Hr .Ms. Dubois.

Hr.Ms. Dubois was n van de zes Amerikaanse fregatten die in 1950-51 door de Koninklijke marine van de Amerikanen in bruikleen werden gekregen. Onder Amerikaanse vlag was haar naam USS O Neill (DE 188), een Destroyer Escort uit de Cannon-class.
Het schip had, nadat het op 23 oktober 1950 in dienst was gesteld, op waardige wijze haar partijtje in smaldeel 5 meegeblazen. Thans was het bij de Rijkswerf oorlogsgereed gemaakt om de reis naar Korea te ondernemen. Het commando berustte bij de Ltz.1 Jellema, die tijdens de term op 5 juli 1954 werd bevorderd tot overste.

Onder redelijk gunstige weersomstandigheden en zeer grote belangstelling, vertrok de Dubois op 15 september 1953 om precies 11.00uur uit Den Helder. Al vroeg werd het reisschema in de war gestuurd, om meer tijd beschikbaar te krijgen voor de taakovername van de Maurits in Japan. Derhalve werd de Israelische havenstad Haifa uit het vaarprogramma geschrapt. In de volgende havens kon aldus aankomst en vertrek met twee dagen worden vervroegd.

De weergoden waren het schip gunstig gezind, zodat reeds op de eerste wacht van zaterdag 19 september Gibraltar kon worden gepasseerd. Eenmaal in de Middellandse Zee bleek de temperatuur flink te stijgen tot zomerse waarden. Zelfs de nacht bracht geen verkoeling; het was nog 25 graden. Zodoende werd snel het blauwe voor het tropentenue verwisseld.

Op 21 september arriveerde het schip in Palma de Majorca en in een splinternieuw hagelwit(?) uniform gingen de maten de wal op om te passagieren. Op de terugtocht naar het eigen schip ontdekten enkele stokers dat er in de haven nog een oud Spaans oorlogsschip lag dat met kolen werd gestookt. Blijkbaar hadden de Hollandse maten nog voldoende collegialiteit over ten aanzien van de Spaanse sailors, die druk bezig waren zakjes kolen aan boord te brengen. Prompt staken zij dan ook de helpende hand toe om het werk te verlichten. Dat hierbij het "lang-wit" na gedanen arbeid er iets anders uitzag dan voorheen, spreekt voor zich! Geen nood echter, want bij deze temperatuur hielp een duik in
de plomp bij de "Voorwas". Tijdens deze zwempartij moest er nodig eentje z'n schoen verliezen; hij heeft het de verdere reis met twee verschillende schoenen moeten doen!

Op 24 september werd uit Palma vertrokken en koers gezet in de richting van het Suez-kanaal. Tijdens dit gedeelte kwam op 28 september een matroos een beetje ongelukkig ten val, waarbij een aan de elleboog opgelopen snijwond moest worden gehecht. Het genezingsproces verliep echter niet naar wens en het slachtoffer had veel pijn; bovendien vertoonde de arm verlammingsverschijnselen. Zelfs n het consult bij een chirurg in Aden ging het nog altijd niet goed. Later bleek in het US Naval Hospital te Yokosuka een operatie noodzakelijk in verband met een gekwetste zenuwen omdat de arm nog geruime tijd in het gips moest blijven, werd besloten de patint terug te zenden naar Nederland.

Intussen voer het schip op woensdag 30 september om 11.00uur de haven van Port Said binnen en drie kwartier later was men in het Suez-kanaal. De kanaalloods was een Fransman die zeer moeilijk Engels sprak, waardoor de conversatie op de brug bepaald niet vlot verliep. Telegrafisch was toestemming verleend om in het kanaal een konvooi van zeven schepen te passeren dat de Dubois tegemoed kwam. Het laatste schip hiervan was een tanker van 20.000 ton, geladen met benzine. Vlak bij Lake Timsah zou de passage moeten plaats vinden, maar toen de bocht werd ingestuurd om
de bewuste tanker te passeren, stuurde de loods de Dubois plotseling naar de andere wal, waarop gelukkig de tanker hetzelfde deed en beide schepen elkaar op acht meter afstand via de verkeerde zijde rakelings passeerden. Hierbij werd het schip nog gehinderd door een aantal zeilprauwen die bijna het onderspit moesten delven. Het waren enkele spannende en griezelige momenten.
Maar natuurlijk werd er ook hartelijk gelachen, want nadat in Lake Timsah 's avonds het anker weer binnenboord was gehaald om de rest van het kanaal te nemen, werd bekend gemaakt "dat voor een beperkt aantal opvarenden een tocht per kameel langs het kanaal was georganiseerd". Aangeraden werd in blauw tenue met jekker aan te treden, om de kou van de woestijnnacht te trotseren.

Zo stonden de liefhebbers met rode koppen van het zweten op het bepaalde tijdstip bij de valreep aangetreden, terwijl de Dubois rustig het kanaal instoomde. Een poosje later kwam via de scheepsomroep de ontknoping dat "de tocht was afgelast, omdat de kamelen in staking waren gegaan". Dat er toen enige krachttermen in de richting van de O.S.&.0.-officier werden geslingerd, valt te begrijpen.
Na 16 uur voelde men zich bevrijd uit de nauwe engte van het kanaal en vol goede moed werd de ruimte van de Rode Zee benut op weg naar Aden. En zie, daar doemde in de verte ter hoogte van Jubal het silhouet op van Hr.Ms. Willem van der Zaan die op weg was naar haar thuishaven. Omdat er wat tijd over was werd bijgedraaid en op korte afstand van elkaar gestopt, waarbij de collega's werdenverrast met post en een verse voorraad bier uit de scheepstoko. Tevens werden met elkaar enige ervaringen uitgewisseld. 's Avonds tijdens de eerste wacht nam men hartelijk afscheid en vervolgde ieder zijn eigen koers.

