Met het smaldeel naar de Middelandse Zee

 
Na terugkeer van de Noorse reis kreeg het smaldeel gelegenheid tot zomerverlof.

Dit verlof had voor mij nog een aardig staartje; al enige tijd liepen er namelijk geruchten rond door het schip, dat we naar de Middellandse Zee zouden gaan en dat we daar zouden gaan oefenen met de "United States Sixth Fleet". Deze geruchten namen vaste vorm aan, toen ik de laatste dag voor het verlof bij de Chef Staf werd geroepen ; die me plompverloren mede- deelde, dat ik met CSML, suikeroom en hij zelf op dienstreis moest naar Zuid-Frankrijk, ten- einde daar besprekingen te voeren met de staf van Sixth Fleet over de te houden oefeningen. Ik stond enigszins verbaasd te kijken en kon niet direct dit nieuws verwerken. "Je moet op- treden als onze ordonnans en waakhond," zei Chef Staf.

Ik keek nog steeds ongelovig. "Nou je hoeft niet als je het niet leuk vindt!" Ik haastte me om te zeggen hoe graag ik wel mee wilde gaan.

En zo zit ik nu in een toestel van de Air France ergens boven Frankrijk tussen Parijs en Nice.

Het is bloedheet en het vliegtuig is stampvol, zodat ik zit te puffen op mijn nauwe zitplaats, waarin ik me niet kan wenden of keren. Om de kroon op het werk te zetten zit naast mij een dikke dame, die het ook kennelijk afgrijselijk heet heeft en dit probeert tegen te gaan door het overvloedig sprenkelen met Boldoot (een luchtje waar ik enorm het land aan heb) en door het roeren in de hete lucht met een grote waaier; door die beweging alleen al heeft ze het warmer dan de rest. Ik houd het niet langer uit en vraag haar in mijn beste Frans: "Madame je vous prie de lever votre jambe pour me faire possible de passer." Ze kijkt me verbaasd aan. "Fersta ik nie", is het antwoord. Ik besluit duidelijker te zijn. "Mevrouw zou u misschien uw linkerdij even willen opheffen, zodat mijn rechterachterpoot vrij komt, want ik wil zo graag een plasje doen. "Nou seg dat dan."

Eindelijk komt de Middellandse Zee in zicht; gelukkig de redding is nabij. De piloot zet het toestel op z'n kant in de bocht en ik zie de prachtige Cóte d'Azur zich voor m'n ogen ont- rollen. Suikeroom is hier kennelijk meer geweest, want die legt me uit dat we boven de Golfe Juan en de Cap d'Antibes zijn. In de diverse baaien en inhammen ontwaar ik grote grauwe kolossen; de schepen van de zesde vloot.

"Fasten your seat belt", gloeit plotseling een verlicht schermpje op. Moeizaam worstel ik me weer op m'n zitplaats en maak me vast. Even later raken we met een bons de grond en rollen we naar het stationsgebouw. Als de cabinedeur wordt geopend en we eindelijk voet aan wal zetten, blijkt het heel warm weer te zijn, ik ben blij dat ik me heb laten trimmen voordat ik deze tocht aanving. Op het vliegveld heerst de charmante verwarring die men altijd bij de Fransen aantreft. Niemand vertelt waar je heen moet en nergens is dat ook te zien. 
We eindigen aan de verkeerde kant, namelijk waar iedereen aankomt, maar dat mag niet hinderen, even zo vrolijk stappen we in de bus die ons naar Nice zal brengen. "Ah, cest la France, messieurs!"

Weldra snorren we langs de kust naar Nice. Ik kijk mijn ogen uit naar al die zonneschijn en die leuke gebronsde figuurtjes langs de wegen en op de stranden. Na nog een half uur rijden in een taxi, arriveren we eindelijk in het "Bedford Hotel" te Beaulieu sur Mer. Ik neem snel een bad en ga eens op verkenning uit. Achter het hotel is een grote tuin vol met bomen met aan het einde een "pergola" en daarachter: "la mer". Op het tuinpad kom ik suikeroom tegen met twee Franse dames. "Die laat er ook geen gras over groeien", denk ik.

