MIJN ENTREE IN HET MARINE ETABLISSEMENT

 
Mijn aandacht van de winkel met b.h.’s wordt afgeleid door de ophaalbrug die weer dicht gaat. Een drom fietsers, brommers, scooters en zwaarder materieel zet zich aan weerszijden in beweging; het heeft veel van een veldslag uit de middeleeuwen, waarbij de slaglinies van korte afstand af op elkander instormen. In het midden ontstaat een mélee, waar als eersten een aantal bromfietsers zich zegevierend uit loswurmt. De overkant heeft pech gehad, want daar beweegt zich een enorme bestelwagen van “Van Gend en Loos", getrokken door twee paarden die volstrekt geen haast maken, zodat zich daarachter rijen tandenknersende automobilisten bevinden, die er niet langs kunnen. Met een zucht pik ik mijn plunjezak weer op, ga de ophaalbrug over, sla linksaf en passeer de draaibrug. Direct aan het eind daarvan moet ik weer linksaf de inrit van het marine-etablissement in. Deze inrit bestaat ook uit een brug, aan het eind waarvan een hek met wachthuisje en daarachter is ook al weer een brug, via welke men eindelijk vaste voet op het M.E. krijgt. Het wachthuisje staat dus op een eiland, dat de fiere naam „Kogel-eiland" draagt en het kleinste eiland is in Nederland. Op het hek staat:

WIELRIJDERS AFSTAPPEN MELDEN BIJ DE WERFPOLITIE

Naast het grote hek voor de auto's is een klein hek, dat open staat en waardoor ik binnenga, om me bij de politieman te melden, die in de deuropening van het wachthuisje staat en mij nieuwsgierig aanstaart. Later verneem ik dat zo'n man officieel „marinewaker" heet en dat hij lid is van het marinewakerskorps" (M.w.k.). Dit blijkbaar om de tegenstelling met de rest te accentueren! Ik trek mijn indentiteitsbewijs te voorschijn om mij te legimiteren (dit zijn geen drukfouten waarde lezers, want in de marine spelt men deze woorden nu eenmaal zo) doch de marinewaker blijkt inderdaad te waken, want hij schudt zijn hoofd, na een blik op mijn bewijs te hebben geslagen:

„Je bent hier verkeerd Lucky, dit is de poort Kogel-eiland, hier mogen geen schepelingen door, je moet naar binnen door de hoofdpoort in de Kattenburgstraat, honderd meter verder!" „O" zeg ik en wil weer op mijn schreden terugkeren als de zon voor mij totaal wordt verduis- terd door een enorm grote Ltz. I ZD 1) die aan komt stappen. Hij paart een grote lengte aan een dito omvang en zijn hoofd rust op een stierennek. Onderzoekend kijkt hij mij aan, alvo- rens het autohek te passeren, dat de marinewaker met een brede zwaai voor hem heeft opengedaan. Uit zijn pientere ogen stralen levenservaring en gevoel voor humor: „Zo beestje" zegt hij, „kom jij hier ook eens kijken?" Ik knik instemmend en inhaleer vol welbehagen de lucht .... heerlijk,.... Bokma! Vervolgens gaan wij ieder ons weegs; ik stel mij er veel van voor deze man nog eens te ontmoeten.

De Kattenburgerstraat blijkt smal te zijn. Aan mijn linkerhand bevindt zich een zeer oud uitziende blinde muur, waarachter zich de kazerne moet bevinden en aan mijn rechterhand zijn rijen armoedig uitziende huizen, tegen elkaar gedrukt en hier en daar scheef gezakt, waar de Kattenburgers in wonen. Op straat spelen drommen kleine kinderen, uitgerust met groezele gezichten en snotneuzen. Met ware doodsverachting bewegen zij zich tussen het verkeer, zonder zich daar ook maar iets van aan te trekken. 
Daarboven, één-, twee- of meer-hoog, zijn huisvrouwen bezig hun kleden met mattenkloppers te lijf te gaan en stofdoeken aan het uitschudden, ter verhoging van de zuiverheid der buiten- lucht. Zo af en toe gillen zij een waarschuwing naar beneden als er ruzie is onder hun spruiten, dan wel roepen elkander de nieuwtjes van de dag toe. Even voordat ik de poort heb bereikt bedenk ik mij, dat het verstandig is nog even een plasje te doen, per slot van rekening weet ik nog niet hoe de regels op het marine etablissement zijn, en waarom zou ik onnodig opname in het vlaggeboek riskeren? Ik zet dus mijn plunjezak neer en ben midden in de procedure, als plotseling een klein hinderlijk schooiertje het nodig vindt om mij lastig te vallen. 