Dinsdag 6 oktober werd in de morgenuren in Aden afgemeerd om de voorraden weer op peil te brengen. De bedoeling was om vr het donker worden weer te vertrekken, maar omdat de snelheid vanhet olieladen op een laag pitje stond en dit pas na het vallen van de avond gereed was, moest tot de volgende morgen worden gewacht alvorens de lange deining van de Indische Oceaan kon worden opgezocht.

Op 12 oktober ontmoette men het m.s. Karimata uit Amsterdam, dat onmanoevreerbaar rond dreef, maar bij navraag geen assistentie behoefde te hebben. Later werd het schip alsnog met ernstige machineschade door de sleepboot Oostzee in Colombo binnengebracht. Het Nederlandse fregat kwam hier op 14 oktober aan en eindelijk kon men weer eens lekker de benen gaan strekken.

De volgende dag kwam er nog meer marinebezoek in de haven, waaronder de USS Greenwich Bay, met aan boord de Commander D.S. Bill. Pas op de morgen van het vertrek gelukte het hem de valreep te betreden. Hij groette de vlag, de valreepsgasten en commandant, waarna hij zei:
"Captain, this ship looks exactly like the destroyer escort I commanded during the last phase of the war in the Pacific, USS O Niel!".
Waarop de commandant antwoordde: "Commander, welcome on board of your former command, our HNMS Dubois, wich ship, among others, was transferred to the Netherlands Navy under the Mutual Defence Assistance Programm".

Commander Bil! was helemaal verbluft en vroeg onder meer of de schade op het voorschip die was veroorzaakt door een kamikaze-aanval tijdens zijn commando, na de uitdienststelling volledig was hersteld. Daarna maakte hij in het gastenboek vervolgens de aantekening:
"From the fomler captain of USS O Niell tot HNMS Dubois, a salute for a good ship in good hands".
Commandner D.S. Bil! was vanaf de indienststel!ing op 6 december 1943 tot 16 juni 1945 commandant van het schip geweest.

Omdat er nog iets aan de motoren haperde, vertrok men een dag later dan was gepland, namelijk op vrijdag 16 oktober. Via de Straat van Malakka stoomde het schip op naar Singapore. Evenals bij de voorgangers kwam ook hier Zijne Majesteit Neptunus met gevolg aan boord voor een groots waterballet met bijbehorende rituelen. Met een klappie erbij werd op 3 diesels (15 mijl) getracht iets van de verloren tijd in te halen om tijdig in Singapore aan te komen. Onderweg passeerde men het m.s. Oranje, hetgeen begrijpelijkerwijs gepaard ging met gewuif, gejoel en sirenegeloei.

Op 23 oktober was de Dubois weer in zee om noordelijker te koersen richting Hong Kong. Nauwlettend werd op dit traject de barometer in het oog gehouden, omdat tyfoon Betty op komst was, maar de angst bleek ongegrond. Op 28 oktober, n dag eerder dan geraamd, meerde het schip om half negen op de boei af en kon men van twee dagen passagieren in Hong Kong genieten.

Het bekende spreekwoord "De laatste loodjes wegen het zwaarst" kreeg op het resterende gedeelte van de reis weer zijn volle betekenis. Reeds op de eerste de beste hondewacht moest het aantal omwentelingen worden gereduceerd tot 330. Dit in verband met het zware stampen van het schip en de hoog overkomende zeen. Het leek wel alsof Betty alsnog op bezoek wilde komen. De hoge zee stond vrijwel recht op de kop van het schip en de windkracht liep op tot kracht 9. Maar nadat Formosa was gepasseerd werd het iets rustiger en liepen de omwentelingen geleidelijk aan weer op tot 490, zodat 17 mijl werd gelopen om de verloren tijd in te halen.

Eindelijk kon op 5 november de nauwe ingang van de haven van Yokosuka worden binnengevaren, zodat om 1 0.15uur naast Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau werd afgemeerd. De ontvangst was hartverwarmend en in minder dan geen tijd ontmoette iedereen iedereen. Helaas was hiervoor niet veel tijd beschikbaar omdat alle bescheiden en detailgoederen van de Maurits naar de Dubois moesten.
Wat ook werd overgebriefd was de tip (of waarschuwing) van het hoofd-machinekamer van de Maurits aan zijn collega van de Dubois omtrent de Japanners; zij hadden zich ontpopt als ware imitators. De Maurits had namelijk eens een krom geslagen pompstang aan een Japanse werf gegeven. Deze was bedoeld als model om een nieuwe (rechte) te maken. Die jongens leverden toen inderdaad een glanzende nieuwe pompstang af van de juiste afmetingen en. ..precies even krom als de originele!

De volgende morgen gingen de trossen los; de Maurits naar huis en de Dubois naar Yokohama. Dat is maar een klein stukje varen en na twee uur en een kwartier lag het schip in deze haven afgemeerd voor een officieel bezoek. Hierbij behoorden natuurlijk de excursies, bustochten en (weer) voetballen, waarna het schip werd opengesteld voor het publiek. De dagen vlogen voorbij; op de 1Oe november kon de valreep weer worden verwijderd en keerde het schip terug naar Yokosuka. Omdat de toegang tot de haven op dat moment versperd was door het uitvarende vliegkampschip USS Wasp met haar escorte, moest geruime tijd buitengaats worden gewacht, alvorens in de haven kon worden afgemeerd.