Ik word geroepen en moet mijn opwachting maken bij de , dames, die er zo heerlijk koel uit- zien in hun bikini's. Ze uiten oh's en ah's als ze mijn ruige vacht strelen en over mijn kop kroelen. "Elle est si mignonne", zucht de langste van de twee die Germaine heet. "Fi donc Germaine, cest un garcon!" parelt het lachje van Amelie."Die heeft. vast een hoger cijfer voor dierkunde gehad", denk ik. We gaan op het terras aan de zee zitten, waar we het uitzicht hebben op de"Columbus", een zware kruiser, en een drietal jagers.

De volgende ochtend om tien uur staat de wagen van de admiraal al op ons te wachten. Volgens rang en ancienniteit stappen we in, ik duik het laatst met een grote actetas tussen mijn tanden naast de chauffeur. In vliegende vaart gaat het naar "Ville franche port", waar we overstappen in een bijzonder mooie en smetteloos schone sloep. Van het met linoleum be- kleed dekje kun je wel eten en de kussens en de gordijnen doen pijn aan de ogen, zo wit zijn ze. Weldra naderen we de kruiser Salem, een bijzonder elegant schip, met mooie strakke lijnen en afgeladen met radarantennes, dat er weer heel anders uitziet dan de. Engelse en Franse kruisers waar we mee samen hebben gewerkt.

Met een elegante boog naderen we de valreep, waar een macht officieren staan opgesteld, benevens een muziekcorps en de gewapende wacht. Door een luidspreker worden enige or- ders gebruld, waarop een serie hoornsignalen volgt.

Wij zijn inmiddels langs het bordes van de statietrap gekomen en achter suikeroom aan stap ik erop. Ik kijk eens omhoog en zucht vermoeid; wat een tamp statietrap is dit; moet ik daar nu met m'n korte pootjes tegenop klimmen!

Enfin, ik zet me schrap en zorg dat ik niet achter raak, zodat ik gelijk met mijn bazen en een hartklopping op een ontzaglijk ruim dek stap, dat er ook al brandschoon uitziet. Met een brede lach stapt een in khaki geklede figuur op CSML af en zegt: "Hello commedare, ah'm shoh mighty glad te seeye." En zo gaan we het rijtje af, en schudden handje met zoveel captains en commanders, dat we er blaren van krijgen, ik neem gauw hun stijl van groeten over en bij de adjudant van de admiraal gekomen, een pedant, jeugdig ventje, zeg ik: "thuja toots, ah'm shoh mighty glad te seeye." Hierop weet hij echt niet te antwoorden en daarna klimt hij inwendig wat op z'n strot, zodat ik er nu zeker van ben dat ik de goede gesprektoon te pakken heb. In optocht gaan we naar de kajuit van de admiraal, waar we op koffie en "real American cigatrettes" worden onthaald; daarna dalen we af naar een ander verblijf, waar de conferentie begint. Alles verloopt zeer geanimeerd, iedereen vloeit over van energie, haalt veel boeken te voorschijn en schrijft veel vellen papier vol. Als we na de conferentie het schip weer verlaten wordt er keurig gesalueerd en vermoeid, doch voldaan, keren we in ons hotel terug.

Ik voeg weer een paar dingen toe aan mijn levenservaring. Ik weet nu dat, wanneer je een Amerikaan ontmoet, je onmiddellijk een brede visite-grijns op het gelaat moet toveren en moet zeggen: "Well, ah'm shoh mighty glad te seeye" en dan weet hij niets terug te zeggen. Doe je dat niet dan zegt hij het en dan is het jouw beurt om verlegen te lachen of min of meer beteuterd te zeggen: "Me too", of andere even weinig betekenende woorden van gelijke strek- king. 
De laatste avond voor ons vertrek naar Holland worden we door de admiraal op een "party" aan boord van de "Oriskany" uitgenodigd.

De "Oriskany" is een carrier van 130.000 ton en in de hangar wordt het feest gehouden. 
Eerst komt er een soort revue, waaraan een groot aantal Franse variété artisten deelnemen en daarna zal het feest voor de bemanning in de hangar en op het vliegdek worden voort- gezet, terwijl de gasten van de admiraal en de artisten zich onder in de kajuit van de com- mandant zullen vermaken.De revue is uitstekend, maar wordt door de Amerikanen niet zo geapprecieerd, die houden niet van die fijne humor, waar de Fransen juist zo sterk in zijn. 
Het werd gans anders toen de Amerikaanse ster van de avond werd aangekondigd; een ze- kere Daisy Mac.