Juist wil ik een woedend geblaf ten beste geven als echter een mondain gekleed en zo op 't oog lief en zacht mevrouwtje dat juist passeert, de volgende afgrijselijke woorden over haar lippen laat rollen: „Kleine kleerelijer lazer op, laat dat arreme beessie toch rustig p ……n!!" De kleine lijer in kwestie laat af en ik ga opgelucht verder, vol ontzag dat fréle mevrouwtje nakijkend, zo modieus van kleding, doch zo ruw van tong. Nu ben ik dan toch bij de hoofd- poort die bestaat uit twee zware houten deuren met ijzerbeslag. In de rechterdeur is een binnendeur aangebracht en midden boven de poort hangt een ouderwetse lantaarn aan de gevel. De grote deuren worden wijd opengeworpen. „Aardige geste" prevel ik en loop naar binnen, minzaam knikkend tegen de stram in de houding staande en groetende menigte, om echter halverwege in de kraag te worden gegrepen door de officier van de wacht, die me naar de kant sleurt onder het uiten van de woorden: „Zie je dan niet dat de CMM er aan komt, baal shag!" Hij heeft het nog niet gezegd of een glanzende limousine met een kapitein ter zee achterin, glijdt de poort door. 

Eerbiedig, doch gegriefd, klim ik in de houding en groet mee tot de wagen uit het gezicht is verdwenen. „Doorgaan!" roept de onderofficier van de wacht. Nu acht ik het geschikte moment aangebroken om mij te melden en ik voeg daad bij gedachte. „Scheepshond Lucky Joseph geplaatst bij de Verbindingsschool V.B.S. meldt zich!" „Zo, dàn kom je op een mooi moment, want er wordt een beëdiging gehouden op het excercitieterrein, waar alle hens bij is en na afloop is het zondagse dienst!" „Dat komt mooi uit bootsman, dan kan ik straks dus nog de wal op, om Amsterdam eens nader te bekijken!" „Ga je eerst maar eens melden bij de onderofficier van de wacht van de Verbindingsschool V.B.S. in het stenen gebouw, die denkt daar misschien anders over!" is het wijze advies van de bootsman, die daarbij wat spottend kijkt. Ik ruk in en zet mijn eerste schreden op het terrein van het Marine Etablissement. 

Mijn eerste indruk is dat ik in een bijzonder aardige en schilderachtige omgeving ben terecht gekomen. De muur die er aan de buitenkant zo ongezellig uitziet, blijkt de blinde achterkant te vormen van een reeks allercharmantst uitziende oude gevels en ramen, waarachter de diverse kantoren, diensten en bergplaatsen van de marinekazerne zich bevinden. Vóór mij - tegenover de poort - bevindt zich een goed onderhouden grasveld met vijver, afgezet met een lage heg en bloemperken. Midden op het gazon, naast een tegelpad dat diagonaalsgewijs door het grasveld loopt, staat een antieke waterpomp, waarnaast een paar treurwilgen. Alleen de troubadour in middeleeuwse kledij, die zich opvreet van smart bij het tokkelen van zijn liederen, ontbreekt aan het tafereel. Achter de pomp, aan de rand van het gazon is een seinpost, kennelijk een onderdeel van de Verbindingsschool V.B.S., en weer daarachter is de waterkant waar de „Leeuw" ligt gemeerd, een schip dat er uit ziet als een woonschuit. Later hoor ik dat de „Leeuw" dienst doet als accomodatieschip voor de leeuwinnen .... ….pardon, marva's omdat het marva-huis niet genoeg ruimte heeft. Voorts zij als bijzonderheid van Hr. Ms. ....al weer pardon, van de „Leeuw" vermeld, dat de geleerden het er niet over eens zijn of hier nu sprake is van een oorlogsschip of niet. 

