KERSTMIS 1950.

 Gedurende deze noodgedwongen periode van stilliggen werd alles in het werk gesteld om de algehele paraatheid op peil te houden door in samenwerking met de Britse marine diverse oefeningen te houden. Allereerst ging de gehele bemanning van boord en werden de officieren geplaatst op de walinrichting HMS Tamar en de overige bemanningsleden in de China Fleet Club. Dat was een groot gebouw dat aan de haven stond -een soort marinehotel -en stond onder Engelse supervisie. De reden hiervan was dat sanitaire omstandigheden in een dok nogal te wensen overlaten en de leefomstandigheden veelal niet kunnen worden gecombineerd met reparaties.

Omdat Hollanders nogal huiselijk van aard zijn aangelegen en graag wat gezelligheid zoeken, kreeg men al ras een oude schuur in het vizier, die met behulp van tafels en banken, doek en vlaggen, werd omgetoverd tot kantine en bioscoop. De schuur werd in tween gedeeld en de voorste helft tot bar ingericht waar cola en bier verkrijgbaar waren. De achterste helft werd bioscoop. ledere avond werd er een andere film gedraaid. Dat ging prima omdat die eenvoudig elders werd geleend. Uiteraard bezat het geheel ook een naam: "Dutch Club".

Boven dit eigen vermaak was er natuurlijk ook de wal. De Nederlandse Kolonie van Hong Kong stelde letterlijk alles in het werk om het de opvarenden van de Evertsen zo goed mogelijk naar hun zin te maken. Op vrije middagen stelden Hollandse families zich beschikbaar om de mensen over het eiland en de zgn. New Territories - het gedeelte op het vaste land van China, Kowloon, tegenover Hong Kong - rond te rijden. Ook zorgden zij ervoor dat er vrijkaartjes voor bioscopen beschikbaar kwamen, waarvan een dankbaar gebruik werd gemaakt. Doch het meest innemende van alles was het familiebezoek. Daarbij organiseeroen verschillende Nederlanders regelmatig avonden thuis, zodat de bemanningsleden in de gelegenheid werden gesteld weer eens in huiselijke kring te vertoeven.

Tijdens deze periode waren 4 seiners tijdelijk gedetacheerd op de seinpost in Sasebo. Opmerkelijk was, dat de Amerikaanse chef-seiner alleen dn ging passagieren als hij wist dat er een Hollander de wacht had. Hieruit blijkt de grote vakbekwaamheid van het Nederlandse marinepersoneel en het vertrouwen dat de Amerikanen in hen stelde.

De dag kwam dat de laatste voorbereidingen voor het vertrek werden getroffen, zoals het laden van olie, munitie en victualin. Aan al die landgenoten die op zo'n voortreffelijke wijze de opvarenden ter wille waren geweest, werd een afscheidsfeest aangeboden. Het hele schip was met vlaggen en guirlanders van lampjes versierd. Overal werden drankjes geschonken en vanuit de kombuis kwamen de bitterballen aanrollen.
Om half acht klonk via de bootsmansfluit het signaal "Alle Hens voor de boeg". Gasten en gastheren verzamelden zich op de bak, waar de commandant het woord nam en alle Hong Kong-Nederlanders bedankte voor alles wat zij gedaan hadden. Tevens werd er een Nederlandse vlag en een mooie foto van het schip aangeboden. Na alle bedankjes over en weer ging een ieder met een voldaan gevoel zijns weegs.

Het was een prettige ervaring om de jager weer met 30-mijls vaart door het water te zien ploegen. De hoge hekgolf die het schip trok en het overspattende buiswater gaven de opvarenden het idee weer veilig thuis te zijn op een gaaf schip dat weer volledig op haar taak was berekend.
De oorlog in Korea was inmiddels voor de strijdkrachten onder auspicin van de Verenigde Naties te land slecht verlopen en door de steun van communistisch China aan de kant van de Noordkoreanen, stond het front van de geallieerden onder hoge druk. Het was dan ook niet verwonderlijk dat meteen na aankomst in Sasebo het Nederlandse oorlogsschip weer op pad ging naar de Koreaanse westkust om, tesamen met HMS Cossack en Concord het vliegkampschip Theseus te escorteren. Vliegtuigen van deze Britse carrir moesten luchtsteun verlenen aan de zich terugtrekkende troepen.