"And now fellers", zegt de conférencier, "that georgeous Daisy Mac is gonna sing a couple of nice Amèwican songs for ye!" Op hetzelfde ogenblik breekt een oorverdovend gefluit en gegil los (om niet te zeggen getier). Later verneem ik van welingelichte zijde dat dit nu de zoge- naamde "wolf whistles" zijn. Temidden van dit tumult loopt, neen ik bedoel zweeft, een in een zwarte strakke jurk geklede jongedame het toneel op.

Ik sta doodsangsten uit, want.ze heeft haar schouderbandjes vergeten en toch wel het nodige om op te houden, behalve haar reputatie. Het schijnt haar niet te hinderen en bij de microfoon gekomen trekt ze haar stralendste gezichtje, haalt eens diep adem en zegt met een langzame zwoele stem, die achter uit haar keel komt:

"Hello felluhs, ah'm so glad te seeyè!" en hierbij rolt ze met haar ogen en geeft een klein rukje met haar heupen. Haar glimlach herinnert me aan "Pepsodent'. "Whoopee!" yelt iemand naast me en het aantal kreten van het auditorium nadert zijn hoogtepunt. 
Ik sta verstomd van deze vertoning, zoiets heb ik nog niet meegemaakt, overigens moet ik toegeven lezers, dat dit meisje alles van Onze Lieve Heer heeft gekregen wat er maar te krij- gen is, alleen wij Europeanen plegen daarover niet op zo'n luidruchtige wijze onze bewon- dering te uiten.

"Whado ye want me to sing for you fellers", kweelt Daisy, waarop iedereen de titel van een of ander liedje brult. 

De "Tennessee waltz" blijkt het meest populair te zijn en Daisy zucht eens diep (wat een pracht ademhaling) opent haar mondje en murmelt het zo populaire liedje. Na afloop van de revue zoeken we ons een weg de zaal uit. "Boy that there Daisy shoh is atomic", hoor ik een matroos zeggen tegen ­z'n maat, die antwoort: You aint kiddin", she's the doggonedest eye buster ah've ever seen!"

In de kajuit van de commandant is het stampvol, alles dwarrelt door elkaar heen en de hof- meesters zijn druk bezig iedereen van spijs en drank te voorzien. Op een gegeven moment sta ik tegenover Daisy. Zij glimlacht mij tegemoet en ik haast me de standaardwoorden af te draaien: "Ah'm shoh mighty glad te seeye Daisy". Dit deert haar helemaal niet en ze ant- woordt onvervaard: You do look it, what have you been doing all my life you vice big hunk of a man." Ik voel me rood worden tot achter m'n oren en weet niet wat terug te zeggen; de stand is één nul voor Daisy. Zo van nabij kan ik haar eens goed opnemen, waardoor ik zie, dat een paar listig aangebrachte baleintjes de afwezigheid van haar schouderbandjes verklaren. "Zit jij weer te flirten", onderbreekt plotseling suikeroom mijn gedachten. "Ziezo, die laat er geen gras over groeien en wil mij als medium voor de kennismaking gebruiken", denk ik.

"Is that your dog, I think he is a peach", zegt Daisy. Suikeroom is een en al smiles en werpt zich in een gesprek met haar, terwijl ik me verachtelijk afdraai, je zal me daar voor een perzik worden uitgescholden!

Laat in de nacht komen we eindelijk weer aan in ons hotel, vermoeid doch voldaan. 
Deze party vormde een waardig besluit van ons reisje.

Enige weken later stomen we met het smaldeel door de Middellandse Zee. We hebben weer het normale programma afgewerkt, dat bestaat uit het opnieuw afoefenen van de bijna geheel nieuwe bemanningen, die op de diverse schepen zitten. Het wordt wel wat eentonig en dat is ook te merken aan de kernbemanningen, die alle smaldeel reizen hebben meegemaakt en die nu wel eens voor de variatie met een geoefend geheel in zee hadden killen steken.