Volgens de definitie schijnt het zo te zijn, doch boze tongen beweren, dat een paar luizen het tegen houden, omdat een vrouw toch geen schip kan commanderen. Wel zie ik later, dat - ofschoon de wimpel ontbreekt -op zon en feestdagen behalve de vlag ook de geus wordt gevoerd.Aan de overkant van het bassin ligt een ander schip gemeerd: Hr. Ms . „Buffel". Ja waarde lezers, hier is het wel Hr. Ms.! De Buffel blijkt het gewonnen te hebben van de Leeuw! Overigens dient Hr. Ms. „Buffel" als accomodatie-schip voor de Technische opleiding der Koninklijke marine T.O.K.M. en als intieme bijzonderheid moet ik hier vermelden - vooruit- lopend op verslagen over latere zwerftochten - dat dit schip de mooiste kajuit heeft in de Koninklijke marine, grotendeels omdat de originele betimmering nog ongeschonden aanwezig is, zodat we hier niet het neutrale stationswachtkamerinterieur aantreffen van menige kajuit of longroom. Aan de rechterkant (de Noord-kant) van het grasveld is een betonnen platform, waar ik een week later tot mijn stomme verbazing een twintigtal meisjes in soepjurkjes zie, die worden gedrild in de infanterie-exercitie door een sergeant van de marva. 

Deze ongelukkigen blijken pas aangekomen recruten te zijn, die het manvauniform nog niet waardig zijn. Tegenover het betonnen platform staat een langwerpig gebouw met twee eta­ges; het manva-huis blijkens de vrou­welijke onderofficier van de wacht bij de ingang en enkele meisjes in de ramen. Naast het manva-huis en schuin tegenover de hoofdpoort staat een hoog vierkant bouwwerk met blinde muren en een plat dak; de telefoonbunker van de werfcentrale. Het platte dak is toegankelijk middels een stalen trap langs de buitenkant, die uitkomt in de tuin van het manva-huis.

Daar het bijzonder mooi en zonnig weer is, moet dat platte dak op het ogenblik wel de bij uitstek geschikte plaats zijn om eens heerlijk te zonnen en rustig uit te knijpen, zonder dat iemand het door heeft! Mijn geweten is gauw overstemd en ik besluit om niet direct naar de Verbin­dingsschool te gaan, doch eerst eens heerlijk uit te rusten; alle hens is toch bij de beëdiging. Dus deponeer ik mijn plunjezak achter een struik bij de hoek van het marva­huis, spring over het hekje, dat de tuin afscheidt van de weg, tippel behoed­ zaam onder de open ramen door en wil juist met een run de stalen trap op, als plotseling de vitrage van het open­ staande raam op de hoek opzij wordt gerukt en een officier marva verschijnt, die met een stem, gewend aan het geven van orders, zegt: „Hé, hé, hé, wat moet dat daar in de tuin van het marvahuis ....?" En na even goed te hebben gekeken: „Dat is streng verboden voor mannen, trouwens op het dak van de bunker mogen jullie nooit komen, zelfs niet in de bezoekuren!"

Ik trek mijn onschuldigste gezicht en zeg heel diplomatiek (althans dat denk ik): „Neemt u mij niet kwalijk mevrouwtje, maar uw tuin ziet er zo keurig en aanlokkelijk uit, dat ik de verlei-ding niet kon weerstaan er in te wandelen, ik ben hier nog maar een nieuwering ziet u!"

“ja, ja, dat zeggen ze allemaal, ik heb met je gladde smoesjes niets te maken en die ver- kleinwoorden laat je ook maar achterwege; waar hoor je bij?" „Ik ben van de Verbindings- school mevrouw!" „Nu, dan zal ik je commandant opbellen en zeggen dat zijn schepelingen hier niet moeten rondhangen tijdens plechtigheden .... en nu ingerukt mars!" Ik gehoorzaam en bedenk mij dat dit een gedenkwaardig moment is in mijn loopbaan, want voor het eerst laat een vrouw mij inrukken .... voorwaar een dieptepunt, een zwarte bladzijde uit mijn geschiedenis, lezers! De tijd is nu gekomen om mij schielijk te verwijderen want dit mevrouw- tje is kennelijk niet pas gisteren bij de Navy gekomen. Langs het grasveld en de Leeuw kom ik bij een loopbrug die naar de andere kant van het bassin leidt, terwijl bovendien een stuk zich naar links afsplitst en de verbinding vormt met het paleis. Daar de laatste weg mij het kortste lijkt naar de Verbindingsschool kies ik deze. Aan mijn linkerhand zie ik nu de achtergevel van het Grootmagazijn, een prachtig oud gebouw, dat er uitstekend onderhouden uitziet, althans van de buitenkant. Met ouderwetse letters staat trots op de gevel vermeld:

