TER VISSERIJ INSPECTIE - II

 
”STOPPEN beide". „Stoppen beide commandant", klinkt het gedempt terug door de spreek- buis naar de stuurhut. Langzaam glijdt Hr. Ms. Wolf voort door het spiegelgladde water en verliest zijn vaart. Gewoonweg geen kunst aan met dit weer, zelfs de willen zijn eigenlijk niet eens nodig. „Beide een derde achteruit!" en even later „stoppen beide!" Keesjes vliegen over en we liggen langszij de Katwijk 3, of beter gezegd de Katwijk 3 ligt langszij ons.

„Officier van de wacht, machines be­dankt en binnen het kwartier stoom­ klaar!" „Jawel com- mandant!" Aan boord van de Katwijk 3 wordt hard gewerkt. Zo van boven de brug af kan ik keurig zien wat er daar allemaal loos is. Nadat ik me er eerst van heb overtuigd, dat de commandant is verdwenen om z'n ontbijt te nuttigen, terwijl de officier van de wacht bezig is om een „juweel van 'n Decca" te pikken, installeer ik me deftig op het stoeltje van stuur- boordsuitkijk, m’n gevoelige ,neus voornaam in de lucht stekend vanwege de visstank die van de Katwijk 3, alias de „Peter Leendert Huibert", opstijgt. Jongens, wat een rotzootje is het daar aan boord. Alles ziet er vettig uit, overal kleven visschubben tegen aan en het dek is

bedekt met glibberige en bloederige vissen-ingewanden. Met ontzeting zie ik hoe een dik klein hondje, van twijfelachtige afkomst, te­ midden van die rommel bedrijvig heen en weer loopt. Ze heft het hoofd op, krijgt met haar betraande vettige oog­ jes mij in de gaten en uit een schor geblaf. Ik zeg „haar" lieve lezer, want met mijn scherpe ogen heb ik al lang in de peiling dat zij een lid van het zwakke geslacht is. Het geblaf van het hondje brengt hilariteit teweeg bij de vissers en de matrozen. Enige ruwe grappen over rasverbete­ring en zo worden over en weer geschreeuwd. Ik ril van afgrijzen bij het idee alleen, ik die zo ben gehecht aan „Beloggia" van Caron, zou dat haringluchtje moeten verdragen! Ik bewaar dus een ijzig stil- zwijgen en blijf het bedrijf aan boord van de Katwijk 3 gadeslaan.

De schipper hangt uit een der raampjes van de brughut en rookt een pijp, hij houdt onder- tussen een praatje met onze schipper, die waarschijnlijk bezig is om er een paar vaatjes en wat zout bij te organiseren voor ons haringfabriekje achteruit aan bakboord. Tegen de brug- opbouw aan dek zitten vijf kerels op een rijtje haring te kaken. Vóór zich hebben zij elk een mand met pas gevangen haring, die door een andere knaap worden vol gehouden, doordat hij telkens met een grote schep aan een lange steel uit de grote vergaarbakken een graai doet uit de massa glibberige lijven om deze daarna in een van de manden te smakken. 
De gekaakte haringen worden in andere manden gegooid die van tijd tot tijd worden geleegd in gereed staande vaten. Het kaken bestaat uit een vliegensvlugge beweging met het mes, langs de onderkant van de vis, waarbij iets uit z'n lijf wordt gesleurd. Dat „iets" wordt achte- loos op dek geworpen, of valt in zee, waar het door een bende krijsende meeuwen wordt opgeslokt.

De meeuwen zijn volkomen geabsorbeerd in hun vraatzucht, als een wolk hangen ze om ons heen in de lucht of drijven in het water. De meesten die in het water drijven zijn zo volge- vreten, dat ze de lucht bijna niet meer in kunnen. Een tweetal probeert het en neemt de start, maaiend met vleugels en poten lukt het hun eindelijk om na een run van zeker honderd meter los te komen; precies een stelletje bommenwerpers die zwaar zijn afgeladen. Ze nemen een bocht en vliegen laag over ons heen, een souvenir met een klets op dek deponerend.

