DE HERSELECTIE

 
Steeds verder brengt de gloednieuwe dieseltrein waarmede de Nederlandse Spoorwegen de marine heeft verrast, mij naar het zuiden. Heel lang hebben de stoomlocomotieven en de ouderwetse wagons - door de marinelui „beestenwagens" genoemd - zich op het traject Alkmaar Den Helder weten te handhaven, doch eindelijk nadat ze zowat van ellende uit elkander vielen zijn ze van het toneel verdwenen. Het is niet druk in de trein en ik zou me dood verveeld hebben, ware het niet, dat er in hetzelfde wagongedeelte waar ik zit, een aantal gezellig kwetterende vrouwen zijn, die blijkens hun opgeruimde stemming. hun zorgvuldige make-up en verzorgde toiletjes een dagje uitgaan in Amsterdam. teneinde de grauwe sfeer van Den Helder van zich af te schudden. Zo te zien zal dat best lukken en zal de laatste loonronde van manlief straks in Amsterdam onverbiddelijk de nekslag krijgen, want laten we eerlijk zijn, zo'n pot van de ochtend-bridge, is een druppel op een gloeiende plaat. 

Uit hun gesprekken maak ik op, dat het marinevrouwen zijn, wegens alle scheepsbewegingen die worden onthuld, conduites die worden opgemaakt en overplaatsingen die worden beproken, waar zelfs de vlag-officier personeel „himself" (daarginds in het luizenhuis te Den Haag) nog niets van af weet. Voorts blijkt mij, dat ze van plan zijn een modeshow te bezoeken in het Victoria-hotel tegenover het Centraal Station, gegeven door de firma Jerry Offerman (haute couture). Dit horende stel ik vast, dat dan de hogere ambtenaren­salaris- verhoging er eveneens aan zal gaan! In Uitgeest stapt het stel uit, nadat een conducteur hen er tactvol op heeft gewezen, dat ze in Haarlem terecht zullen komen inplaats van in Amster- dam, indien ze blijven zitten. Geagiteerd en lacherig stappen ze naar buiten, om zo snel als hun nauwe rokken het toelaten de trein naar Amsterdam te enteren, die aan de andere kant van het perron klaar staat. De stationschef staat al te wachten met zijn koekepan in de hand om het vertreksein te geven en doet net alsof hij de trein vlak voor hun neus wil laten ver- trekken. De wagon is leeg en ongezellig nu het stel is verdwenen en de rit duurt lang, nu we van halte tot halte verder sukkelen naar Haarlem dat aan de overzijde van de grens der beschaving ligt, het Noordzeekanaal. In Haarlem pak ik de trein naar Rotterdam die tjokvol is zoals gewoonlijk. en in Leiden stap ik uit en pik „de blauwe" naar Voorschoten.

We snellen weer voort door groene weiden waarin koeien ons duf herkauwend nastaren; dit zijn wel geheel andere vergezichten dan waar ik de laatste tijd aan was gewend. Na een kwartiertje rijden daveren we door het dorp Voorschoten en stoppen met veel geblaas van luchtremmen bij een zijweg, waar een blauw bordje staat, waarop in wit: Marine opkomst- centrum Voorschoten
Aan het einde van deze korte zijweg ontwaar ik een geopend hek, met anker en kroon, een wachthuis en een schildwacht in matrozenuniform; onmiskenbaar tekenen van de aanwezig- heid van een marine-inrichting, of - om in VKM-stijl te blijven - een „inrichting der zeemacht". Ik passeer de schildwacht en het hek en wil voorbij het wachthuis persen, als plotseling een boom van een kwartiermeester ten tonele verschijnt, waar mee ik beslist geen ruzie zou wille, maken die mij vraagt naar mijn identiteitsbewijs en wat of ik wel kom doen.

Gehoorzaam toon ik het gevraagde bewijs, lever mijn reisopdracht in en wacht af, om orders te ontvangen, zoals het een goed militair betaamt. Een merkwaardig contrast, deze landelijke omgeving plus de geur van hooi en koeienmest afkomstig van de naburige boerderijen en - binnen de omheining van het kamp - de onmiskenbare marine-sfeer, die zich manifesteert in de zeebonk (die met dikke vingers, beter geschikt voor het hanteren van touwwerk, mijn papieren doorsnuffelt) en de mast met gaffel, waaraan de natievlag waait.

