Hr .Ms. Evertsen bijt het spits af.

 
Dit verhaal begint eigenlijk om half elf in de avond van 3 juli 1950, toen Hr.Ms. Evertsen afmeerde langs de Madoerokade in Soerabaja. De Chef Staf Koninklijke marine Soerabaja plus een aantal werfautoriteiten stonden op de wal gereed om, zodra de valreep was uitgelegd, aan boord te stappen en alle moeilijkheden met de meeste spoed op te lossen. Dat die er waren werd al snel duidelijk! Nog geen etmaal tevoren, terwijl het schip op de oostkust van Sumatra patrouilleerde, ontving de commandant, de Ltz.1 D.J. van Doorninck op de brug van de sergeant-seiner het telegrammenplankje met daarop het volgende telegram:
AAA   "Zeer waarschijnlijk zal de Nederlandse Regering maandag a.s. beslissen dat EVN onmiddellijk Korea-waarts gaat en omstreeks 1 augustus wordt afgelost door B KT (Banckert)."

BBB    EVN na aankomst Soerabaja onmiddellijk zo snel mogelijk gereed maken voor oorlogsgereed vertrek, rekenen op voorraden voor 2 maanden, torpedo's, munitie, dieptebommen aanvullen tot volle oorlogsverstrekking".

CCC   "Bemanning zal worden aangevuld, rekenen op blauwe plunje. Kaar1en worden toegezonden".

De commandant en de officier van de wacht zaten juist op de brug te mijmeren over hoe het er over zes weken zou uitzien als de term er na 1 1/2 jaar in de Indonesische wateren erop zat. Terwijl de commandant zich van zijn stoelliet glijden, verstarde zijn gezicht. Hij richtte zich tot een sergeant en zei: "Vraag aan de eerste officier of hij bij mij in de kajuit wil komen! Er schijnt voor ons iets aan de knikker te zijn". Vervolgens wendde hij zich tot de officier van de wacht: "'Vaart meerderen tot achttien mijl en eerst volgens plan olie laden. Daarna met uiterst vermogen rechtstreeks naar Soerabaja".

Hr.Ms. Evertsen was een mooi schip, een goed schip en vooral een snel schip. In 1942 te Birkenhead in Engeland gebouwd als HMS Scourge had zij reeds onder Britse vlag zich een respectabele staat van dienst opgebouwd door o.a. deelname aan de beruchte konvooien naar Moermansk en de landingen op de kust van NormandiŽ. Deze torpedobootjager werd op 1 februari 1946 van de Britse marine overgenomen en als Hr.Ms. Evertsen in dienst gesteld. Er werden onder Nederlands gezag voornamelijk patrouillediensten mee verricht in de Indische wateren zoals op dat tijdstip.


Hr.Ms.Evertsen op 7 januari 1949 bij haar vertrek vanaf de Rotterdamse Parkkade 
naar IndonesiŽ - Foto coll. IMH.

Niet lang daarna meerde het schip in Soerabaja. De volgende morgen ging het meteen in dok en in snel tempo werden allerlei noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden verricht. Overal heerste een koortsachtige bedrijvigheid. Het hele schip was ťťn door elkaar rennende mensenmassa. ledereen ploeterde keihard om de jager oorlogsgereed te maken en stouwde hoeken en gaten vol met goederen en victualiŽn die zowel voor het schip als de inwendige mens noodzakelijk waren.

Enkele dagen na het eerste telegram werd van de VKMI (Verbindingsdienst Koninklijke Marine IndiŽ) een nieuw telegram ontvangen dat luidde:
EVN door Regering aan de V.N. aangeboden voor deelname actie Korea. Vertrekken zodra gereed. Telegrafische instructie volgt. Verzoeke omgaand bericht wanneer gereed".