„Klerelijers", mompelt de kwartiermeester boos, die het dek moet schoon houden. Mijn oog glijdt nu weer naar het dek van de Katwijk 3, onze dokter is daar inmiddels aan boord geklommen vergezeld van de dominee, de eerste gewapend met een tasje folterwerktuigen en de laatste met geestelijk voedsel. De dokter wordt door een der vissers benaderd, kennelijk nog een jong maatje, hij is blijkbaar de man met de dikke vinger. Nu dat mag wel naam hebben, het lijkt wel een gevechtskop van een torpedo. Van hier zie ik de dokter z'n ogen glinsteren. „Dat wordt het lancet erin", denk ik.

De dokter klimt weer aan boord, gevolgd door de patiënt. Ik weet precies wat er gaat ge- beuren en blijf rustig boven, want ik heb het genoeg gezien. Het kleine ziekenboegje is bij dit soort ingrepen overvol met de patiënt, de dokter en de ziekenverpleger. De instrumenten liggen klaar en blinken onder het lamplicht. De „dikke vinger" bestaat meestal uit een uit- steeksel dat al bijna aan het rotten is en een hand die tweemaal zo dik is als normaal en vuurrood van kleur. Eerst wordt een snee gegeven, waar dan een soort schaar in wordt gestoken die even wordt rondgedraaid „om het zaakje los te maken". Het slachtoffer wordt wit om de neus en krijgt penicilline-injecties. Meestal blijven ze aan boord zodat ze onder voortdurende controle zijn, alleen als hun schip direct naar Holland terug gaat, mogen ze mee omdat ze aan de wal nu eenmaal beter kunnen worden verpleegd.

Onze schipper heeft ondertussen goede zaken gedaan, want er worden twee volle kantjes bij ons aan boord gehesen, een mand vol makrelen, een leeg vaatje en een mand met zout; voorlopig kunnen we dus voort! De patiënt verschijnt weer aan dek en klimt over op zijn logger. Om zijn vinger zit een enorm verband. „Daar kan je voorlopig niet meer mee in je neus peuteren!" roept een der matrozen aan dek de visser toe. Het slachtoffer lacht als een boer met veel kiespijn en verdwijnt benedendeks. Ik spring van het bankje af en wil naar beneden, maar de commandant verschijnt plotseling in het trapgat en verspert me de weg.

„Hoe ver zijn we?" vraagt hij de officier van de wacht. „We kunnen weg commandant, de dominee is net weer aan boord gekomen en de patiënt is behandeld"., „Mooi, laat de motoren maar aanzetten!" „Jawel commandant!" Enkele minuten, nadat de machinekamer de order heeft ontvangen, gaat er een trilling door het.schip en daardoor weet ik dat de hoofdmotoren weer draaien. Onze trossen worden losgegooid en na enige hartelijke, over en weer ge- schreeuwde wensen voor goed weer, goede vangst en dergelijke glijden we langzaam achter- uitslaand weg van de Katwijk 3.

De hemel blijft wolkenloos en het begint aardig warm te worden door de rijzende zon. Overal verspreid liggen de haringloggers hun vangst binnen te halen. Sommigen die minder fortuinlijk zijn geweest, zijn al klaar en hun bemanningen spartelen in het frisse zeewater.

De verzoeken om assistentie zijn altijd het veelvuldigst op mooie dagen, dat blijkt ook nu weer want binnen een uur nadat we van de KW 3 zijn vertrokken hebben we vijf oproepen via de radio om assistentie, twee voor medische redenen, een voor een kapotte radio en een voor een lekke brandstofleiding De opgegeven posities liggen tientallen mijlen uit elkander, zodat Hr. Ms. Wolf de hele dag niets anders doet dan van alle kanten kris en kras door de vissers- vloot te varen. Daar bovendien diverse schippers al beginnen met de vleet te schieten, moeten we steeds meer omstomen. Het plot wordt bijgezet, om er nog wijs uit te kunnen worden. „Het lijkt wel een breiwerk, één rechts, twee averecht!" meent de rapp, die het plot bijhoudt, wijzend op de door ons afgelegde route. Telkens tegen de tijd dat we ongeveer bij een opgegeven positie moeten zijn, is het een wedstrijd op de brug wie het eerst de logger ziet die ons heeft opgeroepen en die meestal kenbaar is aan twee boven elkaar gehesen vlaggen.