Op 7 december werd de Evertsen, samen met de Australische torpedobootjager HMAS Warramunga, toegevoegd aan de kruiser HMS Kenya, om in de Inchon-sector de eigen troepen aan de rivier Han te beschermen tegen vijandelijke vliegtuigen. Men verleende hiervoor vuursteun, maar ter afwisseling ook bescherming aan de Theseus.


Hr.Ms. Evertsen in de Koreaanse wateren - Foto coll. IMH.

Het varen met een vliegkampschip was voor de meeste bemanningsleden iets nieuws. Het verband bestond meestal uit de Theseus en enkele begeleidende jagers. waarvan er n werd aangewezen als volgjager. Deze moest bij vliegrol achter de carrir op post komen om direct bij de hand te zijn als er iets mis mocht gaan. Hoe nodig dat was bleek wel toen n van de carir-vliegtuigen vlak voor de landing moeilijkheden kreeg en in zee stortte. De temperatuur van het zeewater was van dien aard dat een spoedige bevriezing en verlamming van de piloot geenszins denkbeeldig waren. Alleen het snelle reageren van de volgjager redde de vlieger het leven die, ofschoon hij hoogstens enkele minuten in het water had gelegen, al vrijwel onmachtig was en door de kou bevangen.

Diezelfde felle koude deed het overkomende buiswater onmiddellijk bevriezen, zodat er veel tijd besteed moest worden aan het loshakken van de ijsklompen die zich op het geschut en het dek hadden vastgezet. Gelukkig waren er in Hong Kong al ruim 100 duffelcoats aan boord gekomen die in eerste instantie de ergste kou moesten opvangen. In Japan werd dit nog eens aangevuld met winterkleding van de Amerikaanse marine, bestaande uit een gewatteerde broek, een met bont gevoerd jasje, rubberen overlaarzen, wollen sokken, vilten ijsmuts en wollen handschoenen. Ook al zag men er daarmee meer uit als een eskimo dan een opvarende van een oorlogsschip, goede bescherming bood deze kleding wel tegen deze bittere en barre omstandigheden.

Op 23 december werd op de rede van Inchon verzameld door Hr.Ms. Evertsen, HMS Ceylon, HMAS Bataan en Warramunga. Na de briefing van de gezamenlijke commandanten werd besloten om binnen twee uur vaarklaar te zijn, gezien de zeer kritieke situatie en de mogelijkheid tot actie.
Inchon is een kleine havenplaats met een mooie, grote en natuurlijke toegangsweg die voor de grootste schepen geschikt is. Zoals Hoek van Holland de toegangspoort is tot Rotterdam, zo is dit Inchon naar de Koreaanse hoofdstad Seoel. Inchon is een getijdehaven met een groot verval in waterstand van circa negen(!) meter en is dientengevolge slechts drie uur bevaarbaar voor de grotere schepen.
Voor posterende oorlogsschepen echter, met een dreigende nadering van vijandelijke eenheden, bepaald geen veilige schuilplaats. Toch lag de rede bezaaid met transportschepen, LST's, hospitaalschepen, voorraadschepen, tankers en grote aantallen oorlogsbodems.

De volgende morgen, de dag vr Kerstmis, voer de Evertsen een eind de Inchon-rivier op om zonodig het Nederlandse Detachement Verenigde Naties, het Regiment Van Heutsz, dat ten noorden van de rivier in moeilijkheden was geraakt, te evacueren. Maar gelukkig slaagde het vrijwilligerskorps erin, om met achterlating van vrijwel alle materiaal de zuidelijke oever van de Inchon-rivier te bereiken, zodat marinehulp niet nodig was. Van de hoera-stemming, zoals die in het detachement op 26 oktober 1950 heerste bij het vertrek met de Zuiderkruis uit Rotterdam, zal wel niet veel zijn overgebleven.

Hierop werd naar de rede van Inchon teruggekeerd om langszij een RFA-tanker (Royal Fleet Auxillary) olie te laden. Deze tanker, zojuist uit Japan gearriveerd, bleek de Kerst- en Nieuwjaarspakketten te hebben meegenomen die door het troepentransportschip Zuiderkruis uit Nederland waren meegebracht. Maar er kwam meer!
Nauwelijks bevoorraad en terug ten anker, kwam vanaf een der vooraadschepen een LCVP (Landing Craft Vehicle Personnel) langszij met een zending pakketten van Nederlanders in Japan. Maar het mooist was die ene LST (Landing Ship Tank) die op Tweede Kerstdag langszij kwam met pakjes en
brieven van thuis. De commandant van de LST vertelde dat hij uit Sasebo was vertrokken om post en geschenken bij de diverse schepen te bezorgen. Omdat er volkomen radiostilte heerste, moest hij elk schip afzonderlijk met zijn loudhailer praaien:
"Are y ou Her Netherlands Majesty Ship Evertsen"?
Het antwoord hierop was bevestigend.
"OK, Sir, coming alongside, I have mail and parcels for you".