Het kamp bestaat zo te zien uit een groot aantal langwerpige barakken van eenvoudige doch smakeloze architéctuur en van semi-permanent karakter doch permanent in gebruik, zoals meer gebouwen in onze marine.”Zo, dus jij moet hier zijn voor herselectie!" zegt de kartier- meester, mij uit mijn observaties opschrikkend. „Jawel, meester!" zeg ik.

Ik denk niet dat je vandaag nog aan bod komt, want er is net een heel stel miel's en be- roepslui binnengekomen. die eerst door de molen moeten .... hier is je rondebriefje en denk erom. dat je niet mag passagieren, zo lang je hier bent, dat mag alleen de vaste bemanning!"

Ik maak rechtsomkeert en verdwijn; het is hier dus kennelijk een soort krijgsgevangenkamp met genotsverhoging! De passagiersslag naar Den Haag, die ik mij reeds had voorgenomen te maken zal er dus niet af kunnen. Mijn goede voornemens om direct met mijn ronde te beginnen worden prompt de bodem ingeslagen, als ik voorbij een kantine kom, met een paar juke-boxen, een biljart en de onvermijdelijke miniatuur voetbalspelen waarmede O.S. & O. ons tracht te ontspannen. Een stel rondbungelende jongelieden in burger, die erg onwennig om zich heen kijken, bevolken het vertrek. „Zeker geronselden", stel ik vast. De geur van koffie doet mij binnengaan en met welbehagen slurp ik een mok leeg. Een ding is zeker, sinds het aantal vlagofficieren van administratie is opgevoerd, hebben we goede koffie en heeft het surrogaat afgedaan. Met een tevreden zucht strek ik mij daarna uit onder een stoel, trek mijn plunjezak voor mij zodat ik niet teveel in de peiling loop en maak een korte piepslag na deze uiterst vermoeiende en lange reis.

Kort is de piepslag zeker, want ik word met een schok wakker in het lege verblijf doordat de stoel boven me wordt weggetrokken. „Hartelijk gefeliciteerd man", zegt een diepe basstem met een rasp erin vanwege het drinken van een ton jenever en het eten van veertig kilometer kroketten gedurende een marineloopbaan van evenveel jaren. De stem blijkt te behoren bij een officier van vakdiensten met een vierkante kop, een dito lichaam en een paar handen als kabelklemmen; op zijn gezicht tekent zich een sarcastische grijns af. „Waarmee meneer?" vraag ik enigszins benepen. „Dat ik je hier snaai na koffiedrinken, lapswans, vooruit op je ronde, en reclames na afloop op mijn ....!" deze woorden gaan gepaard met een gematigde trap tegen m'n achterste. „Pech gehad", prevel ik en begeef me gedwee op m'n ronde, vooruit wetende dat ik geen reclames zal hebben bij deze man, die lichtmatroos werd toen de CZM nauwelijks van de borstvoeding af was.

De kwartiermeester aan de poort blijkt gelijk te hebben, want ik kom inderdaad de eerste dag niet meer aan bod en breng dus de avond door in het kamp, met de twee pijpjes waar ik aanspraak op heb en met het kijken naar een film. De tweede dag word ik na koffiedrinken met een stelletje burgers naar buiten geloodst en vervolgens naar een andere barak geleid. Wij gaan een deur binnen waarboven een grootbord hangt met opschriften, die ik in de gau- wigheid niet kan lezen, wel ontwaar ik de woorden „psychisch" en „medisch".

Onze geleider laat ons alleen in een soort wachtkamer, in het midden waarvan een grote tafel staat, omringd door stoelen. Aan de wachtkamer grenzen rondom een stel kleine kamertjes, blijkens de vele deuren met glasruiten in de bovenste helft. Een paar vriendelijk uitziende jongelieden in burger komen binnen, waaronder een paar dames. Ze nemen elk een slacht- offer mee en verdwijnen daarmee in een kamertje. Het schijnt allemaal nogal gemoedelijk te gaan, want ik hoor geen zweepslagen, noch kreten van pijn. Na verloop van tijd gaat een der deurtjes open, het slachtoffer verdwijnt en de ondervrager knipt naar mij. Ik stiefel naar binnen, spring op de stoel, spits m'n oren en trek mijn pienterste gezicht, wachtend op de dingen die komen zullen. De jongeman gaat aan de andere zijde van de tafel zitten en werpt vluchtig een blik op mijn kaart. Hij toont zich in het geheel niet verwonderd een hond voor zich te hebben, al is het dan ook een scheepshond der eerste klasse, en haalt een vel papier voor de dag, dat hij mij voorlegt. Op het papier staat een wonderlijk samenstel van vlekken, waar Picasso zelfs geen touw aan vast zou kunnen knopen, laat staan ik.