En als we hem dan eindelijk ontdekt hebben en we liggen stil om de dokter, de radiomonteur of de machinist weg te sturen, komen als vliegen naar de strooppot nog vele anderen met allerlei wissewasjes zodat de officier van de wacht een lijstje moet bijhouden, wáár de sloep en de beide vlotjes zijn en wie bij wie aan boord is. Van middagrust komt niets terecht, want er is veel te veel te doen, maar ook blijven de goede gaven binnenstromen, manden met makreel, een paar mooie tarbotten, haring, een zeewolf, van alles wordt op het achterdek gekwakt en dat belooft wat voor het avondmaal en het ontbijt.

Tegen vier uur in de namiddag begint het er op te lijken, dat we klaar zijn. Het is warmer in het benedenschip, want de zon heeft de hele dag op het dek gebrand. Aan dek is het tenue bloot bovenlijf en op de brug is iedereen geroosterd. „Wij zullen zo meteen maar gaan drijven en de springplank optuigen voor het zwemmen", zegt de commandant tegen de oudste officier, die zich gereed maakt om af te gaan, nu zijn achtermiddag er weer op zit. Net heeft hij het gezegd, of het belletje van de radio rinkelt. „O jé" zegt de oudste officier. 

„Hier brug !" „Wekkerde kwek kwek!" hoor ik de stem van de korporaal-telegrafist door

de telefoon klinken. Een heel verhaal volgt. De officier van de wacht hangt weer op en meldt de commandant dat een Scheveninger moeilijkheden heeft met een Fransman en of de Wolf „effe" kan komen kijken. De positie blijkt veertig mijl verder om de Oost te zijn, dus weg zwempartij. Overigens is dit weer eens iets nieuws en eindelijk eens een zaakje waar ons bestaan als politiekruiser om is begonnen. Mijn maag begint te rammelen, hetgeen wil zeggen dat het naar theewater loopt. In het dagverblijf is het eten uitdelen in volle gang.

Voor alle hens is er een mooie makreel en zoveel gebakken haring als hij maar. op kan, hetgeen iemand schertsend doet opmerken: „Er staat weer geen donder op tafel!" Nadat ik eerst in het dagverblijf het nodige heb gesnaaid steek ik mijn neus om de hoek van de muur van Jericho, zoals het kostbare gordijn wordt genoemd, dat dient om café „De Gouden Bal" af te scheiden van het dagverblijf. Daar is de tap nog niet gesloten en de schipper die in een uitstekende bui is, vanwege alle binnengekomen vis, geeft me een ijskoud pijpje, dat even later sissend mijn keelgat binnen klokt. Het gesprek gaat over Hamburg de eerstvolgende buitenlandse haven `die we zullen aanlopen, blijkens het zo juist bekend gemaakte vaar- programma van de volgende maand. De sergeant-machinist strijkt eens peinzend langs zijn kin en zegt: „Ik ben er een paar jaar voor de oorlog geweest en heb toen een stel heel aardige kennisjes gemaakt. Het is een zeer aardige stad met veel vertier!"