Het behoeft welhaast geen uitleg dat de man zich bijzonder populair maakte. Ten bewijze daarvan werd hem, met het oog op de felle koude en het drankverbod aan boord van Amerikaanse oorlogsschepen, een borrel aangeboden. Omdat hij nog meer schepen moest bezoeken was hij binnen een half uur weer vertrokken, maar voor de bemanning kon de dag niet meer stuk.

Dit was voor de Evertsen met zijn opvarenden Kerstmis 1950 in Korea, met toespraken van de commandant, de aalmoezenier en de dokter.
Kerstmis 1950. Ondanks de post en geschenken was de stemming aan boord zeer bedrukt. Het Regiment Van Heutsz leed ernstige verliezen en haar commandant kon ernstig gewond, ternauwernood worden afgevoerd.
Aan beide zijden van de rivier de Han stonden opslagplaatsen, fabrieken en dorpen in brand en een schier eindeloze stroom vluchtelingen voer in kleine open bootjes de rivier af, op zoek naar veiliger oorden. Voor hen lag echter de open zee en bij de heersende felle koude een zekere dood. In de naaste omtrek van Inchon had die dag een moeder haar kind in de rivier de Han gegooid. Beter het kind in het ijskoude water te zien sterven, dan het tijdens de vlucht voor de aanstormende horde communisten te laten vertrappen of te laten verhongeren. Kerstmis 1950! Arme Koreanen!

Wat een schril contrast met enkele dagen later, toen in de nacht van Oud en Nieuwoliebollen uit de kombuis kwamen en een rumgroc werd gedronken. Die stumpers aan de wal hadden niets! Ja, ellende! Niets dan ellende, want de kanons van de kruiser USS Rochester spuwden hun vuur richting Seoel over de hoofden van de zich terugtrekkende troepen, met in hun kielzog de vluchtelingen. Korea stond in brand!

Alles bij elkaar hielden deze belevenissen het schip 40 dagen achter elkaar op zee, wat in deze kou n met de feestdagen mee een fikse ruk was. Op 8 januari 1951 liep de jager eindelijk Sasebo binnen om na een zeer inspannende patrouille even op verhaal te komen en verse voorraden in te slaan.
Opmerkelijk was, dat ondanks de extreme koude van de afgelopen weken, de algehele gezondheid aan boord optimaal genoemd kon worden en alle opvarenden in een blakende welstand verkeerden.

Op 11 januari was de Evertsen weer op patrouille en vervoegde zich bij Task Element 95.11, met aan boord de post voor de andere schepen.
De samenstelling betreffende T(ask) F(orce), E(lement), U(nit) of G(roup) veranderde naarmate de opdracht of samenstelling van de vloot. Het zal duidelijk zijn dat niet alleen de Evertsen, maar ook alle latere schepen met praktisch alle soorten oorlogsschepen hebben samengewerkt.
Door het aanhoudende slechte weer en mogelijk nog als gevolg van de schadevaring, was de waterdichtheid van de scheepshuid er niet beter op geworden. Bij het overschakelen op brandstoftanks 4 en 7 werd water aangezogen, waardoor de branders van de achterketel doofden. Door het tijdig overschakelen op een andere dieselolietank kon de stoomproductie gehandhaafd blijven. Men moest nu echter voortdurend op zijn hoede zijn dat deze storing niet tijdens een gevechtsactie zou plaatsvinden.

In de namiddag van 20 januari werden op ongeveer 3600 meter achter het schip vier waterzuilen waargenomen, waarvan men in eerste instantie dacht aan granaatvuur vanaf de wal, hoewel deze dan wel door hele slechte schutters waren afgevuurd. Bij nader inzien bleken het echter vier bommen van een Corsair te zijn, die vanaf de vaste wal kwam terugvliegen naar zijn basis, het vliegkampschip USS Bataan en zich eerst van zijn bommenlast verloste.

