IK BEZOEK HET LAND VAN MIJN HERKOMST EN WORD OVERGEPLAATST

 
DE volgende dag stomen we direct terug naar de Scheveninger, die ons verheugd toepraait, dat schipper Neveu zich keurig aan de afspraak heeft gehouden. Uit erkentelijkheid wordt ons „een braaitje" aangeboden datmet graagte wordt geaccepteerd. De Fransman is in geen vel- den of wegen meer te zien. „Jammer", zegt de commandant, „ik had hem zo graag een car- toon sigaretten willen geven, want hij is kennelijk een soort heer!"

De telegrafen knorren weer nadat het vlotje binnenboord is en ditmaal richten we onze steven naar het Westen, want er is een seintje binnengekomen van CZMNED, dat we op moeten stomen naar Lossiemouth, een klein haventje aan de Schotse kust gelegen „op de schouder van Schotland" benoorden Aberdeen. Daar vlakbij is N.A.S. Lossiemouth 1) waar een vliegtuigsquadron van de Koninklijke Marine twee weken was gebaseerd in verband met een NATOoefening. Het is aan ons om de inventaris van dat squadron in Lossiemouth aan boord te nemen en in Den Helder weer te lossen.

Van visserij-politiediensten zal er dus wel niet veel komen de aanstaande vier dagen. Vanmiddag staan oefeningen op het programma: eerst alarmrollen repeteren en daarna schietoefeningen op de manche. Om 13.00 gaan we oorlogswacht lopen, hetgeen betekent dat steeds ongeveer de helft van de bemanning op post staat en een gedeelte van de toestellen en de bewapening bezet, welke laatste bestaat uit Hedgehog, dieptebommen, een kanon van 7,6 cm, de 40 mm Bofors en de 20 mm Oerlikons. Op de brug zoeken gehelmde uitkijken nu naarstig de kim en het luchtruim af met hun kijkers.

Om 13.15 klinkt de kreet: „Vliegtuigen….rood twintig - laag!" De officier van de oorlogswacht schakelt de alarmzoemers in en de claxons loeien hun enerverende korte stoten door het schip. „Luchtalarm!!" De niet op wacht staande helft van de bemanning rent naar haar posten, helmen opzettend en zwemvesten omgordend. De verbindings officier is op de brug ver- schenen, grijpt uit een doosje aan de wand een koptelefoon en een microfoon en gaat „praten met de vijand". „Valkenburg 321 this is Charlie Nan verzoeke tot nader order duikbomaan- vallen voor oefening bemanning daarna aanvang schietoefeningen - over!" „This is Valkenburg 321 - wilco out!" klinkt het keihard door de luidspreker.

Laag over het water komen de vliegtuigen aanscheren, vleugel aan vleugel. Ze donderen over ons heen, trekken steil omhoog op en verbreken formatie, waarna ze achter elkaar en komend vanuit de richting van de zon hun eerste duikvlucht op ons doen. De commandant geeft mij een wenk om te volgen en gaat de brug af. Ik weet wat dat betekent en haal mijn „opschrijfboekje -alarmoefeningen" te voorschijn. De commandant heeft van te voren briefjes klaargemaakt, waarmee hij averij, dood en verwondingen uitdeelt en ik moet daarvan boek houden, met de tijd erbij, om naderhand met het opschrijfboekje van de opschrijver op de brug te controleren, of alles snel is doorgegeven via de „battle telephones" en of de goede maat- regelen zijn genomen. We klauteren naar beneden, waarbij we telkens alle luiken en deuren moeten openen en weer sluiten want het is sluittoestand „Z". Daar tijdens het gevecht de ventilatie door het schip is afgezet is het bloedheet in de meeste compartimenten en het zweet gutst van m'n kop onder de helm. We bereiken het opperdek en gaan van daar naar het achterdek om te kijken bij de achterste Boforsopstellingen.

Van daar uit zien we de twee vliegtuigen zich weer op ons neerstorten met gillende motoren, alle vuurmonden volgen deze venijnige wespen en ik ril onwillekeurig; gelukkig dat het niet echt is! De commandant stopt de dichtstbijzijnde munitielader een briefje met dood" erop in z'n hand. De man in kwestie, kersvers van de opleiding kijkt met open mond de commandant aan. “Ga liggen man, je bent dood" bijt deze de ongelukkige toe. ,Ja - jawel commandant" stottert het lijk en gaat houterig op dek liggen. Ik mompel “arm vaderland" en we gaan weer door hier en daar briefjes uitdelend. We komen tenslotte in de midscheeps, bij het zieken- boegje, waar de dokter juist via de SBD-telefoon een opgave krijgt van de ongevallen en waar ze zijn. „Goed zo, dat begint tenminste te wer­ken" gromt de commandant.