Op 5 juli 1950 kon de commandant dan ook de VKMI meedelen dat het schip op vrijdag 7 juli voormiddag gereed zou zijn. En inderdaad: het Plimsolmerk was beduidend dieper in het water komen liggen toen om twaalf uur precies de sleepboot de loos uit de tros trok en de Evertsen losgooide van de Kruiserkade.
Tijdens het stoomklaar maken werd om 10.30uur een lekkage geconstateerd in een kleine op de stuurboords-hoofdmanoevreerafsluiter aangesloten aftapklep. Stoom blies met grote kracht in de machinekamer en er bleef de commandant geen andere keus over dan om 12.00uur alleen op de bakboordsschroef te vertrekken. Uitgewuifd door een honderdtal familieleden en kennissen op de Kruiserkade, werd met het manoevreren begonnen en voer het schip het Westervaarwater in. Op hetzelfde moment scheerden drie Catalina's van 321 squadron over het schip, even later gevolgd door een Dakota van de MLD, ten teken van afscheid. Na urenlang geploeter aan de hoofdstoomleiding, was deze om 15.30uur weer voor gebruik gereed, waarop kon worden aangezet tot 21 mijl.

Nauwelijks in open zee en amper twee uur los van de wal begon het lieve leventje al. Een Catalina hing in de lucht om de vuurleiding te beproeven. Toen dat achter de rug was slaakte iedereen een zucht van verlichting en kon worden begonnen met het schip op te ruimen. Dat was hard nodig omdat het schip vanwege de dokperiode en de haast waarmee het oorlogsgereed was gemaakt, in een staat van wanorde verkeerde. De voltallige bemanning kreeg handenvol werk; seiners, telegrafisten, radio-radarmonteurs, torpedomakers, het zwarte koor, kanonniers, noem maar op, ze kwamen handen tekort. Dagelijks werd er nu geoefend op alle mogelijke oorlogstaken. De drill om de stuksbemanningen op post te krijgen gold als een der hoofdtaken, doch de rest werd evenmin ontzien. Deze hard werkende mensen waren dan ook blij als ze 's avonds op de bak onder het genot van een koud pilsje naar een film konden kijken, want ook deze waren ruimschoots in voorraad meegenomen.

Op de eerste zondagmorgen in volle zee werd door de boordpredikant een kerkdienst gehouden, waarbij hij voorging in het volgende gebed:

0, Almachtige God, wij smeken Uw zegen af over dit schip, de commandant en haar
bemanning... Strek Uw hand uit over haar koers, gelijk Gij deed over de storm in de Zee
van Galilea, opdat zij moge hebben een veilige en behouden vaart. Moge dit schip, geleid
door de Stervan de Zee, overeenkomstig Uw Heilige Wil, aIDjd een veilige haven bereiken. Amen".

Na de Straat van Karimata en de Straat van Api te zijn gepasseerd, arriveerde de Evertsen in de vroege morgen van 12 juli in de haven van Hong Kong. De seinpost flitste de ligplaats toe, sloepen werden gestreken en langzaam manoevreerde het schip naar de meerboei waar de sloep reeds klaar lag om de ankerketting en de tros in ontvangst te nemen en op de boei te steken. Snel werden over en weer enige officiŽle bezoeken afgelegd en de korte beschikbare tijd besteed om iets van de stad te zien. De eerste indrukken van deze miljoenenstad waren positief doch beperkten zich tot slechts ťťn dag. Na eerst nog langszij de Britse fleettanker War Afridi olie te hebben geladen, verliet het schip op 13 juli om 12.00uur de haven van Hong Kong.

De volgende dag bracht nogal wat opschudding, toen om 15.15uur de commandant besloot een alarmoefening te houden. Hij had twee Chinese vissersvaartuigen ontdekt waarop schietoefeningen gehouden zouden worden. De hoofdbatterij werd met de grootste nauwkeurigheid op de scheepjes gericht en toen de artillerieofficier op de knop drukte, vuurde kanon 2 daadwerkelijk een granaat af.
Gelukkig miste het schot ver zijn doel, maar naar alle waarschijnlijkheid heeft het grote hilariteit veroorzaakt bij de Chinese vissers.

Tussen de vaste wal van Communistisch China en het Nationalistische eiland Formosa ging de reis verder en al spoedig werd overgegaan op oorlogswacht; zes uur op, zes uur af. Ter afwisseling in de schemeruren gevechtswacht! Alles op en niks af. Dit om de bemanning te oefenen in het zo snel mogelijk betrekken van hun posten. Zeer vermoeiend, maar de resultaten logen er niet om!