„Nou ja, jij hebt overal kennisjes", zegt de schipper, „in ieder geval zullen we moeder maar zeggen dat we een hoop marken nodig hebben om cadeautjes voor haar te kopen!" „Dan kan je beter die cadeautjes in Holland kopen en ze in een Duitse krant pakken, dat is veel goed- koper", meent de sergeant­machinist. „Je kan toch wel zien dat die lui uit de vetput dichter bij de hel zitten dan wij van het dek", verkondigt de schipper met een uitgestreken gezicht. „Voor Lucky Joseph is het niks, want ze hebben er alleen maar Duitse Staanden", vervolgt de machinist met een schuin oog naar mij. Ik weet hier zo gauw niets op te zeggen en na mijn pijpje te hebben geledigd blaas ik de aftocht en loop de longroom binnen, waar de O.S. en O. officier juist aan het vertellen is welke films hij nog heeft om vanavond af te draaien. 
Met algemene stemmen valt de keuze op „De zeven hoofdzonden". „Deze film is van bijzon- der culturele waarde", zegt de commandant zalvend en houdt vervolgens stilte.

„Ting!" . „Ting ting"... De stoelen worden achteruit geschoven en er wordt nog wat nagepraat, ook hier over Hamburg. Ik heb een brief geschreven aan de Consul Generaal in Hamburg en hem de mogelijkheden aan boord van deze praam uiteengezet voor wat betreft cocktailparties en dergelijke", zegt de commandant. Verder heb ik op taktvolle wijze laten doorschemeren, dat ook al zijn we nog zo dol op bezoeken aan musea en zo, wij toch niet geheel afkerig zijn van de lichtere genoegens des levens!" Nauwelijks heeft hij dit gezegd, of de zoemer op de brug klinkt door de longroom. De commandant neemt de hoorn van de haak en vraagt wat er aan de hand is. Metaalachtig hoor ik de stem van de officier van de wacht in de hoorn klinken.

„Heb je ze nu al in 't zicht?" zegt de commandant. „Dan moet de positie van die Scheveninger fout zijn geweest!" „Goed, waarschuw me wanneer we bij hem zijn, stop dan en laat de sloep strijken!" De commandant hangt op. We zijn er al bijna, die lui die ruzie hebben liggen een stuk dichterbij dan ie Scheveninger opgaf! Ik besluit dat het nu tijd is om eens polshoogte te nemen aan dek. Het is nog steeds prachtweer en windstil en zo ver het oog reikt loggers in alle windstreken, doch niet alleen Hollanders meer, maar ook Duitsers en een paar hele grote Franse loggers, met zinkvleten in plaats van drijfvleten zods de Hollanders. Een van onze vissers, de matroos zeenilliciën ouwehand, staat uit te leggen dat met dit soort weer er meer moeilijkheden zijndan wanneer er een flinke bries waait, omdat in het laatste geval de vleten allemaal mooi evenwijdig blijven liggen en ook evenwijdig verlijeren zodat ze even ver van elkaar blijven. 
Maar met dit mooie weer kan het gebeuren dat de vleten kris en kras door elkaar komen te liggen en wanneer zij niet op gelijke diepte zijn, kunnen door stromingen onder de oppervlakte de vleten in elkander drijven. Als nu de ene vleet een diepvleet is, dan passeert die ongeha- vend onder de drijfvleet door, terwijl zijn boeirepen de drijfvleet stuk zagen. Ondertussen zijn we gestopt tussen een Scheveningse logger en een veel grotere Franse logger die ongeveer een halve mijl uit elkander liggen. De Fransman blijkt de ,Ernanuel" te zijn uit Fécamp en heeft een enorm lange zinkvleet achter zich aan, die op bepaalde plaatsen de veel kortere vleet van de Scheveninger dicht nadert.

De sloep wordt gestreken met de inspectie­officier en even later klautert deze aan boord van de Scheveninger. Ik klim moeizaam de vele trapjes naar de brug op om daar eens pools- hoogte te nemen en bovendien de nieuwtjes uit de eerste hand te hebben, als straks de inspectieofficier weer op de brug verschijnt. Uit zijn relaas blijkt inderdaad de situatie precies zo te zijn als Ouwehand had gedacht. De Fransman was om twee uur 's middags aange- komen, terwijl de Scheveninger er al lag sinds elf uur 's morgens met geschoren vleet. „Dat betekent dus dat volgens de letter van het verdrag de Fransman moet verhuizen als de vleten in elkaar dreigen te raken", zegt de commandant die niet zo lang geleden zijn examen in internationaal recht heeft afgelegd. „Ik zal maar eens met jou samen een kijkje gaan nemen aan boord van de „Emanuel"", zegt hij tegen de inspectie-officier. 