We vervolgen onze tocht naar het voor­schip, daarbij een spoor van ongevallen achterlatend en verklaren een munitie­bergplaats „volgelopen", we klimmen door vele luiken weer naar boven en komen terecht in het brugportaaltje, van waaruit we de stuurhut binnen­dringen. „Hebben jullie al het sturen vanuit de stuurmachinekamer geprobeerd?" vraagt de comman- dant aan de roer­ganger. „Jawel commandant!" We horen de vliegtuigen weer aan­komen. „Bakboord aan boord!" klinkt het door de spreekbuis. „Bakboord aan boord!" herhaalt de roerganger en laat het wiel door z'n handen snorren. Gehoorzaam legt Hr. Ms. „Wolf" zich op een oor en begint snel te draaien, het salvo bommen ont­wijkend. De commandant kijkt buiten of de zee vrij is en duwt de roerganger een briefje „dood" in de hand. Deze grijnst vergenoegd en gaat prompt op dek liggen. Ik schrijf de tijd op en we gaan nu zo argeloos mogelijk de bovenbrug weer op.

„Waarvoor draai je?" vraagt de com­mandant. „Ik ontweek een salvo bommen!" zegt de officier van de wacht. Hr. Ms. „Wolf" draait als een tol in 't rond. De officier van de wacht buigt zich naar de spreekbuis: „Midscheeps je roer!"

Er gebeurt „geen donder" en Hr. Ms. „Wolf" begint vol goede moed een nieu­we slag in de rondte. „Sta niet te snur­ken man" schreeuwt de officier van de wacht, die de roerverklikker halstarrig op bakboord aan boord ziet blijven. Ik kan nauwelijks mijn lachen houden en kijk steels naar de commandant die een sarcastische grijns niet geheel kan onderdrukken. Met veel geraas duiken de vliegtuigen weer op ons neer. De lui aan de mitrail­leurs achteruit, die 360° kunnen draaien worden duizelig van het volgen. De officier van de wacht gaat blijkbaar een licht op, want na een wantrouwige blik op de commandant ordonneert hij de leerling om snel in de stuurhut te gaan kijken. De roerganger is dood meneer", klinkt het even later door de spreekbuis en op de achtergrond horen we de overledene zacht lachen. „Neem over - roer midscheeps!" „Roer midscheeps!" De roerverklikker draait midscheeps en gehoorzaam staakt het schip zijn rondedans. “Stuur twee zeven vijf!" „Stuur twee zeven vijf!" herhaalt de spreek­ buis gedempt. „Hou maar aftrap alarm" zegt de commandant, „behalve voor de batterij, enne .... waarschuw de vliegtuigen, dat er één terug kan gaan naar Valkenburg en dat de ander zijn schijf viert, want we gaan schieten".

De verbinding met de „zoemi's" blijft uitstekend en „in minder dan geen tijd"is de ene afge- zwaaid en floept een sleepschijf uit het achterste van de ander. Er volgen nu een paar uur van schieten, want alle bemanningen moeten een beurt hebben. Het manche-vliegtuig wordt een keer afgelost zodra hij „fuell 50 gallons" is. Ik word stapelgek van het geblaf van de 20 mm oerlikons en het gedreun van de 40 mm Bofors, want ondanks de oordoppen kunnen mijn fijne honde­oren niet best tegen dit lawaai. Het is wel duidelijk, waarom niet-artilleristen het altijd hebben over „dat domme lawaaiige vak" wanneer ze de „artille­rie" bedoelen.

Tegen vijf uur ’s middags, of 1700 zoals we dat aan boord noemen, is eindelijk het geknal afgelopen, waarna een ander konstabelsfestijn begint, namelijk het .,doorhalen en wissen" van de heet en vies geworden lopen en het daarna flink insmeren van alle blanke delen (van het geschut hoor!) met ,vet conserveer", een vette rood-achtige substantie waarvan je de vlekken niet makkelijk uit je plunje krijgt. Ieder rechtgeaard konstabel vindt het heerlijk om met „vet conserveer" te werken en met wellust kwakken ze al­les wat los en vast zit er onder. De lui van de dekdienst kijken altijd zorgelijk wanneer dat gebeurt, vanwege de klodders op dek.