Onze eerste oefenperiode met de Amerikanen is al achter de rug. Het was weinig opwindend, we hebben slechts één dag met ze gevaren en de oefening bestond uitsluitend uit manoeu- vreren, zodat aan het eind van de middag iedereen er z'n buik van vol had. De fregatjes heb- ben iets meer te doen gehad, die waren ingedeeld bij de "Hunter Killer Group" en joegen vier dagen op onze onderzeeboten en die van de Amerikanen.

We zijn nu in Napels waar we olie moeten laden voordat we, voor de tweede maal met de "Sixth Fleet" op stap gaan.

Het weer is plotseling omgeslagen en we worden geplaagd met ijskoude wind en hagelbuien.

's Avonds voor uitvaren krijgen we een aantal paparassen aan boord, die we haasje rep je nog aan de fregatten en onderzeeboten moeten uitdelen. De volgende ochtend om half acht stomen we naar buiten. Er staat een loeiende storm; windkracht acht tot negen zegt het weerbericht. Al steigerend stomen we de haven uit en zien, dat de Amerikaanse carrier Task Force, waar wij bij worden ingelijfd, reeds bezig is anker op te gaan. Nijvere jagers met witte snorren, stomen met hoge vaart vooruit om het "departure screen" te formeren en wij voegen ons in de rij van de "heavies" zoals de Amerikaan ze noemt: Franklin D. Roosevelt, Leyte, Albany, Des Moines, Macon en tenslotte wij.

Op de brug van de Tromp is het natuurlijk vol. De TBS zingt zijn vrolijk lied met een "Koreaan" er achter (een seiner die in Korea heeft gediend) en de hele braintrust is aanwezig.
Lang worden we niet met rust gelaten, de ene order na de andere komt binnen via de TBS en weldra rennen we met 25 mijl de kust uit. De Amerikaanse kolossen liggen rustig, doch wij slingeren dat het een lust is; de wind komt recht achterin en is zo hard, dat de rook nog met grote snelheid voor ons uit waait ondanks onze 25 mijl. Zware rollers komen ons achterop, zodat we beginnen te gieren als een dronken kerel. 
We maken kaaiers van ruim dertig graden over beide zijden, zo af en toe horen we een dof lawaai uit de ingewanden van het schip opstijgen, dat betekent dat er weer het een en ander over het dek rolt. Als ik het achter volksverblijf binnenkom zie ik aan bakboord een kluwen van bakstafels, banken, armen en benen met daarover heen de vette hap, die niet op de bor- den is blijven liggen. Wat een ellende, hier zijn wij toch wel wat fijn voor gebouwd!

Zo gaat het deze hele eerste dag door, 's avonds worden we bedankt, want dan gaan de Amerikanen nachtvliegen, daar kunnen ze ons toch echt niet bij gebruiken. Je krijgt toch wel een amateurgevoel over je, als je met een afgepeigerd oud kruisertje (en een heel licht kruisertje) met deze spiksplinternieuwe kolossen mag meehobbelen, die ritselen van de radar en van'de vuurmonden.

De tweede dag is het weer al even beroerd, maar dat mag niet hinderen, de vliegoperaties gaan door en met eentonige regelmaat voeren we onze "turn fox" uit en draaien het vege lijf in de wind, waarna koppen weg wordt gehouden vanwege de stuifzeetjes.

Tussen al deze bedrijven door hangen als grote libellen de helicopters in de lucht, de ganse dag zijn ze in de weer met het overbrengen van mail, operatiebevelen, personeel, etc.

Bij de Amerikanen gebeuren toch ook wel eens rare dingen; de Stafofficier operaties van de zesde vloot vertelde ons hoe eens een helicopter bij de Des Moines kwam om mail af te geven en op te halen.

Al klapwiekend bleef hij op zes meter boven het dek hangen, een lijntje werd neergelaten met de postzak eraan en een matroos nam de zaak in ontvangst. Deze knaap was nog nieuw in het vak; hij bedacht zich opeens, dat hij de af te geven mail had vergeten, zette toen de lijn aan het hekwerk vast en wandelde weg.