’S LANTSMAGEZIJN GEBOUWT INT IAER 1656
TOT GEBRUYCK GEBRAGT IN NEGEN MAENDEN

Voorwaar een pracht stuk werk en het staat nog steeds kaarsrecht, zonder een spoor van inzakking. Tegenwoordig zou men zoiets in het dubbele aantal maanden doen. Als men oud-gedienden van het Marine­etablissement te Amsterdam geloven wil, dan moet er nog een krak-pakje 2) van Admiraal de Ruyter liggen in de een of andere vergeten hoek.

Ik ben nu aan het eind van de loopbrug gekomen en zet voet op vaste grond. Een eindje verderop zie ik drie teefjes in druk gesprek gewikkeld staan en daar ik hier een nieuweling ben houd ik mij aan het motto „Qui eient salva" en wens het drietal een „goeden morgen". Zij kijken mij aan met die aanvankelijke gereserveerdheid, zo kenmerkend voor hun sekse, alsof ze willen zeggen: „Wat is dit nu weer voor een vrijpostige rekel!" Ik trek dus mijn eerbied- waardigste gezicht, alsof elke lage gedachte mij volkomen vreemd is en maak mij bekend. Van de teefjes blijkt de knapste Astrid te heten en toe te behoren aan de commandante van het marva-centrum. „Weest op uw hoede", prevel ik, denkend aan mijn recente ontmoeting. Astrid is nog jong en haar ene oor zit erg slordig aan haar hoofd vast, hetgeen een zekere losheid van gedrag verraadt, die blijkens mijn latere ervaringen volledig wordt bevestigd. De beide andere teefjes zijn „oploopsters" van Kattenburg, hetgeen duidelijk blijkt uit hun minder verzorgde make up en hun enigszins rauwe uiterlijk.

Ik wil juist het gebruikelijke gelegenheidspraatje beginnen en belangstellend informeren naar hun gezondheid, de ligging van de bottelarij, de kombuis en dergelijke, als opeens een der freules van Kattenburg een geagiteerd gilletje uit en zegt: „Oooh .... pas op, daar komt Turk van de pater!" Prompt gaan ze alle drie zitten. Ik kijk ietwat verbaasd wegens dit zonderlinge gedrag. „Ja ziet u meneer Joseph" hijgt Astrid verontschuldigend, „Turk heeft zo'n vreselijk koude neus!" In de verte ontwaar ik een pikzwarte Franse poedel, die met grote sprongen komt aanhollen. Het lijkt net een knot zwarte wol en boze tongen beweren dan ook, dat de pater hem zelf heeft gebreid in zijn vrije uren. 

Overigens heb ik Turk nog nooit ontmoet, dus ben ik het aan mijn reputatie verschuldigd al mijn nekharen overeind te zetten en dat doffe gereutel in mijn keel te laten rollen, dat de eerste ontmoeting kenmerkt tussen ons mannetjes-honden. Als een wervelwind snort Turk langs ons heen, zet zijn remmen vol aan en staat knarsend drie, meter voorbij ons stil. Zijn staartstompje is in ultra hoog frequente trilling en een innemende grijns ontbloot zijn blinkend witte en foutloze gebit. Uit zijn ogen straalt levenslust en interesse voor die zaken, die ook mijn belangstelling hebben, zodat deze Turk veeleer een gezellige medeplichtige zal worden, dan een lastig concurrent. Ik laat dus mijn nekharen zakken en begin met de naderings- procedure. Na deze kennismaking ben ik een vriend rijker geworden. Juist op het moment dat ik weer door wil gaan naar de Verbindingsschool, komt echter de pater terug van de beëdi- ging, een slank veerkrachtig man, met een eerbiedwaardig uiterlijk en een paar strenge ogen.