Zoiets noemt men „conflict van belangen". Na theewater, waarbij ik twee rauwe, twee gebak- ken haringen en een gestoomde makreel heb verorberd, sleep ik mijn met eiwitten afgeladen pens naar de bovenbrug om daar op het uit­ kijkstoeltje aan bakboord klimaat te schieten. In het voorbijgaan zie ik de commandant door een kier van het gordijn aan zijn schrijfbureau zitten, gebogen over kaarten van de Schotse kust en de zeemansgids.

Het weer houdt zich nog steeds best, er is een zacht briesje komen opzetten en we ploegen onverstoorbaar met veertienmijls vaart Westwaarts naar de Schotse kust. De schipper en de korporaal konstabel verschijnen op de brug, brengen de groet en rapporteren: „Ronde door tuig en batterij gemaakt, geen bijzonders meneer!" „Ei - ei schipper, bedankt!" zegt de officier van de wacht. De oudste officier verschijnt op de brug.

„Weet u al wat voor morgen?" vraagt de schipper hem. Neen nog niet, maar de commandant komt zo hier, dus blijf maar even wachten". „Hoe staat het met onze visvoorraad schipper?"

„Nou meneer, we hebben nu vijf kantjes achteruit staan en voor morgen nog vis om te bak- ken, dus we kunnen tegen een stootje!" De commandant verschijnt en gaat naar de kaarten- bak. „Waar is de positie van 1800?" „Hier commandant!" de vinger van de officier van de wacht wijst een cirkeltje aan in de kaart met „1800" erbij. Enig passen en meten volgt.

„Het is nog honderdtachtig mijl, ga dus nu twaalf mijl lopen dan kunnen we om negen uur op de reede ankeren". De officier van de wacht geeft de nieuwe vaart aan de MK door.

„Ik heb een seintje gekregen van de Admiralty, dat de haven van Lossiemouth alleen maar tijdens hoogwater diep genoeg is om daar te liggen en ik kan niet eerder dan 1 1/2 uur vóór HW Lossiemouth er in en moet vóór 1 1/2 uur na HW er weer uit, we moeten dus binnen de drie uur alles hebben geladen", vervolgt de commandant zijn relaas. De oudste officier noteert alles in z'n boekje. ,.Hoogwater Lossiemouth is morgen ten 1730, dus we moeten 1550 anker op en uiterlijk ten 1845 ontmeren en de haven uit. Ik wil morgen direct na ten anker komen de sloep gestreken hebben, want de haven is ontzettend nauw, bij binnenvaren hebben we aan weerszijden hoogstens drie meter speling, en ik wil dus eerst met de sloep de situatie opnemen, want het wordt zoiets als een zuiger in een cilinder!" ,.Komt in orde commandant!"

„Misschien kan de dominee een extra mooi gebedje zenden voor goed weer, want als het gaat waaien heb ik 'r een hard hoofd in om dat gat binnen te lopen".

De oudste officier en de schipper verdwijnen om het werkbriefje voor morgen te produceren en de commandant gaat op stuurboords-uitkijkbankje zitten genieten van het mooie weer. Een paar enorm grote meeuwen vliegen heel licht wiekend met het schip mee. „Wat een pracht lichamen!" peinst de commandant hardop. De officier van de wacht grijnst sardonisch: „Nou commandant, het wordt wel tijd dat u weer eens aan de wal komt, als u dat al mooie lichamen vindt!" Ik gniffel voor me uit. De commandant kijkt even gegrepen en lacht dan mee.

Ziezo, de stand is weer een-een, na die dooie roerganger! De telegrafist van de wacht ver- schijnt op de brug met een lang vel papier in zijn hand. „De Home Fleet Forecast van 1800 GMT commandant!" Het weerbericht blijkt gunstig, alleen is er één zinnetje dat vervelend aandoet: „during the night extensive for banks may be encountered".

In het holst van de nacht wordt ik opgeschrikt door een dof geloei van de stoomfluit….. mist!

De commandant verschijnt op het toneel, met een verkreukeld gezicht zich de slaap uit de ogen wrijvend, de radar en de plottafel worden bijgezet. Ik blijf geïnteresseerd kijken in de commandocentrale, het gezicht van de rapp is groen verlicht door het radarscherm waarop hij zit te turen. Aan de bovenkant is een heel grote massieve echo, de Schotse kust, verder vertoont het scherm nog een paar dikke stippen; schepen. De dokter, die overal met z'n eigenwijze neus bij is, fungeert als plotter en rijgt de radarmeldingen netjes aaneen tot koers- lijnen. Gelukkig is iedereen een heer in 't verkeer en behoeven we geen vaart te verminderen, want alles blijft ruimschoots vrij van elkaar. Echt knus zo'n klein schip, waar iedereen mee helpt, of het nu ook z'n baan is of niet. Met regelmatige tussenpozen laat de misthoorn zijn doffe en klagende geloei horen, net een koe die in de wei staat en die ze vergaten te melken. Ik kijk even buiten, maar kom gauw weer terug, want het is erg koud en een dik mistgordijn is het enige wat ik kan zien. De hele nacht varen we zo door en als het licht wordt, is er nog steeds een ondoordringbare grijze muur om ons heen.