Zo gebeurde het dat enige tijd later de chef staf aan dek kwam en daar tot z'n stomme ver- bazing een helicopter met een vloekende en tierende bemanning aan een lijn vast zag zitten. Toen stond er een zeetje en vanaf dien tijd hebben de helicopters dan ook strenge orders om altijd een sterke kniptang bij zich te hebben!

Deze dag staat ook het olieladen op zee op het programma. De kolonel keek vanochtend al bedenkelijk naar de hoge golven en ik geloof dat eigenlijk niemand aan boord er de ware lust in heeft om met olieslangen te gaan jongleren. Gelukkig wordt de zaak afgelast; toen name- lijk de kolos Roosevelt naast de tanker kwam varen om de slangen over te nemen, ontston- den er door de zuiging zulke hoge zeeën tussen de schepen, dat diverse leden van de tanker- bemanning verwondingen opliepen. Dit is de admiraal blijkbaar te erg en hij bepaalt dus de aftrap olieladen.

's Middags wordt er weer met eentonige regelmaat gevlogen. Zo langzamerhand wennen we aan het hoge gegil van de straalbuizen der Banshees en Panthers die in een onafgebroken stroom langs ons vliegen; het zijn net venijnige insecten die zich woedend op iemand storten. 

Tegen de avond komt er wat meer leven in de brouwerij; plotseling zien we dat vanaf de Roosevelt een rookvlot in zee wordt gegooid; vervolgens wordt alles wat maar vliegen kan de lucht ingestuurd en wij, de "heavies", blijven op een veilige afstand van de rokende schijf dobberen, wachtend op de dingen die komen zullen.

Het eerst verschijnen de Banshees ten tonele, vanaf grote hoogte storten zij zich in duik- vlucht naar beneden, op de schijf af. Plotseling laten ze een aantal vuurbollen los, die met nog grotere snelheid en een oorverdovend geraas op de schijf afvliegen en daar in zee slaan, waarbij helwitte vlammen opflitsen; even later komen een paar doffe dreunen over het water aan rollen. "Dat zijn hun rockets", hoor ik de officier van artillerie tegen de dominé zeggen.

"Aangenaam kennis te maken, hoop u nooit te ontmoeten", prevel ik.

Nauwelijks zijn de Banshees met rockets verdwenen of een nieuw stel huilt omlaag, luidkeels vurend met hun machinegeweren - of beter gezegd kanons - en daarna komen de Panthers die in hun duikvlucht bommen afwerpen, gevolgd door Napalm-bommen. Na deze demon- stratie, die vanaf de admiraalsbrug van de "Des Moines" werd gadegeslagen door generaal Eisenhower, is iedereen het erover eens dat je beter vriendjes kan zijn met de Sixth Fleet.

De volgende ochtend zijn de oefeningen afgelopen. Wij bevinden ons in de buurt van Genua, terwijl de fregatten en onderzeeboten benoorden Port Said staan; er is dus geen sprake meer van oefenen op de thuisreis en alleen gaan wij op weg naar Gibraltar waar we olie moeten laden, want door al het hollen en rennen zijn we behoorlijk leeg geworden.

Na wisseling van de gebruikelijke beleefdheids-seintjes zoals:
"It was a pleasure to co-operate with your gallant ships", wendden wij de steven, zetten aan tot twintig mijl en al gauw zijn de grote kolossen uit het gezicht verdwenen.

Ik sta nog op de brug als er een telefoontje komt, met de mededeling, dat ik bij mijn divisie- chef moet komen. Ik doorzoek mijn geweten, doch voor zover ik weet heb ik niets verkeerds gedaan, de enige mogelijkheid die overblijft is, dat er uitslag is over mijn volgende plaatsing.

Na deze reis waarde lezers, wordt namelijk de Tromp uit dienst gesteld en zal de staf over- gaan op de Karel Doorman, zodoende heb ik een verzoek ingediend om mee te gaan. Met een kloppend hart treed ik de hut binnen en zet mijn gezicht in de officiële plooi. "Plaats rust", zegt de chef. Ik laat staart en achterpoten zakken.