Hij heeft het eikenloof eens hoofdofficiers op zijn pet. „Ik ben Lucky Joseph, scheepshond eerste klas in opleiding voor telegrafist" zeg ik, de houding aannemend. „Ik ben 't hoofd van de G.V.D.” is het antwoord .... „van de geestelijke verzorgings dienst" wordt daar verduide- lijkend aan toegevoegd als ik het niet begrijp en er verschijnen pret-lichtjes in de strenge donkere ogen. Na nog enkele belangstellende vragen van de pater krijg ik met een knikje mijn congé. Voor de zoveelste maal pik ik mijn plunjezak weer op, vastbesloten om de laatste 200 meter naar de Verbindingsschool nu zonder verder oponthoud af te leggen. Na achter het paleis te zijn langs gelopen passeer ik aan mijn linkerzijde de kantine met daarboven de slaapzaal Verbindingsschool en aan mijn rechterhand de nieuwe school van de technische opleidingen der Koninklijke marine (T.O.K.M.). Daarachter kom ik op een binnenplaats, begrensd door de achtergevel van het hoofdgebouw van de Verbindingsschool aan de zuidzijde, door een langwerpig houten gebouw (dat zo te zien op uit elkaar vallen staat) aan de westzijde en door een stenen gebouw met plat dak aan de noordzijde. Met kloppend hart betreed ik de binnenplaats en ga naar de achteringang van het hoofdgebouw, waarboven een groot bord is opgehangen waarop met zwarte letters staat vermeld: VERBINDINGSSCHOOL

Ik haal eerst diep adem en ga dan de ingang binnen en meld mij bij de onderofficier van de wacht, een korporaal van de mariniers. Deze bijt mij toe: „Waar heb jij zo lang rondgezwalkt Joseph?" Ik kijk vragend. Ja kijk maar niet zo onschuldig, de hoofdpoort belde al een half uur geleden op, dat je onderweg was!" Ojé, dat gaat helemaal de verkeerde kant uit, ik ben koortsachtig aan het zoeken in mijn brein naar een plausibel excuus als plotseling de voor- zienigheid mij te hulp komt. Ik hoor voetstappen naderen, de korporaal klapt in de houding en stoot een daverende schreeuw uit die nagalmt door het gebouw:

„Orrr….. .rrdaa…….. ah!!' Van pure schrik spring ik ook in de houding. Een lange figuur komt met rasse schre­den de poort binnen, snelt met twee treden tegelijk de trappen op en is in een ommezien verdwenen. Als dit in Curacao was gebeurd had ik gedacht dat  „Speedy Gonzalez" 3) weer op het oorlogspad was, nu meen ik echter in deze voorbijflitsende figuur suikeroom Victor te herkennen, de S.O.V. waar ik zes jaar geleden mee op het Smaldeel diende. De beëdiging is kennelijk afgelopen, want achter de commandant aan komen officieren, onderofficieren en manschappen het gebouw binnen stormen, zodat het een gedrang van jewelste wordt in het gebouw. De korporaal vertelt mij, dat ik mij „nu direct" bij het bureau commandement moet melden en daarna bij hem terug moet komen. 

Na het middagschaften is het zondagse dienst en dan zal ik worden ingelijfd bij de brand- patrouille. „Maar vóór het middagschaften krijg je nog effe gauw plunje-inspectie, dat doen we met alle nieuw aangekomenen" grijnst de korporaal „en morgen beginnen de lessen!"

Voorlopig kan ik de wal dus wel op mijn buik schrijven denk ik bedroefd. Het begint zo langzamerhand tot mij door te dringen dat ik een vuile kans maak eindelijk eens hard te moeten gaan werken en in gedachten zeg ik het vrije leven a/b Hr. Ms. „Wolf" vaarwel. Mijn plunjezak laat ik bij de wacht staan en na een trap op te zijn geklauterd en bijna per abuis bij de commandant te zijn binnengelopen, klop ik aan bij de deur daar naast en meld mij bij de chef van het bureau commandement. Deze blijkt een sergeant toelis te zijn, die er nog jeugdig uitziet, doch bovendien bijzonder zakelijk blijkt te zijn. Hij kijkt mij aan alsof hij wil zeggen „Wat voor vuiltje stuurt Commandant Zeemacht ons nu weer op ons dak".

Ik overhandig de sergeant de verzegelde enveloppe waarin mijn „personeelsbescheiden" zich bevinden en wacht op de dingen die komen zullen. (wordt vervolgd)

1) zeer dik
2) oude plunje
3)„Speedy Gonzalez" - een in Latijns Amerika alom bekende minnaar, berucht om zijn blik- semsnelle techniek. Staaltjes van zijn kunnen vallen buiten het kader van dit artikel.