Om acht uur breekt de mist even en zien we land. De officier van de wacht vliegt naar het peilkompas om gauw wat punten van de kust te peilen en het blijkt dat we „volgens schema" opschieten en om negen uur kunnen ankeren. Even later zitten we weer in de grijze brei. Het echolood wordt bijgezet en om half negen wordt vaart geminderd tot acht mijl, de radar wordt

op kleinste bereik geschakeld en de contouren van de landecho worden steeds vaker met de kaart vergeleken. Het havenhoofd is nu ook op de radar zichtbaar, tien voor negen komt de ankerrol op post en de handloders komen in het lood. Vijf voor negen gaan de telegrafen stop, langzaam loopt het schip uit. De commandant is op het bordes vóór het stuurhuis gaan staan, zodat hij de oudste officier en de schipper op de bak kan zien bij het bakboordsanker, dat deze maand de beurt heeft. „Zeu.... ven mee ....terrr!" zingt de man in het lood.

„Afstand havenhoofd elfhonderd yards" wordt gepraaid vanuit de stuurhut. ,Steken tot veertig meter!" praait de commandant ...... ,Uit de ketting !" ,.Uit de ketting" herhaalt de schipper en de borgpen wordt uit de ankerstopper geslagen. „Acht mee ....terr....!" roept de loder. „Beide langzaam achteruit!" „Afstand duizend yards !" Vallen ankerr . . . . . . !"

Een paar klappen met de hamer, los schiet de ankerstopper en met luid geraas ratelt de ankerketting uit. „Schip loopt achteruit ...." waarschuwt de schipper. .Stoppen beide".

Telkens loopt weer een stukje ketting uit naarmate het schip vraagt. „Veertig op het water" praait de schipper en even later: „Heeft getornd!" „Mooi, ankerrol bedankt, roerganger en machinekamer bedankt, sloep strijken en binnen het half uur stoomklaar blijven" zegt de commandant tegen de officier van de wacht. Vervolgens gaat hij met een zucht van verlichting naar z'n hut om zich te scheren en zich daarna op te fleuren met hete koffie en een paar gebakken eitjes met spek, want z'o nacht in de mist gaat je niet in de kouwe kleren zitten.

Ik vond het weer een mooi circus, daar boven aan dek, en het is vreemd stil nu alles is afge- zet, alleen de scheepsklok verbreekt af en toe de stilte met z'n getjingel, omdat we mistsein voor ten anker liggend schip moeten geven.

Van Lossiemouth zie ik nog steeds niets, al ligt het duizend yards van ons af. ,.Als de zon wat hoger komt breekt het wel" meent de schipper die naast mij is komen staan, nadat de sloep is gestreken. Hij heeft gelijk, want om elf uur kunnen we opeens de blauwe hemel zien boven ons en even later scheurt de mist uiteen en de Schotse kust met Lossiemouth ligt voor ons als een plaatje uit de middel-eeuwen. Het landschap is bergachtig, op een der toppen staat de ruïne van een kasteel. Lossiernouth ligt tegen een paar heuvels bij de kust geplakt; een verzameling van oude geveltjes en daken, met hier en daar wat rook uit een schoorsteen.

In de haven een paar masten van visserschepen, die binnen zijn gebleven en langs de kade een paar kroegen met de bekende reclames van „Watney's Ales" „Whithbread's" en der- gelijke. En dit alles overgoten met wat zonlicht is voorwaar een magnifiek gezicht; elk ogenblik verwacht je dat prins Valiant met z'n geharnaste rakkers om een hoek komt stuiven. Overigens wordt de middeleeuwse sfeer spoedig verstoord, door de straaljagers van het vliegveld Lossiemouth, dat achter de heuvels ligt; gillend en fluitend stijgen ze op, maken hun capriolen en landen weer in een onafgebroken reeks. Heerlijk die rust in de moderne tijd!

Tijdens de middagpauze wordt gezwommen, in het kristalheldere water, er staat geen stroom en de ankerketting is tot op de bodem te zien. Tien minuten na baksgewijs worden de zwemmers er weer uitgejaagd en om 1400 klinkt het fluitje van de schipper „Fuu ....ie-u-ie-t.... Fuu-ie-iet.. Wiedewiet!" . . . . . . „Baksgewijs!"