"Er is uitslag gekomen omtrent je verzoek", zegt de chef. "Toegestaan?" vraag ik. "Welneen domme kerel, je weet toch wel, dat als je in de Navy iets verzoekt, je bijna altijd iets anders krijgt?" "Maar wat gaat er dan met me gebeuren m'neer?" "Je gaat naar de West, Lucky, ouwe jonen. je bent weer eens letterlijk lucky!" De West! Ik slik een paar keer, want ik moet dat nieuws even verwerken, daar had ik helegaar niet op gerekend, zelfs niet aan gedacht. "Hier lees maar", en het blauwe exemplaar (voor de verzoeken) wordt me onder de neus geduwd.

"Aan verzoek kan niet worden voldaan, betrokkene aangewezen voor een verblijf in de Neder- landse Antillen. Vertrekt vlieggewijs op 29 November en moet zich op ministerie melden voor in orde maken reisbescheiden" staat er op het briefje. Ik kan die avond niet in slaap komen en moet maar steeds denken aan mijn nieuwe plaatsing; geleidelijk begin ik me met het idee te verzoenen.

Langzaam stoomt de Tromp door het Schulpegat naar binnen. Het is stralend weer, maar behoorlijk koud. De stemming aan boord is uitstekend, want over enkele uren zullen we zijn afgemeerd en dan volgen de omhelzingen met ma, vrouwlief, of vriendinnetje. Een der offi- cieren voelt zich echter niet gerust. De telegrafist die voor het openbaar verkeer zorgt heeft hem namelijk zo juist een telegram uit Napels gebracht. "Stay on board. Will meet you in Den Helder, Rosemary" luidt de inhoud. Wat een onwelkome complicatie; in gedachten ziet hij al Rosemary uit Napels en Marietje uit Den Helder op hem aflopen. 

"Ik zou maar oppassen", sart suikeroom; "die Italiaanse zussen zijn net zo ontvlambaar als 100 octaan, straks stort ze zich van de kade als ze merkt dat ze slechts op het tweede plan komt." Het lijdend voorwerp mompelt iets van "het is vast een mop" en verdwijnt naar de brug, met een gezicht waarop duielijk zijn twijfel staat te lezen.

De Tromp glijdt nu langs Kaap Hoofd en draait de rede op. Langs de dijk fietsen de nodige wuivende vrouwspersonen, die zich naar het Wierhoofd begeven om vandaar af manlief of vriendje aan boord te ontdekken.

Dit is mijn eerste aankomst in Den Helder, ik geef mijn ogen behoorlijk de kost, want ik heb al veel gehoord over de "Jutterij" en de vorige keer toen ik met de "De Zeeuw" vertrok, had ik geen gelegenheid om rond te kijken.

We zijn nu tegenover de havenhoofden en er wordt meerrol geblazen. Enige sleepboten zijn naar buiten gekomen en darren om ons heen, gereed om vast te maken, een van hen heeft de havenofficier afgezet, die nu de brug opwandelt; hij kijkt als iemand die het moeilijk heeft. Na enig gefluit en gezwaai zitten de sleeptrossen vast en langzaam worden we naar binnen getrokken. Ik besluit een dekje lager te gaan, om de hoge druk op de brug te vermijden.

De seiners staan netjes aangetreden en kijken naar de wal, waar zo langzamerhand een vrij grote menigte is verzameld.

Ik heb al gauw in de gaten dat zij bezig zijn de diverse vrouwspersonen te becritiseren. "Kijk Piet, daar heb je Miep, die onlangs bij de Marva's is weggeschopt." "Foei wat een stouterd", denk ik en kijk in de aangegeven richting naar een vrij uitdagend uitziend meisje, dat haar blikken zoekend over het schip laat gaan.

Ondertussen hebben ettelijke lieden "contact" gemaakt, hetgeen gepaard gaat met onder- drukt roepen en wuiven. "Smoel houwe in het gelid", klinkt plotseling de stem van de chef seiner achter ons en ik krijg een trap die me in het gelid doet verhuizen. "Kijken kost niets, maar het is meerrol en dus aantreden" wordt me toegebeten. "Mijn idee om hierheen te gaan was dus niet zo best", denk ik, "op de brug durft hij niet zo'n scheur op te zetten!"

We zijn nu bij onze ligplaats aangekomen, na veel eerbewijzen te hebben gewisseld met de schepen die we passeerden.