Op de eerste wacht van 15 juli 1950 kwam de eerste Japanse vuurtoren in zicht en de volgende morgen om 07.00uur arriveerde het schip in Sasebo, een voormalige Japanse oorlogshaven; nu echter de basis voor de schepen van de Verenigde Naties, waaronder een aantal van de Amerikaanse 7e vloot. Nadat het eerste officiŽle contact tussen de commandant en de autoriteiten was gelegd, bleek dat men nog niet direct van start kon gaan. Zodoende werd eerst de wal maar eens aan een nader onderzoek onderworpen.

De oude stad Sasebo was nu niet bepaald vreemd voor Nederlandse schepen, want reeds op 19 april in het jaar 1600 liet het Nederlandse schip De Liefde hier haar anker vallen. Bovendien dateerde de eerste Nederlandse nederzetting op het nabij gelegen eiland Hirado van 1611. Toch keek men elkaar wel even vreemd aan, toen de bemanning van de Evertsen hier souvenirs aantroffen die aan deze tijd herinnerden.
Sasebo bood een armetierig aanzien. De stad was weliswaar beschut en aan een prachtige baai gelegen' maar verder bleek in deze oude marinehaven weinig te beleven. Met het handjevol dollars waarover de bemanningsleden beschikte, kon men iets kopen in Amerikaanse winkels, waaronder zich zelfs een warenhuis bevond. De prijzen leken erg laag, maar ook hier gold "schijn bedriegt", want anno 1950 was de koers van de Amerikaanse dollars bijna vier Hollandse guldens en dat deed pijn!

Om de zwarte handel tegen te gaan, hadden de Amerikanen de zgn. "script-dollar" ingesteld, waarmee in de stores gekocht kon worden en speciale wisselkantoren voor waren. Je kon er alleen de "yen" niet kwijt, maar die was dan ook slechts 1 (een) cent waard. De "base" bood verder alle wenselijke faciliteiten met redelijke prijzen, doch voor iets specifiek Japans moest je een stapje verder en dat soort zaken was in Sasebo te kust en te keur te koop.

Op 18 juli maakte de eerste officier bekend dat de Evertsen voorlopig niet afgelost zou worden en aangeraden werd om de in Soerabaja achtergebleven gezinnen te laten repatriŽren naar Nederland. Ook werd diezelfde dag met spanning uitgekeken naar de komst van "Grace", weliswaar een bevallige naam, maar desondanks een tyfoon waar je maar beter niet mee te maken kon krijgen. Gelukkig liet ze het schip met rust.

Op 19 juli werd de Evertsen ingedeeld bij Task Group 96.8 onder tactisch bevel van COMANVFE (Commander Naval Forces Far East). Een dag later verliet het schip Sasebo, op weg naar de westkust van Korea voor haar eerste patrouille. Als een der eerste oorlogsbodems van de Verenigde Naties was Hr.Ms. Evertsen aan haar operationele taak begonnen. Deze had ten doel: infiltratie over zee te voorkomen en de Koreaanse kust te blokkeren.

Op een gegeven moment rapporteerde de uitkijk:
"Onbekend voorwerp, groen 40'!
Meteen werd dit doorgegeven aan het vlaggenschip, dat dadelijk terugseinde:
"Investigate"! (= onderzoeken).
Onmiddellijk komt het schip in actie. De officier van de wacht buigt zich over de spreekbuis en roept:
"Aanzetten tot 20 mijl"!
Even later wordt bemerkt dat het aantal omwentelingen van beide schroeven wordt opgevoerd.
"Stuurboord 10", klinkt het van de brug.
"Stuurboord 10", antwoordt de roerganger.
Gehoorzaam draait het schip de opgegeven richting uit naar het onbekende voorwerp.
"Opkomen tot midscheeps"!
Het pijltje van de axiometer gaat naar de middenstand.
"Opgekomen midscheeps"!
"Stuur 340"!
"340", antwoordt de roerganger, en even later:
"Koers"!
"Ay, ay", klinkt het van de brug.
Met 20-mijls vaart snelde de jager op het doel af, dat naderbij gekomen een ponton bleek te zijn, bestaande uit 18 stuks aan elkaar gebonden lege drums. Merkwaardig hoe zoiets hier terecht kon komen. Misschien werd het gebruikt bij een landingspoging over een rivier, was het losgeslagen en naarzee afgedreven. In ieder geval was het een gevaar voor de scheepvaart, met als gevolg de opdracht het geval in de grond te boren. Met de mitrailleurs werd elke drum afzonderlijk lek geschoten, waarna de ponton spoedig naar de bodem van de zee verdween.