Om 1500 precies wordt aangevangen met het anker in te draaien, waarna we onder stoom gaan, de motorsloep met de meerploeg erin voor ons uit. We maken eerst een ruime bocht tot de haven goed „open" is en dan stevenen we recht op het nauwe gat af. Erg wijd is het niet en je vraagt je gewoonweg af van een afstandje, hoe of we daar in 's hemelsnaam door- heen moeten. Ik heb me opgesteld in de stuurhut, vanwege het goede overzicht dat mij daar wordt geboden. „Beide machines eenderde!" klinkt het door de spreekbuis .... „Beide ma- chines eenderde!" 3) herhaalt de roerganger. De telegrafen knorren en de wijzer van de elektrische log zakt langzaam van acht naar zes mijl per uur. „Midden haveningang!"...

„Midden haveningang" praait de roerganger terug. We zijn nu nog maar een tiental meters van het gat dat snel nadert, even later zitten we er keurig midden in en schuiven de hoge grauwe piermuren zo dicht langs ons aan weerszijden, dat we de pissebedden kunnen zien zitten. Daarna komt het moeilijkste pas, want de havenkom is maar heel klein en we moeten in het bassin ernaast door een nauwe ingang. Na veel kunst en vliegwerk lukt ook dat. 
Een grote truck met oplegger en nog een kleinere vrachtwagen met een stelletje lui van de MLD staan al op ons te wachten. Ze hebben hier in deze uithoek vast een pracht leven gehad, ze zien er dan ook uit als een stelletje weelderige rekels, wie het aan niets (in de ruimste zin des woords) heeft ontbroken. Een paar dorpsschonen die eerst giechelend bij hen stonden, trekken zich geleidelijk terug, nu de activiteiten van het laden gaan beginnen. 
Een luxe-wagen komt het met ruwe ronde keien geplaveide pleintje oprijden en stopt naast het schip. Een „lieutenant R.N." stapt parmantig aan boord en gaat naar de commandant toe, die naar het gedoe op de wal staat te kijken. ,.Eh.... good afternaon sah. I'm lieutenant Wainesfield Scott with the compliments of the captain sah .... calls will be despended with and heah is a car at your disponal until leave!" zegt de lieutenant stram groetend en met dat typische Oxford accent, speciaal gereserveerd voor de officieren van de Britse marine die dubbele namen hebben.

„Oh.... how jolly nice of him, telt your captain I do appreciate his nice pesture, will you"' antwoordt de commandant met een zo mogelijk nog hetere aardappel in z'n mond.

(Hij is een jaar bij de R.N. gedetacheerd geweest en kent het bedrijf daar).

De lieutenant kijkt een tikkeltje geconstipeerd, hij heeft een zakdoek in z'n borstzakje en ook nog een zakdoek in z'n linkermouw, die hij nu te voorschijn haalt en waarmee hij zijn gezicht bet. „The provost 4) will be very pleased to meet you and he'll be home all afternoon, I was to inform you sah". Thanks awf'lly old boy ah'll be delighted to see him, but won't you come in for a snifter ...?" 5) Very kind indeed sah, could it be a beah?'

Het tweetal gaat af naar de longroom, waar door de hofmeester een paar ijsoude pijpjes uit de ijskast worden gesleurd. Een paar algemeenheden worden gewiseld, waarna weer mines worden gemaakt om op te stappen. De lieutenant omplimenteert de commandant met z'n Engels, en krijgt prompt ten antwoord: Well' ah think you aren't doing too badly either old boy!" waarop hij vebrijsterd zwijgt.

De commandant is „in high spirits" dat hij deze rothaven heelhuids en zonder processenver- baal van beschadiging is binnen gekomen en blijkbaar is niets hem te dol.

Na de biertjes gaan ze in de auto, waar ik reeds schielijk in ben gedoken naast de chauffeur en we begeven ons naar het huis van de provost.

Het dorpje stelt niet veel voor, maar wel passeren we een mooi groot stuk strand met een badhotel en wat ik daar allemaal zo snaai met mijn arendsogen, mag behoorlijk naam heb- ben. Het beestigt mijn indruk van daarnet, dat die Li van het squadron het hier niet zo gek hebben gehad! We stoppen voor een prachtig, wit gepleisterd buitenhuis, met een juweel van een tuin erom heen. „This is the provosts' house sah, would you be kind enough to excuse me, I have to return the airstation and will send the car back!"