„Heeft u dat zelf gemaakt?" vraag ik met geveinsd ontzag in mijn stem. De psychiater in opleiding (want dat is hij) laat zich daardoor niet uit het veld slaan, heeft blijkbaar met groter gekken te maken gehad, en zegt alsof hij mijn vraag niet heeft gehoord: „Waar doet je dit nu aan denken?" „Aan teefjes!" flap ik er zonder enige aarzeling uit, onder het motto „je moet toch wat zeggen". De jongeman kijkt verbijsterd en zegt op dito toon: „Waarom doen die vlekken je aan teefjes denken?" „Nou ja," zeg ik, „ik denk altijd aan teefjes!"

De jongeman kijkt me nu beslist ontsteld aan en zijn ogen zoeken de muur af naar een dwangbuis, als plotseling de deur opengaat en een ouder iemand binnenkomt, die onmis- kenbaar het air heeft van een doorgewinterd marinearts. „Hoe gaat 't hier?" vraagt hij.

De jongeman begint terstond een druk gesprek met de arts; hij struikelt bijna over zijn woorden. „Deze hond hier heeft wel een zeer vreemde reactie op z'n Rohrschacht, dokter!"

„Hoe zo?" „Zijn primaire reactie is „teefjes", zo iets heb ik nog nooit meegemaakt, dit wijst op een traumatische toestand teweeggebracht door die vlekken, doch zijn secundaire reactie is dat hij altijd aan teefjes denkt, hetgeen meer wijst in de richting van een verdrukt Freudiaans sexualiteitscomplex!" „Wat is je burgerbetrekking?" vraagt de arts mij. „Ik ben bij de marine", zeg ik lichtelijk verbaasd en het eerste klas insigne tonend aan mijn halsband, „ik ben hier voor herselectie!" Haastig kijkt de jongeman in mijn kaart. „Ja inderdaad, dat is zo, hij is hier dus ten onrechte binnengekomen!" zegt hij blozend. „Hoe lang ben je al bij de marine?" vraagt de arts mij onverstoorbaar. „Zes jaar dokter, sinds 1951!'

„0….. ... schrijf maar op „reactie normaal", hij kan meteen door naar de afdeling selectiè" zegt de arts tegen de jongeling en tegen mij: „En jij boudt je gedekt en wee je gebeente als je de zaak flest!" En weg is hij weer. Ik krijg opdracht om naar de volgende loods te gaan, waar ik mij moet melder bij een Ltz. I van speciale diensten, voorzien van een vriendelijk en intel- igent gezicht. Hier ben ik kennelijk weer in het goede spoor, want hij vraagt mij direct of ik dat bijzondere geval ben, dat moet worden her­geselecteerd voor telegrafist.

„Jij hebt zeker speciale vrindjes bij personeel, dat je na zes jaar nog een nieuw dienstvak mag kiezen!" is zijn commentaar. Hij neemt mij mee naar een klein kamertje, waar ik allerlei raadseltjes moet oplossen, de eerste zijn gemakkelijk, maar geleidelijk aan worden ze moeilijker en de laatste kan ik niet oplossen, noch de logica erin ontdekken. Dat schijnt echter normaal te zijn en zo te horen bij lieden van enige intelligentie zoals ik. Vervolgens kom ik in een ander kamertje, waar langs de muur allerlei speelgoedhuisjes staan en boom- pjes, molens, treintjes, kortom een paradijs voor kleine jongens. Op mijn vraag waar dat voor is krijg ik ten antwoord dat ik daarmede niets te maken heb, want dat die dingen horen bij een test die alleen wordt afgenomen van lui die adelborst of A.R.O. willen worden. Van mij wordt nu de morse-test afgenomen, die bestaat uit lange series t's, i's en n's die met behulp van een bandrecorder in morse worden uitgezonden; eerst langzaam en geleidelijk aan steeds sneller.