Dit lijkt me iets aparts en daarom verwijder ik me schielijk, klim alle trappen af en begeef me langs het opperdek naar achteruit, waar de motorsloep ligt, langszij de haringfabriek. De schipper grijnst als hij me ziet en zegt: „Jij moet natuurlijk ook naar die Fransoos hè, met je eigenwijze tronie. Misschien kan je de commandant helpen met z'n Frans!" Ik wil juist wat zeggen, als de commandant verschijnt; onder z'n arm heeft hij een boekje geklemd dat enigszins op het bijbeltje van de dominee lijkt, maar aan de kleur van het kaft zie ik dat het de „verzameling van internationale verdragen voor de zeevaart" is. 

Met een trillend staart- stompje ga ik bij de Jacobsladder mooi zitten. „Ha, jij wil zeker mee om te kijken of er een Franse poedel aan boord is!" zegt de commandant. „Het zou wel heel toevallig zijn als Marianne (Mijn scharreltje uit Brest) daar is, maar vooruit dan maar, je mag mee, misschien doe je nog wel iets nuttigs". De inspectie-officier grijpt me bij mijn kladden en klautert in het sloepje, gevolgd door de commandant. „Fuu iet - Wiede wiet!" „Stilte aan dek front maken over stuurboord". Ons sloepje steekt af en nu pas kan ik zien wat een klein notedopje Hr. Ms. Wolf eigenlijk is. Als een grote wieg ligt hij in het water, op allerlei plaatsen staan knullen in de houding en de jongste telegrafist steekt z'n kop uit een van de weinige poortjes die de brugopbouw telt, om te zien wat er loos is. Geef die vent straks op z'n lazerij, dat doet ie maar niet!" gromt de commandant, tegen de inspectie-officier, die behalve voedings­officier en een connaisseur van het zwakke geslacht, tevens VO is. Fuu iet....!" horen we nog zachtjes het fluitje van de schipper over het water klinken. 

Vanuit de verte lijkt het net alsof er een betovering die over het schip heeft gelegen plotseling is verbroken, want overal zie je de lui weer in beweging komen. Ons tochtje naar de „Emanuel" verloopt zonder evenementen wegens de spiegelgladde zee en even later liggen we langszij. Een stelletje woeste kerels met Jean Gabin-gezichten, tatouage, biceps en hopen sex appeal (voor de andere kunne uiteraard lieve lezers, u mocht wat van me denken) staan ons nieuwsgierig aan te staren. „We zullen met gepaste brutaliteit optreden, die lui zijn sterker dan wij!" prevelt de commandant. ,.Blijf hier liggen tot nader order, biedt deze lieden wat sigaretten aan en hou ze bezig", zegt de commandant tegen de matroos aan het roer en de haak vóór. „Jawel commandant!" Wij klauteren aan boord ik in de greep van de inspec- tie-officier.

De smeerboel aan dek valt me mee, we beklimmen 't trapje naar de brug, waar de schipper, die René Neveu blijkt te heten, ons op staat te wachten. We betreden zijn kajuit, achter de stuurhut gelegen. Op de vloer van dat vertrekje, dat ongeveer twee meter in het vierkant meet, liggen houten roosters, evenals op de brug en het dek is onzichtbaar door al het vuil en de sigarettenpeukjes die het bedekken. Langs de achterwand is een vaste kooi, waaronder laden. De kooi is in een onbeschrijfelijk smerige toestand en natuurlijk niet opgemaakt.