“Great fun to have been on board your ship sah ....!" hij groet stram en verwijnt in de auto, die snorrend wegrijdt. De commandant huivert .... „Great fun, wat een „pansy", mompelt hij, „vind je ook niet Lucky?" Ik geef de korte militaire blaf. We openen het tuinhekje en worden ver- welkomd door onze gastheer en vrouw, die ons naar een gezellig zitje achter in de tuin leiden, waar een goed gemeubileerde theetafel staat te wachten en - dat is nog veel beter - waar onder de theetafel een fles Johnnie Walker staat met een karaf gevuld met ijsblokjes.

De visite wordt een succes, onze gasteer is dokter van beroep en doet het burgemeesters- baantje erbij als „sidline". Onze gastvrouw is een charmante verschijning van achter in de dertig, die zich kennelijk nu reeds op verheugt, het leven bij veertig opnieuw te beginnen.

We kunnen best met elkaar overweg, bovendien heb ik een enorm streepje voor, doordat ik zelf ook Schots ben, ik voel me dan ook een echte canis popularis. Mijn gastvrouw stopt me van alles de lekkerste beetjes toe en een ogenblik denk ik er zelfs over om te drossen, als zij de commandant vraagt: „Do leave im heah, ah think he is simply adorable". Gelukkig ben ik - ondanks de „Scotch on the rocks", die we na de thee heben genoten, verstandig genoeg om braaf mee terug te gaan naar boord, per slot van rekening heeft die zeerijgsraad al bakjes genoeg in behandeling. Maar het is soms moeilijk heer te blijven. 

Het verlaten van de haven blijkt moeilijker te zijn dan het binnenkomen, want we moeten nog draaien ook, maar gelukkig lukt het wederom zonder kleerscheuren. Zodra we buiten zijn zetten we aan tot veertien mijl, want we moeten nu zo snel mogelijk naar de jutterij om onze deklading, waar we alleen maar last van kunnen krijgen bij slecht weer, kwijt te raken. 

Onze oversteek over de Noordzee is zonder evenementen tot we bij de ETST boei komen. De commandant had net de avond tevoren aan tafel zitten beweren, dat er altijd iets loos is als je het Nieuwendiep binnen komt, óf er staat een vliegende storm, óf de betonning is verlegd zonder dat je de laatste BAZ hebt, óf er is dichte mist, óf de haveningang is zo bezaaid met baggermolens en ander obstakels, dat je er nauwelijks meer in kan. Ditmaal lijkt het of we er genadig afkomen, maar niks hoor! Dichte mistbanken komen opzetten en dat is juist hier erg vervelend, omdat we de drukke scheepvaartroute Kanaal Hamburg, Bremen etc., kruisen; de zogenaamde ET route. De hele rataplan, plot, radar, uitkijker., echolood moeten dus weer in het gerei komen en ditmaal ook ik, want mijn post tijdens het op radar in de mist navigeren door betonde vaarwaters is een zeer belangrijke. 
Gehuld in een waakjas om de fijne waterdruppeltjes uit mijn vacht te houden, moet ik hele- maal op 't puntje bij de geusstok gaan staan, om met mijn bijzonder scherpe ogen de boeien te ontdekken en te kijken of het nummer klopt. Van het stuurhuis af wordt me telkens toe- geroepen wanneer het weer ongeveer tijd is voor de volgende en dan span ik me extra in om het ding zo gauw mogelijk te zien en het nummer af te roepen. Meestal hebben we op dit stuk, van de ET­ST boei tot bij de uiterton van het Molengat met veel koerskruisers te kampen, hetgeen erg ophoudt in de mist, maar dit keer valt dat mee, want ik hoor niet vaart minderen, noch andere mistseinen en weldra ontwaar ik binnen honderd meter voor ons, de uiterton en praai dat door. Op vijf meter aan stuurboord glijdt het ding langs ons. We stomen op deze manier nog vrij vlot van boei tot boei naar binnen. Zou men in Nederland - evenals in Engeland - lui wegens bijzondere verdiensten in de adelstand verheffen, dan zou ik vast worden genoemd: „Baron Lucky Joseph van Boei tot Boei!" Op de reede gekomen, hebben we weer veine, want de mist is daar zo, dat ik nog net de havenhoofden kan zien als we bij de lichtboei liggen vóór de haveningang.

Zodoende stomen we op mijn aanwijzing verder tot van de brug af ook de haveningang is te zien en als een echtgenoot die te laat thuis gekomen en die naar bed gaat zonder 't licht aan te durven steken, schuif  Hr. Ms. Wolf' stiekum naar binnen en vleit zich om 1510 langs Schiereiland 10 (onze meest geliefde ligplaats in de Nieuwe Haven), ongezien door het wakend oog van CZM in het paleis. Doch wel door de douane, die ons schip aan een gron- dige inspectie onderwerpt, voordat het wordt vrijgegeven. Natuurlijk is er weer een “sucker", die wordt gesnaaid met meer dan het toegestane aantal ongebanderolleerde sigaretten.