De vele belangstellenden worden een eind weggejaagd, die mogen nog niet dicht bij het schip komen van de douane. Een aantal woest uitziende bomen van kerels stapt evenwel aan boord met een gezicht van "wij hebben nergens iets mee te maken". Ze smakken een boel zware rondhouten aan dek benevens een aantal trossen en beginnen een vreselijk ingewikkelde stellage op te zetten. Ik sta met klosogen te kijken naar dit wonderlijke geheel; na enige tijd wordt het me duidelijk, dat ze een bok gaan optuigen om daaraan de zware valreep op te kunnen hieuwen (wat een heerlijk woord hè, hieuwen!) "Hebben jullie hier nog nooit gehoord van een loopkraan", waag ik het te zeggen; een trap tegen mijn achterste doet me beseffen, dat ik hier een uitstekende gelegenheid voorbij liet gaan om mijn mond te houden.

Ondertussen is er een tweede stelletje lieden bezig met telefoonlijnen te scharrelen en de facteur doet druk met een knaap die op het vlot tussen wal en schip staat met een brie- entas. Het schip drukt hard tegen het vlot, zodat het gedeeltelijk onder water gaat, waardoor de vent zijn voeten gratis worden gespoeld. Het gezegde "tussen schip en kaai raken", heeft hiermede een diepere betekenis voor mij gekregen. Op de scheepsklok slaat men twee glazen.

Op de sleepboot achter roept iemand door de praalluidspreker: "Houwe zo, hij telt lekker.
" Op de campagne en de bak worden in vliegende vaart de bochten van springen en trossen uitgebracht. In de midscheeps staan al een stel passagiers aangetreden, die onmiddellijk weer naar beneden worden gestuurd, want de douane heeft het schip nog niet vrij gegeven." Plotseling roept iedereen: "Front maken!" Doodse stilte heerst alom, alleen de kerels van de stellage gaan onverstoorbaar door. De commandant stapt voorbij en verdwijnt in de kajuit. Piet puuuuuuu - uuuu pie-iet!" zingt de kanarie van de schipper, "doorgaan" brult hij erbij. 
Wat een leuk pandemonium denk ik", doch verder kom ik niet, want ik ben in een bocht van de achtertros geraakt en wordt een eind meegesleurd. "Uit de kinken Joseph", schreeuwt iemand. Ik krabbel overeind en verdwijn haastig naar beneden, dit is teveel voor mijn tere gestel. 

Ketjeboem, ketjebam ketjeboem, ketjebam ... Zachtjes schok ik op en neer; ik zit in de gestroomlijnde bliksemtrein van Den Helder naar de rest van Europa. Af en toe flitst een koe voorbij. Ik voel me heerlijk doezelig en neurie zacht voor mij uit het bekende operawijsje van "Lach dan Picasso, poets je tanden met Brasso". Ik ben op weg naar Den Haag om "mijn bestemming op te volgen" en voel me heerlijk losgescheurd van alles. Mijn stemming is puik, de afscheidsborrel aan boord van de Tromp was zeer gezellig; jammer toch om dat stel fidele kerels te verlaten!

Maar ja zo gaat het in de Navy. Tegenover mij zit een tanige juffrouw van middelbare leeftijd mij aan te staren.

Vol afkeuring glijden haar blikken over het exemplaar van "De Lach" dat op mijn knie ligt, waarin Lana Turner trots vertelt dat ze nog nooit zo'n lol in haar leven heeft gehad sinds ze alleen nog maar Listrine mondwater gebruikt.

Ik bied de juffrouw het blaadje aan met de woorden: "kunt u nog lachen, lach dan mee", doch ze schudt vol afgrijzen

Het hoofd en verlaat de coupé. Nu zit ik alleen en ik voel me slaperig worden. Ketjebam, ketjeboem, ketjebam, ketjeboem ...... Klaas Vaak is achter mij komen staan en strooit mij zachtjes zand in de ogen. "Ga maar slapen Lucky, ouwe jongen", mompelt hij; in Den Haag krijg je nog genoeg te doen." En zo sukkel ik de dut in. De Lach met Lana op de frontpagina glijdt op de vloer ......