Aan de wand hangt een zeer beduimeld en vuil kalendertje, waarvan de data tot op heden zijn doorgeschrapt, daarnaast is een wandkast met glazen deurtje, waarin ik een fles Pernod en een fles Remy Martini (V.S.O.P.) zie staan, alsmede een paar glazen. Aan de wand bij het voeteneind is een grote foto van Martine Carol opgeprikt, zij komt juist uit een bed en buigt zich diep voorover, zodat haar bijzonder grote talent zichtbaar is. Tegen de wand, bij het hoofdeinde, zijn echter een paar prachtige toestellen opgesteld, die er gloednieuw en piekfijn onderhouden uitzien; een radiotelefonie-zend-ontvanger, een echolood, eer, decca en een soort asdic of echolood van Franse makelij, die ik nog nooit tevoren heb gezien. Voor de kooi staat een vies klein tafeltje met drie stoelen en daarmede is het vertrekje overvol. De schipper gaat op z'n kooi zitten, maakt een wuivend gebaar en wij vallen dus in de stoelen neer. Daar zitten we nu. Schipper Neveu zegt in rad en dialectisch Frans een zinnetje, dat ongeveer zo iets moet betekenen als „wat kan ik voor de heren doen". Hij pikt een pakje Gauloises op en presenteert. „Non merci", zegt de inspectie-officier, „ik ga liever gewoon dood".

„ll préfere de mourir d'une cause normale", verduidelijkt de commandant en presenteert op zijn beurt Lucky Strikes. De schipper prefereert echter Gauloises zodat na enige tijd de sterke stank van de Franse tabak de ruimte vult. „De vorderingen op diplomatiek terrein zijn nog nihil", prevel ik zachtjes voor me uit. „Verdorie, wat betekent nou toch ook weer „netten" in het Frans", zegt de commandant, die van wal wil steken. De inspectie-officier zwijgt als het graf. De schipper zwijgt als het graf. „Dat staat nu niet in het boekje met de verdragen", peins ik. De commandant schraapt z'n keel, wil wat zeggen, kijkt het vertrek eens door, als om inspiratie te krijgen en zijn oog valt op het talent van Martine. „Ah, formidable", zucht hij met ontspannen trekken. Schipper Neveu volgt zijn blik en lacht. „Mon commandant a Toeuil d'un connaisseur hein?" zegt hij. „Un moment", hij grijpt onder zijn hoofdkussen, haalt daar een soort portefeuille uit, met een gezicht van „nu zal ik je pas eens wat laten zien" en vertoont een zeer gewaagde foto die hij op tafel legt met kwalijk verholen trots. „Niet gek", prevelt de inspectie-officier. „Hmm...." grom ik. „Votre atnie?" vraagt de commandant.

„Mais non, eest ma femme!" zegt de schipper glimmend van trots. De inspectie-officier fluit zachtjes tussen z'n tanden, „daar zal hij wat mee te stellen hebben!"

„C'est un peu froid hein?" laat hij er op volgen, doelend op het luchtige toilet. Het gezicht van de schipper betrekt. „Stommerd, dat legt hij natuurlijk verkeerd uit", sist de commandant en laat er snel op volgen: „Ah, les femmes Fransaises sont la creme quelle finesse quelle figure, quel temperament!” Schipper Neveu z'n op is nu een en al grijns, hij trekt het muurkastje open, haalt de Remy Martini (V.S.O.P.) er uit met een stel gebarsten wastafelglazen en schenkt in. Het bruine vocht klokt in de glazen. „Denk er om, dit alles komt niet in het proecs­verbaal", zegt de commandant. De glazen worden geheven en geledigd. „Vive la France", zegt de inspectieoffcier, wiens tong opeens aanzienlijk losser wordt, als hij de eerste alcohol met welbehagen door z'n aderen voelt vloeien. „Vive la Hollande", zegt de schipper op zijn beurt en vult de glazen nog eens. Het ijs is gebroken. „Laat ik nu maar eens snel beginnen, voordat ik straks aan boord moet worden gedragen", zegt de commandant.