Op 24 juli werd bij een snelheid van 11 mijl olie geladen vanuit de Britse kruiser HMS Jamaica. Het was de eerste keer en dat moest nog even wennen. Later werd het een routine-klus!
Omdat de Jamaica niet te dicht onder de kust kon komen, kwam de opdracht binnen om samen met de torpedobootjager HMS Cossack 's nachts een sweep uit te voeren. Deze actie hield in het tussen de eilanden door en zo dicht mogelijk onder de kust aanhouden van alle verdachte scheepvaart, deze te onderzoeken en zonodig te vernietigen. Een uur voor zonsondergang verlieten beide schepen de kruiser en koersten in kiellinie naar de vijandelijke kust. Gevechtswacht op post, alle wapens werden bezet en iedereen was tot de laatste vezel gespannen.

In de monding van de rivier Kum werd naar vijandelijke scheepjes gezocht, maar het enige dat werd ontdekt was een prauw met schamel geklede vluchtelingen, bestaande uit zo'n veertig Zuidkoreaanse kinderen. Met deze balans werd de patrouille afgesloten en keerde men terug naar Sasebo, dat op de 31ste wederom werd verlaten voor de tweede patrouille.

De eerste opdracht omvatte het escorteren van het 2O.OOO-ton metende Amerikaanse troepentransportschip General W.A. Man naar de Zuidkoreaanse haven Pusan. Op zich niets bijzonders, maar toch voelden de opvarenden zich een beetje vereerd toen bij aflevering in de haven de seinlamp aanflitste, waaruit het volgende tevoorschijn kwam:
"Thanks for a safe voyage. Good luck to you".
Waarop de commandant antwoordde met:
"We wish all the best and good luck tot the men of the transport and to your ship".

Op 3 augustus, na tot dicht onder de vijandelijke kust nabij Headju te zijn doorgedrongen, bracht de Evertsen met haar 12cm kanons een vijandelijke kustbatterij tot zwijgen, die kort daarvoor USS Bataan onder vuur had genomen. In totaal werden 12 granaten afgevuurd en hiermee was voor de eerste maal het geschut van de jager in actie geweest. Enkele dagen later werd een prauw aangehouden, waarin zich twee vluchtelingen bevonden. Dolgelukkig om een der schepen van de Verenigde Naties tegen te komen, wilden ze vol enthousiasme aan boord stappen, de vrijheid tegemoed. Ondervinding had echter geleerd met dergelijke figuren op te passen. Ze werden wel aan boord genomen, maar niet zonder meer vertrouwd en onder streng arrest knijp gezet. Later werden zij op transport gesteld naar Pusan voor verder verhoor.

Helaas sloeg in deze periode ook het noodlot toe. En wel toen het schip op 9 augustus van een patrouille in de Gele Zee met een vaarsnelheid van 20 mijl op weg was naar Pusan. In verband met de mogelijkheid van onderzeebootgevaar, stuurde men op de brug ter hoogte van het eiland Fokusa Sho, ten zuiden van Korea, een zig-zag-koers. Ongelukkigerwijs stootte het schip hierbij op een zich onderwater bevindend rif en liep vrij ernstige schade op. Dit ongeluk heeft een grote stempel gedrukt op het verdere verloop van deelname van de Evertsen aan de strijd in het Koreaanse conflict..

Deze dramatische gebeurtenissen van die dag zijn op een uitmuntende manier op schrift gezet door het toenmalige hoofd van de machinekamer, de LtzT. 1 J.L. Tuynman. In zijn dagboek beschreef hij het gebeurde als volgt:

"Om precies 18.31 uur liep er plotseling een siddering door het schip, gevolgd door een serie luide knallen. Ik holde naar de machinekamer en hoorde iemand in het voorbijgaan zeggen dat er een explosie in een olietank was gebeurd. Ik kon dit moeilijk aannemen. In de machinekamer aangekomen zei" Junior" (de toenmalige Ltz. T .F .van Rugge, die chef van de wacht in de machinekamer was) dat de machinekamer en het achterketelruim normaal functioneerden, doch dat het voorketelruim uitgevallen was. Tegelijkertijd kwam de chef van de wacht van het voorketelruim, de korporaal-machinist Joop Mens, in de machinekamer met de mededeling, dat het waterdichte schot tussen ketelruim en
olietank aan stuurboord opengescheurd was en dat het voorketelruim vol liep. Om calamiteiten te voorkomen had hij de branders uitgezet en de stookolietoevoer dichtgedraaid. Ik greep een zuurstofmasker en daalde in het nu verlaten ketelruim af.

