schip, het is nu elemaal donker geworden en temidden van nijver trekkende vissers banen we ons een weg om de Doggersbank. Het is een grappig gezicht al die door elkaar krioelende lichtjes van de vissers.

Soms lijkt het net of we er niet door kunnen, maar als we dichter bij komen, blijkt er altijd weer een gaatje te zijn. Ik wil juist van de stoel van de commandant afspringen (ik ga daar wel eens op zitten als ik zeker weet dat hij al naar kooi is) als er aan de kim een lichtje aan en uit begint te flappen met de regelmaat kenmerkend voor morsetekens. Op de bovenbrug hoor ik de seiner haastig naar z'n lamp stappen. Ik wil ook wel graag weten wat er loos is, dus ga ik weer naar boven om het naadje van de kous te vinden. Het blijkt dat we met de Belgische visserijpolitiekruiser te doen hebben, de „Haverbeke", die ons een goede reis wenst en tot spoedig ziens. Wij beantwoorden z'n vriendelijke wens en even later glijdt het silhouet van de Belg voorbij. „Ships that pass in the night…..

Een hofmeester komt op de brug en geeft een schrift aan de officier van de wacht. „Het nachtorderboek meneer!" „Ei. ei, en eh... breng me wat koffie boven!" „Jawel meneer." '

De hofmeester groet, maakt rechtsomkeerd en verdwijnt weer. Een zoemer verstoort de stilte.

De seiner neemt een der vele telefoons op. „De M.K., of er lens mag worden gepompt meneer!" De officier van de wacht kijkt op van z'n nachtorderboek en zegt: „O.K.!" „Jawel sergeant, dat kan," zegt de seiner en hangt de telefoon weer op. „Koers 340 tot 0400 daarna 320, vaart 12 mul. Mij porren ten 0600 en bij bijzonderheden" prevelt de officier van de wacht.…..„Bij gunstige gelegenheid op DW schemeringen bestek nemen voor oefening en kompas controleren door azimuth. Maximum bereik van radar op loggers nagaan en noteren."

De officier van de wacht parafeert het boekje af en legt het in de kaartenbak. Hr. Ms. Wolf ploegt verder door de nu welhaast spiegelgladde Noordzee, de twaalfmjjlsvaart ligt het schip fijn en de tandwielkasten van de schroefoverbrengingen laten een tevreden gezoem horen in plaats van het lelijke korzelige geluid bij vaarten tussen elf en negen mijl. Ik besluit naar beneden te gaan, doch net te laat, want de officier van de wacht zegt tegen me: „Als je toch naar beneden gaat, Lucky, ga dan meteen door naar de oudste officier, por hem en zeg dat het tijd is voor de hondewacht en dat de gelegenheid bijzonder fraai is!" .,Jawel meneer!"

Moeizam klauter ik drie trappen af loop de longroom door, die spaarzaam is verlicht door het rode nachtlichtje en treed de hut van de oudste officier binnen.

Deze ligt met een gelukzalige glimlach op z'n gelaat te slapen, z'n gezicht gekeerd naar een grote gekleurde plaat aan de wand van Marilyn Monroe. Ik kijk het tafereel eens aan en nadat ik bij mezelf heb vastgesteld, dat Marlilyn toch wel de mooiste is van de twee, por ik de oud- ste officier door hem zeer beslist aan z'n arm te trekken en het leeslampje aan te steken, dat hem pal in het gezicht schijnt. Met mijn vriendelijkste glimlach vertel ik hem, dat het alweer zover is en de gelegenheid bijzonder fraai.

„Laat de hofmeester me koffie brengen en donder op," stoot de oudste officier met moeite uit.

Ik laat me dat geen tweemaal zeggen en verdwijn via de gamelle officieren naar de stuurhut, de staartstomp fier tussen mijn benen. Daar nestel ik mij naast het kacheltje en slaap weldra de slaap der rechtvaardigen, in de wetenschap dat de scherpe ogen van de oudste officier het schip veilig door de donkere nacht zullen voeren. De volgende dag wordt glorieus ingewijd door een stralende zon aan een wolkeoze hemel boven een vlakke zee, die hier en daar is gerimpeld door een koeltje. Aan de kim vooruit zijn een groot aanal slordig verspreide stippen te zien, die nauwkeurig met grote kijkers worden bekeken door de commandant, de officier van de wacht, de dokter, die overal met z'n neus bij is en de matroos zeemilicien Ouwehand, in het burgeredrijf visser, met als liefhebberij het studeren voor predikant. Het zijn allemaal haringloggers commandant," zegt Ouwehand, ,.maar ik zie nog geen Kattekers." 

Officier van de wacht, waarschuw de schipper, dat hij de sloep rustig laat hangen en dat we straks langszij gaan," zegt de commandant. “Jawel commandant." Aan dek worden even later de willen en trossen klaar gelegd. Naarmate we dichterbij komen, verschijnen steeds meer loggers boven de kim, op het radarscherm lijkt het wel of een grote beenzwerm in aantocht is.

Een half uur later zitten wij er midden in. Naar alle kanten zover het oog reikt zijn de loggers druk bezig met het kaken van de haring, zij die weinig hebben gevangen zijn al klaar en lig- gen rustig te drijven, anderen zijn nog steeds bezig hun laatste netten binnen te halen, omdat ze zo'n grote vangst hebben. De zoemer van de telefoon van de radiohut verbreekt de stilte op de brug. „Officier van de wacht!" „Hier radio - de Katwijk drie peilt ons recht Zuid meneer!" „Ei, ei," zegt de officier van de wacht en vraagt permissie om Noord te mogen sturen. Van een rechte koers komt niet veel, want telkens moeten we uitwijken voor een logger, of moeten we om een nog niet binnengehaald stuk vleet stomen. „Ja, ik zie hem," roept Ouwehand een kwartier later. Op hetzelfde moment gaat het zoemertje van de radiohut weer. „De Katwijk 3 zegt dat hij ons nu kan zien," rapporteert de radio. Naarmate we dichterbij komen wordt vaart geminderd. De schipper komt op de brug.

„Alles is klaar om langszij te komen commandant!' ”Ei ei schipper!" „Weet u al aan welke kant we langszij komen?"