Opeens weet hij dat netten „filets" zijn en hij steekt van wal. Geholpen door de lichte roes vlot het moeilijke gesprek in het Frans vrij goed en na ook de artikelen van het verdrag er bij te hebben gehaald, begrijpt tenslotte de schipper wat er van hem wordt verlangd. Hij kijkt beden- kelijk, schudt z'n hoofd eens en houdt een lang verhaal, waaruit ik opmaak, dat. hij beweert, dat het naderbij drijven zo'n vaart niet loopt en dat het een enorm werk is, die lange vleet binnen te halen. Na nog een tijdje over en weer praten weten we schipper Neveu zover te krijgen, dat hij om tien uur vanavond al zal beginnen met halen, zodat hij tegen middernacht vrij zal zijn van de Scheveninger. Dit vindt iedereen een geweldige oplossing en na nog een cognac te hebben gedronken gaan we weer naar de sloep. Er wordt hartelijk afscheid genomen en vijf minuten later klimmen we weer aan boord van de Wolf.

„Wiedewiet wiedewiet", gaat het fluitje van de schipper. „Doorgaan...., we blijven hier drijven schipper en alle hens zwemmen!" „Jawel commandant", zegt de .schipper met volle teugen de cognaclucht inademend. We begeven ons naar de brug. „Hoe laat is het zonsondergang?" vraagt de commandant aan de officier van de wacht. „Een en twintig uur veertig commandant, we zullen om ongeveer een en twintig uur weg moeten gaan, willen we voor donker buiten het dichtste gedeelte van de vissersvloot zijn!"

„O.K., zeg tegen de schipper dat uiterlijk half negen iedereen het water uit moet!" „Jawel commandant!" Achteruit wordt nu een grote plank van de SBD opgetuigd als springplank. 
De beide vlotjes gaan in het water en de onderofficier van de wacht fungeert als badmeester om zwemmers die zich te ver van het schip wagen terug te roepen met zijn fluitje. 
Meer dan de helft van de bemanning is te water en bij de springplank is het een dof gedrang. Het meeste succes heeft een enorm grote en dikke kwartiermeester, die de bijnaam draagt van „potvis".

Hij neemt telkens een grote aanloop, springt hoog op en laat met een dreunende slag zijn lichaam op het water vallen, tot groot vermaak van de omstanders. Ik lach me gek, tot hij opeens mij in de gaten krijgt, me beet grijpt en met mij de plank afduikt, tot mijn ontzetting.

Een afschuwelijke gewaarwording is dat. Ik hoor iedereen lachen, de lucht suist langs me heen, ik sluit mijn ogen, plons, we schieten de diepte in, de zee sluit als een koud harnas tegen me aan. Eindelijk is onze vaart eruit en te mid­den van honderden luchtbelletjes komen we weer boven. Nijdig proestend zwem ik zo snel mo­gelijk met mijn korte pootjes naar de jacobsladder, waar iemand mij grijpt en me onder luid gejoel op dek slin­gert. Als een drui- pend hoopje zwarte ellende rolt de jongste officier me in een handdoek om me af te drogen ....Om negen uur worden de vlotjes en de sloep gehesen. De Scheveninger is ingelicht over de stand van zaken en morgen als we terugkomen zal hij rap­porteren of Neveu zich aan zijn af­spraak heeft gehouden. De telegrafisten knorren en langzaam aanzettend glijden we weg uit de war­winkel van vissers en vletten. Moe van het zwemmen en alle andere emoties van deze dag ga ik spoedig onder zeil maar helaas niet voor lang, want ik heb de hondewacht.

Kwart voor twaalf wordt ik uitgepord en om twaalf uur beklim ik moeizaam het uitkijkstoeltje op bakboordsvleugel van de open bovenbrug. Een magnifiek schouwspel wordt hier mijn oog geboden. Er is een wolkeloze sterrenhemel van buitengewone helderheid, de zee is spiegel- glad en aan alle kanten zijn de lichten van de vissers zichtbaar als even zovele sterren. De horizon is niet te onderscheiden daar overal lichtjes zijn en het lijkt net of we ergens mid­den in de melkweg zweven. Het is doodstil, niemand praat en af en toe is er een dwaallichtje te zien, waar iemand een sigaret rookt of over boord gooit. Het is als of zelfs de elementen zijn gaan slapen; de hele natuur rust. Ook zelfs de radio is stil, de vissers zijn blijkbaar uitge- praat; iets dat zelden voorkomt en onze eerstvolgende algemene periode voor de marine- omroep is nog niet aangebroken. Plotseling hoor ik geplas in het water en mijn nu aan de duisternis gewende ogen zien een donkere en grote massa boven de waterspiegel komen.