Bij het schemerlicht van de noodverlichting kon ik zien hoe het buitenboordwater tot aan de peilglazen van de hoofdketel stond. Het water was kokend heet en het was duidelijk dat met pompen en lenzen niets bereikt kon worden. Ik gaf opdracht de stopkleppen te sluiten en de nog steeds draaiende ketelfans te stoppen".

Wat bleek te zijn gebeurd? Het schip had met de voorsteven aan stuurboordzijde een rotspunt geraakt. Dit veroorzaakte ter hoogte van spant 33 een scheur in de scheepshuid, die pas ter hoogte van spant 42 eindigde. (Het waterdichte schot tussen voor- en achterketelruim).
De lengte van de scheur bedroeg ongeveer 18 meter. De scheur had zich ongetwijfeld voortgezet, ware het niet dat een geklonken lasnaad in de huid sterker bleek dan het potspunt, die afbrak en in de scheur was blijven steken. Deze rotspunt is bewaard gebleven en bevindt zich in het museum van de Vereniging van Oud Korea Strijders). Bij het gegeven alarm kwam onmiddellijk de SBD (Scheeps Beveiligings Dienst) in touw.

Uit de binnenstromende berichten kon worden opgemaakt, dat het schip groot gevaar liep om te kapseizen, waarop de commandant bevel gaf tot aantreden volgens verlaatrol, hetgeen later werd ingetrokken.
Tengevolge van de scheur in de scheepshuid stonden de volgende compartimenten in open verbinding met de zee:

a Spant 33 -34 %; zoetwatertank.
b Stookolietanks 1, 3 en 5.
c Vleesbergplaats en koelmachineruimte. Deze ruimten veroorzaakten de slagzij naar bakboord.
d Kofferdam.
e Voorketelruim, hier stond het waterpeil gelijk aan buitenboord.

Het volgelopen voorketelruim veroorzaakte een groot verlies aan stabiliteit en bij het slingeren richtte het schip zich steeds moeizaam op. Toch bleek, dat bij gelijkblijvende weersomstandigheden en beperking van verdere schade, de kans op behoud van het schip aanzienlijk was.
Een ernstig gevaar vormde het dek boven de koelruimte. Bij het passeren van een golftop bolde het dek op en bij breuk zou een zeer ernstige nevenvloeding in het manschappenverblijf 4 waarschijnlijk tot verlies van het schip hebben geleid. Er was dus alles aan gelegen om de beweging van het dek door schoren en stutten tot een minimum te beperken.

Inmiddels was het 23.00 uur geworden en het weer werd steeds slechter. Nadat was vastgesteld dat het vloeden van de koelruimte het gevolg moest zijn van een verbinding met de opengescheurde kofferdam, kon worden aangenomen dat het mangat dat toegang gaf tot de kofferdam, niet gesloten was. Dit zou aanleiding tot kapseizen kunnen geven. Het was duidelijk dat de enorme druk die tegen het dek stond, verminderd moest worden door stookolie uit de tanks 2, 4 en 6 naar het achterschip over te pompen. Hierdoor zou de stabiliteit verbeteren.

Bij het openen van het toegangsluik tot de koelruimte stond het water/olie oppervlak juist onder de rand en daaronder bevond zich het openstaande mangat dat gesloten diende te worden. Zonder gebruik te maken van enig hulpmiddel, daalde een stoker-olieman de volgelopen ruimte binnen en in de volslagen duisternis slaagde hij erin het mangat te sluiten. Stel u voor: een vliegende storm, een lamgeslagen schip dat zich met de grootste moeite na elke aanval van de woeste zee opricht; dan diep in een ruimte van het schip afdalen dat vrijwel geheel is gevuld met bijtende stookolie. Voorwaar, geen geringe prestatie!

Met behulp van verplaatsbare pompen werden vervolgens de betreffende ruimten leeggepompt. Hoewel een drinkwatertank, drie stookolietanks, alsmede de kofferdam in open verbinding met de zee stonden, leverden deze in feite geen gevaar meer op tot kapseizen.
Maar hoe stond het met de overige schade?