Op een groot vel papier moet ik elke geseinde letter opnemen, nu daar heb ik niet de minste moeite mee, zelfs niet met de laatste rijen die het snelst worden geseind. Mijn examinator kijkt bewonderend. De vele keren dat ik aan boord van Hr. Ms. „Wolf" in de radiohut heb geluisterd, komen mij thans van pas. Ook nu ben ik nog niet klaar, want als proef op de som moet ik nog de concentratietest van Grutenbaum afleggen. Daartoe zet men mij weer in een ander kamertje, voor een bord waarop in kolommen met gelijke tussenruimten getallen zijn gezet, in grote cijfers, terwijl vlak boven elk getal, in kleine cijfers, nog een getal staat.

De grote getallen moet ik nu in volgorde van de laagste (1) naar de hoogste opzoeken, maar dan moet ik hardop telkens het getal zeggen in kleine cijfers, dat erboven staat.

Nu lieve lezer, dat valt niet mee, het duizelt me op het laatst en ik zie groene vlekken dansen tussen de getallen op het grote witte bord. Eindelijk ben ik klaar, mijn gezicht is niet triom- antelijk zoals na de morsetest en de examinator heeft leedvermaak. Het onderzoek is nu afgelopen en ik krijg opdracht mij te melden bij het bureau selectie voor het ontvangen van nadere orders. Deze blijken te bestaan uit een vrijvervoerbewijs naar Amsterdam en een reisopdracht waarop staat vermeld dat ik mij de volgende ochtend „per eerste gelegenheid naar Amsterdam moet begeven en mij onmiddellijk na aankomst aldaar moet melden bij de verbindingsschool". Ziezo, het is dus blijkbaar gelukt, alleen jammer van Hamburg.

De volgende dag zit ik weer in de trein, nu van Leiden naar Amsterdam, gewapend met een plunjezak, vervoerbewijs en reisopdracht, alsmede een gepaste dosis optimisme. De trein is stampvol dank zij het enorme aantal forensen en ik ben dan ook blij als we eindelijk in Amsterdam C.S. arriveren (tien minuten te laat volgens het spoorboekje).

Met de massa mee wordt ik door de tunnel geperst en via de loketten en een klapdeur beland ik op het trottoir voor het C.S. Het woordje „onmiddellijk" op m'n reisopdracht vergetend zet ik mijn plunjezak neer en kijk eerst eens goed om mij heen, temidden van deze jachtende mensenmassa’s die, om een oude marine-expressie te gebruiken „kakken te kort hebben" om zich naar hun werk te begeven teneinde hun inkomsten- en loonbelasting te kunnen betalen.

„Merkwaardige zaak toch dat leven, overpeins ik, „een goede duizend jaar terug haastte niemand zich, de mannen gingen op jacht of dobbelden om de vrouwen, die het zware werk deden, en dat ging toch goed. En dan moet je nu dat gejacht en gehaast zien, net alsof ze zo spoedig mogelijk aan het eindpunt willen arriveren: het graf en de eeuwige rust!" 
De stoplichten voor mij flappen van rood op groen, een dichte rij auto's en andere voertuigen komt tot stilstand en een even dichte stroom mensen snelt over de ,zebra-kruising" voor de wachtende auto's langs. Zoals Mozes met de Joden door de Rode Zee denk ik, stort mij in de stroom reizigers en bereik de overkant, waar uitkijken toch ook wel essentieel is, wil men niet door een der vele trams worden gereduceerd tot een „beefsteak á la tartare".

Buiten adem arriveer ik bij -het hek van de waterkant, waar ik mijn plunjezak neerzet. Hier sta ik buiten schot, want de mensenmassa's die nog steeds door het Centraal station worden uitgebraakt, stromen nu langs mij heen. Een gedeelte blijft wachten bij de diverse tramhalten om zich bij aankomst van een dergelijk vehikel met ware doodsverachting een plaats daarin te bemachtigen teneinde toch vooral het genoegen te kunnen smaken om zich even later als een haring in een ton en al hotsend en botsend door de straten van de metropool te laten voortsleuren. De overigen prefereren de benenwagen en spoeden zich langs mij voort over de brug naar het Damrak en vandaar verder de stad in. 