Een diepe zucht weerklinkt, als van iemand die pijn lijdt en de massa glijdt weer weg onder water. Een walvis kwam even zijn luchtvoor­raad verversen. Dat geeft kans op een paar kapotte netten overpeins ik. De officier van de wacht is met zijn aflosser boven gekomen. Ze praten op gedempte toon, als uit eerbied voor de pracht van de natuur.

„De barograaf vertoont nog steeds geen neiging tot dalen", zegt de oudste officier, die komt aflossen. De afgaande onderofficier van de wacht komt boven. „Divisie A afgelost, geen bij- zonderheden, meneer!" „Ei ei, afgaan kwartiermeester!" „Jawel meneer!" De schim verdwijnt weer. Beneden klinken even later zachtjes de acht glazen die met het mes worden geslagen. „Er is geen roerganger op post, M.K. binnen het kwartier gereed, om het halfuur een Decca nemen, afstand tot de vissers met de radar controleren en wanneer we dichterbij komen dan een mijl, moeten we verstomen" zegt de afgaande officier van de wacht. „Het nacht order- boekje ligt in de commando­centrale" voegt hij er nog aan toe. „O.K. ik heb 'm, piep ze" zegt de oudste officier slaperig. Vraag of de hofmeester koffie brengt!" „Ei e! .... goede wacht!" En weer verdwijnt er een schim.

Door de spreekbuis naar de radiohut hoor ik opeens morsetekens met eentonige regelmaat tjilpen: „de daa daa det - daa de de det - daa de daa det de de de de de det .... enzovoorts".

Ik weet nu dat de telegrafist op post is gekomen om de algemene periode van de MONED te nemen. Dat telegrafistenvak lijkt me wel, mijn scherpe oren hebben gevoel voor het rythme van de morsetekens, je blijft van alles op de hoogte en je hebt echt het gevoel dat je een essentiële schakel in het bedrijf bent. Bovendien vergt dat werk aan dek altijd zoveel van mijn korte pootjes. Ik heb daarom ook een paar weken geleden een verzoek ingediend bij mijn divisiechef om in aanmerking te mogen komen voor telegrafist. De toelis van het comman dement heeft mij in vertrouwen verteld dat de commandant het heeft doorgestuurd:

„met gunstig advies en o.a. dat 's honds ledematen hem minder geschikt maken voor matro- zenwerk en voorts dat verzoeker voor zover dezerzijds kon worden nagegaan van enige aan- leg voor het opnemen van morsetekens op het gehoor heeft blijk gegeven".

Een scherpe bijtende lucht dringt in mijn fijne neus binnen en onderbreekt mijn, gedachten. 

O jé, de oudste officier heeft een van z'n beruchte „zware sjekkies" opgestoken en blaast vol welbehagen de rook in mijn richting. Hij weet dat ik daar niet van houdt. Proestend spring ik van m'n hoge zitplaats af en wrijf met m'n poten langs mijn neus. De oudste officier heeft nu een der beste soorten vermaak in de marine: leedvermaak. Er verschijnt weer een schim op de brug. Het blijkt mijn aflosser te zijn. Gelukkig, het is een lang dagje geweest vandaag.

Met een diepe zucht vlij ik mij vijf minuten later neer op mijn tampatje onder het kacheltje in de stuurhut. En weldra slaap ik de slaap der rechtvaardigen en droom van het hondenparadijs waar weinig werk is, veel teefjes die „Femme" gebruiken van Rochas (ik kan 't u aanbevelen lezeressen) en waar de rapporten verrichtingen en de wet op de krijgstucht niet bestaan ...