Ondertussen heeft zich op de kade spoedig een wachtende menigte verzameld. Leveranciers. schuldeisers, een paar wervianen, die iets komen herstellen of slopen, een truck van de Marcandi en een aantal lieden, die eigenlijk niets te doen hebben, maar hopen op een paar haringen, etc. De meest welkome gasten zijn een tweetal .,tarissen", die de salarissen komen uitbetalen, en de facteur, die met de meerploeg het eerst aan wal is gestapt en nu terug is van het postkantoor met twee mailzakken.

Als de douane het schip te langen leste vrij geeft, stroomt alles aan boord. Daar het een door de weekse dag is en maar enkele in Den Helder wonen, loopt het schip niet leeg als er „vastwerken" wordt gefloten door de schipper en blijft vrijwel iedereen aan boord. Ik ga naar beneden, want mijn systeem schreeuwt naar alcohol, deze vijand van het mensdom, en ik kom net op tijd in de „Gouden Bal" om mee te ruiken aan een rondje dat de schipper weg- geeft, vanwege het feit dat zijn nieuwe gebit klaar is. Z'n ingevallen wangen en mond zijn weer opgevuld en als hij lacht is het een en al tand. Van de „Gouden Bal" ga ik naar de longroom, waar alle hens aanwezig is, de dominee wordt namelijk uitgegeten, het is zijn laatste dag aan boord en hij zal morgenmiddag niet meer uitvaren. Er wordt juist geknobbeld om het volgende rondje, als iemand klopt en de facteur zijn hoofd om het gordijn steekt, dat voor de deur van de longroom hangt. „Commandant, ik heb hier een stuk uit Hamburg, van de Consul Generaal en aan u persoonlijk geadresseerd, wilt u het hier hebben?"

„O ja, daar ben ik zeer benieuwd naar", zegt deze en hij grist de dikke gele enveloppe met lakken uit de handen van de facteur.

Alle ogen zijn op de commandant gericht, want Hamburg staat in het teken van de belang- stelling, het schijnt namelijk een stad te zijn met bijzonder veel cultuur. Uit de enveloppe komen een krant, een paar getypte velletjes en een brief. Stilte heerst alom, als de comman- dant de brief leest. De oudste officier pikt de krant op en kijkt de pagina's door. Plots schiet hij in de lach. „Neen maar, moet je deze horen, dat is er een voor „Praetvaria-varia" en hij laat een foto van ons scheepje zien, waaronder het volgende opschrift:

„Sehr bald wird zum ersten mal nach dem Kriege ein Hollandisches Kriegsschiff Hamburg besuchen, es ist der „Wolf", ein Fischereischiitzkreuzer, die auch schon viele Deutsche Fischerleute assistiert hat. Ftir die Fachleute: das schiff hat 890 tonnen tragfiihigkeit. Ffir die Frauen: das schiff hat 85 gesunde Männer an bord!" Een luid gelach barst los. Die consul generaal toch! Wat een propaganda.

De hofmeester die bij de deur staat en die gesprekken uit de longroom natuurlijk nooit mag verspreiden, draagt er zorg voor dat dit verhaal als een lopend vuurtje door het schip gaat.

De dominee lacht ook mee, maar met een pietsie kiespijn, want hij blijft ketelaar van Ham- burg, evenals de tarissen die na gereedheid van de uitbetaling in de borrelkring zijn opge- nomen. Zij zijn bijzonder populair aan boord van Hr. Ms. „Wolf", want ze behoren tot dat soort tarissen, die behulpzaam zijn, beseffen dat de staf aan de wal er is voor de schepen en pro- beren de bepalingen te interpreteren in het voordeel .,van de man".

De voedingsofficier, die zo juist een paar waardevolle tips heeft gekregen over het invullen van de verantwoordingen van levensmiddelen uit zijn gevoelens door te zeggen: ..Jullie zijn heren!" Daar inmiddels het derde rondje borrels al is geweest, ontspint zich een levendige discussie over wat nu eigenlijk een „heer" is. Diverse definities worden gegeven, van “a wolf in sheeps clothes" tot varianten die hier beslist niet kunnen worden genoemd, doch allen worden ze afgekraakt. Uiteindelijk blijkt wel als grootste gemene deler van de algemene opinie, dat „een heer iemand is, die in elke situatie altijd correct blijft". Hetgeen de voedingsofficier prompt aanleiding geeft tot het commentaar: „So that's why ladies do not always prefer gentlemen!" Met als resultaat dat iedereen in koor brult, dat de spreker „beslist geen heer is". Op dat moment steekt de korporaalhofmeester zijn bezorgde gezicht om de hoek van de deur en zegt: „Het is de hoogste tijd voor tafel commandant, want de soufflé staat op inzakken!" 
„Dat is vuile rommel heren, onmiddellijk aan tafel!" zegt de commandant. 