Het is mooi weer ondanks het late jaargetijde en dank zij een laatste stuiptrekking van de zomer zijn de vrouwen niet gehuld in jassen doeken en shawls, doch in kledij die hun beter tot hun recht doet komen. Er gaat heel wat aardigs voorbij, al of niet begeleid door afspraak- jes makende jongelieden, die al naar gelang het stadium der onderhandelingen, los naast hen lopen, een elleboog licht vasthouden, een hand beetpakken, dan wel hun arm met een bezittersgreep om een taille hebben geslagen (of schrijf je dat tegenwoordig „talie"; met al die nieuwe spellingen weet ik het niet meer). Van onder de brug verschijnt een keurige motorsloep van de Koninklijke marine, bemand door een burgerschipper en een stoker olieman, die aanlegt aan de steiger vlak bij mij.

Aangezien ik lopen nog altijd beschouw als een noodzakelijk kwaad, lijkt mij deze sloep een zeer geschikt voertuig om mij naar het marine etablissement te brengen, dus daal ik de trap af naar de steiger en klamp de schipper aan. „Waar gaat u straks heen, schipper?" vraag ik heel beleefd. „Naar het M.E.". „Zou ik misschien mee mogen, want ik moet naar de V.B.S."

De schipper kijkt alsof ik van alle ratten ben gebeten: „Dit is de commandantssloep en ik mag alleen maar de commandanten meenemen en hoofdofficieren. Als je hier blijft wachten tot ze komen heb je misschien een kans dat ze je mee laten gaan." „O", zeg ik en werp een blik op de vergulde wijzers van de stationsklok, die op vijfentwintig voor negen staan.

„Wanneer komen de heren meestal aan?" „De commandant T.O.K.M, meestal pas tegen negenen omdat z'n trein altijd te laat is en de commandant V.B.S. om kwart voor negen."

Indachtig aan het „onmiddellijk" op mijn verlofpas, en de aanwezigheid vermoedend van officieren van vakdiensten bij de V.B.S., besluit ik dat het maar beter is de benenwagen te nemen, misschien staat het wat al te herig om zo direct de eerste keer al met de sloep van je commandant te arriveren. Dus prevel ik een „goeie mogge", klim de trap weer op, slinger mijn plunjezak over de schouder en begeef me op weg. 
Op de brug die naar het Damrak voert passeer ik een weldoorvoede bedelaar die op een oude viool klaagliederen de wereld in zendt, terwijl een even doorvoede St. Bernard­achtige hond naast hem op een kleedje zit en het centenbakje bewaakt. Brrr wat een beroep, dan toch liever scheepshond en welgemoed steek ik over, richting Prins Hendrikkade, om mij te begeven naar dat gedeelte van Amsterdam, bekend onder de naam „Kattenburg". Na een klein kwartier lopen kom ik bij de ophaalbrug, aan het einde van de Prins Hendrikkade en die gaat open, zodat er niets anders op zit dan te wachten. Links van mij strekt de zuidzijde var, het M.E. zich, uit langs de waterkant. Aan de westkant staat het hoofdgebouw van de V.B.S., met een seinpost op het dak. De ene hijs seinvlaggen na de andere wordt daar gehesen en weer neergehaald en boven op het seinhuisje staat met driftige bewegingen een mannetje met z'n armen te seinen.

Naast het schoolgebouw is een lang en laag gebouw, dat de cantine en de kazerne van de V.B.S. herbergt en weer daarnaast een hoog gebouw met een torentje met vlaggestok op elke hoek, dat in de wandeling „het paleis" wordt genoemd. Bij het linkertorentje is in de gevel een zonnewijzer aangebracht en bij het rechtertorentje een klok; beide hebben een kwastje verf hard nodig. „Zeker vanwege de bestedingsbeperking", mompel ik. Langs de waterkant van het Kadijksplein vormen de huizen een schilderachtige aaneenschakeling van geveltjes. Mijn oog valt op een typisch staaltje van Amsterdamse humor; in de etalage van een lingeriewinkel aan de overkant hangt een collectie b.h.'s voor de ramen en daaronder staat in grot letters:

UITVERKOOP…LAAT ZE NIET…HANGEN…VOOR…………..35 CENT……… PER STUK

Ik ben net uitgegrinnikt, als de brug weer dicht gaat en de wachtende menigte zich er over- heen stort. Met een ruk hijs ik m'n plunjezak weer over m'n schouder en begeef me op de laatste etappe naar de V.B.S.