Asdic-dome weggevaagd bij het raken van de rots. Topplaat eerst lekkend, met ketelklemmen gedicht.
Bofors munitieruimte geringe waterschade.
Achterketelruim twee hulpvoedingspompen ontzet door schade aan de scheepshuid.
Beide schroefassen verbogen, uithouders ontzet.
Beide schroeven zeer ernstig beschadigd.


Hoofd machinekamer, Ltz.2 oc J.L. Tuynman bekijkt in het dok te Sasebo naar de afgebroken 
rotspunt die in de 18-meter lange scheur is blijven steken.- Foto coll. IMH.

Zo lag Hr.Ms. Evertsen er bij in de nacht van 9 op 10 augustus 1950 op de zuidwestkust van Korea.
Als gevolg van het noodsein dat de Evertsen had uitgezonden aan de Admiraliteit in Hong Kong, snelden onmiddellijk de kruiser HMS Kenya en de jagers HMS Cossack en Cockade naar de plek des onheils om assistentie te verlenen. Deze schepen leverden extra verplaatsbare pompen en een grote voorraad hout om stutten en schoren aan te brengen. In totaal werd op 45 plaatsen geschoord.
Maar een van de meest opmerkelijke dingen in deze zo hachelijke situatie was wel de tegenwoordigheid van geest van de korporaal-machinist Joop Mens. Hij immers gaf onmiddellijk opdracht de branders te doven en de stookoliepomp te stoppen, zodat er geen brand uitbrak.
Er is weinig verbeeldingskracht voor nodig om zich te realiseren wat de gevolgen zouden zijn als vuur, stoom, olie en water zich met elkaar hadden vermengd. Brand en ontploffingen hadden zonder meer tot verlies van het schip geleden en, wat erger zou zijn, het verlies van vele mensenlevens.
Terecht werd Joop Mens op voordracht van de Minister van Marine, d.d. 24 april 1951, onderscheiden met de "Ere-medaille in brons, behorend bij de Orde van Oranje Nassau met de zwaarden".
De Amerikanen zouden zonder meer het schip hebben "laten zakken". Nuchtere Hollanders echter deden hun plicht!

Die nacht nam HMS Cockade het lamgeslagen schip op sleeptouw, eerst achterstevoren en later, als gevolg van de slechte weersomstandigheden, op de boeg. Op vrijdag 11 augustus werd de sleeptros overgenomen door de sleepboot USS Cree, die het deerlijk gehavende schip om 14.00 uur in de haven van Sasebo binnen bracht.

Met een wrang gevoel voor humor, doopte de Britse marine later het rif in: "Evertsen's Folly".
In het dok van Sasebo kon pas de werkelijke schade worden vastgesteld en hieruit bleek dat voor definitief herstel moest worden verwezen naar de Naval Dockyard in Hong Kong. Deze Britse marinehaven bezat meer faciliteiten om het vroegere Engelse oorlogsschip te rapareren.

Na provisorisch te zijn hersteld, werd op 13 september het dok in Sasebo verlaten. Even ging dat nog mis, toen bij het opdrijven het achterschip van de blokken afschoof en het schip 6 graden over bakboord overhelde, maar gelukkig trad er geen verdere schade op. Na een deels mislukte proefvaart kon op 18 september aan de oversteek naar Hong Kong worden begonnen met een voorzichtige snelheid van 13 mijl per uur. Maar niets bleef het ongelukkige schip bespaard, want onderweg werd nog even het staartje van een tyfoon geproefd, waarbij de motorsloep en whaleboot vrij ernstig werden beschadigd. Maar op 25 september stond het schip dan toch veilig droog in een dok van de Naval Dockyard in Hong Kong. 

Op 14 november deed de Evertsen haar eerste proefvaart en dat leverde geen enkele moeilijkheid op. Op 25 november, precies twee maanden na aankomst, verliet de trotse jager om 08.15uur de haven en zette koers naar Japan. Na een kort oponthoud in Kure, passeerde de bodem de Straat Shimonoseki en arriveerde op 2 december weer in Sasebo. Hr.Ms. Evertsen was weer volledig op haar taak in het Koreaanse conflict berekend.