Na veel geschuif van stoelen zit iedereen. Ping!" zegt de tafelbel. Stilte heerst alom en hoof- den buigen zich ......„Ping ping!"

Het gesprek laait weer op in de gezellige kleine longroom. Tijdens het uiteten is het menu veel uitgebreider dan gewoonlijk en bij elk bord ligt een hoop gereedschap, alsmede diverse glazen.Door de vele dagen op zee is de gamelle behoorlijk rijk geworden, iets dat aan ,de wal niet altijd kan worden gezegd. De kaas-soufflé blijkt voortreffelijk en de korporaal hofmeester glimt van trots voor de complimenten. Doch zet ik dit niet in je conduite" zegt commandant schertsend tegen de korporaal, „want dan ben ik je zo kwijt! . ... 

De eerste wacht is bij half om, als het diner is afgelopen en de dominee door de hele long- room hartelijk uitgeleide wordt gedaan. De volgende dag brengt voor mij een gebeurtenis, waar ik totaal niet op heb gerekend. Ik word direct na ochtendsgewijs bij mijn divisiechef geroepen, die tevens de functie van OB-offcier aan boord vervult. Hij heeft een verzoeken- formulier in de hand en geeft het blauwe exmplaar (bestemd voor de verzoeker) waarop het volgende staat te lezen: „Het verzoek is bij uitzondering toegestaan; indien test bij MOC Voorschoten gunstig, zal verzoeker worden overgeplaatst VBS/opleiding telegrafist".

De minister van marine, voor deze het hoofd van het bureau schepelingen de kapitein luitenant ter zee, w.g. onleesbaar.

Asjemenou, dat is vlugger dan ik had gedacht! Wanneer moet ik weg meneer?" waag ik te vragen. Daar heb ik zojuist over getelefoneerd met personeel CZM; je bent met ingang van vandaag gedetacheerd bij het MOV, het staat al op de „P", maar die heb­ben we wat laat gekregen, doordat we lang buiten waren!" “Dus dat betekent geen Hamburg meneer?" Inderdaad, dat wil zeggen als je test gunstig uitvalt, want dan plaatsen ze je over naar de VBS, valt de test niet goed uit, dan kom je hier weer terug en ga je wel mee naar Hamburg". Ik slik een paar keer en kan dit alles nog niet goed verwerken, want ik ben toch wel erg aan dit schip en zijn be­manning gehecht. “Had je verder nog iets op ’t hart Lucky?" Waf…… nee meneer!"

“Ingerukt dan en pak vlug je barring. Een vrij vervoertje ligt al voor je klaar bij de schrijver eerste officier”. Ik maak rechtsomkeert en verdwijn. Een uur later sjouw ik met mijn plunjezak door de stelling naar het oude sta­tionnetje. 

Mijn „spirits" zijn „low". Vele handen heb ik geschud ten af­scheid; m'n maats van dek, de schipper, de overige leden van de Gouden Bal, de officieren, de korporaal telegrafist, de korporaal schrijver en nog vele anderen. Toen ik op de steiger stond en nog eens omkeek naar Hr. Ms. „Wolf", de visserijpolitiewimpel strak wapperend aan de ra, toen kwam er een brok in m'n keel en ik pinkte even een traan weg. Ja, zo is het nu eenmaal in de Navy en overal elders.

Er is een tijd van komen en een tijd van gaan. Maar wie weet wat voor goeds mijn nieuwe plaatsing mij zal brengen? Vastberaden sleur ik mijn plunjezak iets hoger op mijn schouder, stap het station binnen en grom in mij zelf indachtig aan de waarschuwing van de korporaaltelegrafist voor de strenge discipline bij de VBS: „Lucky Joseph, ouwe jongen, CAVERE NECESSE EST!

1) Naval Air Station
2) Gebrek aan brandstof.
3) Hr. Ms. Wolf heeft Amerikaanse telegrafen.
4) In Schotland spreekt men niet van „mayor" maar van „provost' burgemeester). 
5) Snifter -borrel, hartversterking, snel genoten.