Na een kortstondige dokbeurt in Sasebo, ging de jager op 2 februari weer naar de Gele Zee. Tot grote schrik ontdekte men de volgende morgen een kleine scheur in de scheepshuid van het stuurboordsketelruim. Op zich niet zo'n groot probleem, maar voor afdoende reparatie zou moeten worden teruggekeerd naar Sasebo. Omdat echter de Canadese jager HMCS Nootka op aflossing lag te wachten, besloot de commandant een oud en beproefd middel toe te passen door een "zij spek" te laten aanrukken waarmee de scheur provisorisch werd gedicht. De Nootka kon zodoende op tijd naar haar basis terugkeren. In zijn rapport kwam de commandant van het Far East Station later tot de opmerkelijke conclusie:
"Dit is de eerste keer dat ik deze nieuwe methode van repareren van een scheepshuid door middel van een zij spek ben tegengekomen. Maar het lijdt geen enkele twijfel dat deze informatie zal worden uitgewisseld met de directeur van de Naval Constructions voor verder experimenteren".
Van Nederlandse zijde werd hierna opgemerkt: "Dit is blijkbaar n van die zeldzame en goed bewaarde geheimen uit de dagen van admiraal De
Ruyter" .

Op 4 februari 1951 kwam de jager bij de kruiser HMS Belfast aan en kreeg de opdracht om gedurende de komende twee weken als "Bird Dog" te fungeren. Deze eer viel het schip te beurt omdat bleek dat de Evertsen een der snelste jagers van het scherm was. Een "Bird Dog" is een schip dat gestationeerd werd halverwege het opererende vliegkampschip en de vaste wal, met de bedoeling de in moeilijkheden geraakte vliegers zo snel mogelijk uit het water op te vissen. In het onderhavige geval bleef het gelukkig enkel en alleen bij het paraat zijn en was hulp overbodig.

De volgende dag kwam de bemanning van de Bofors-mitrailleurs in actie toen een drijvende mijn van Russische afkomst werd gesignaleerd. Een forse dreun en een reuze fontijn waren het resultaat. (In dit verslag wordt overigens weinig stilgestaan bij de aanwezigheid van mijnen, omdat de Nederlandse schepen hiermee slechts zijdelings te maken kregen. Hooguit wordt aandacht besteed aan het bevaren van een mijnenvrij geveegd kanaal, of het -zoals eerder beschreven -met mitrailleurs tot ontploffing brengen van een terloops gesignaleerde drijvende mijn. De realiteit was overigens duidelijk anders. Bij duizenden werden er mijnen van overwegend Russische makelij gelegd door de communistische strijdkrachten. Het heeft de geallieerde vlooteenheden heel veel moeite gekost deze te vegen en op te ruimen, acties die zelfs ten koste zijn gegaan van enkele Amerikaanse mijnenvegers).

Na het beindigen van de patrouille werd voor n week opgestoomd naar Kure, alwaar de lopen van kanon 1 en 4 werden vervangen, omdat deze volkomen versleten waren. Tevens werd van deze gelegenheid gebruik gemaakt om de bemanning te laten doorlichten op tuberculose.

Vanuit Kure werd doorgestoomd naar Yokosuka, om in de naaste omgeving met andere eenheden onderzeebootbestrijdings- oefeningen te houden. De weersomstandigheden waren echter van dien aard dat binnenvaren van de haven niet mogelijk was, zodat ook een bezoek aan Tokio de mist inging.
Nadat de oefeningen waren beindigd werd de Evertsen ingedeeld bij de Amerikaanse vloot voor een patrouille op Korea's oostkust. Het schip meldde zich present bij Task Group 95.2, nader aangeduid als East Coast Blockade and Patrol Group, en koerste vervolgens achter het fregat USS Sauselito door het van mijnen gezuiverde kanaal. 

Tenslotte kwamen de schepen op de rede van Wonsan ten anker nabij USS English, in afwachting van de order tot bombarderen. Fel schietende Amerikaanse jagers was het eerste wat men te zien kreeg. Nauwelijks was de ankerrol bedankt, of de seinlamp van de English richtte zich tot de Evertsen met het volgende bericht:
-Open fire at following targets...".
Dit was het moment waarop de stuksbemanningen van het Nederlandse oorlogsschip al zo lang hadden gewacht. Zij wilden bewijzen een gedegen opleiding te hebben genoten en nu was dan eindelijk het grote moment aangebroken.

De situatie bij Wonsan was als volgt De eilanden in de ingang van de baai waren bezet door Zuidkoreaanse mariniers die meer aan hun hoofd hadden dan alleen de toegangen te controleren, waardoor het mogelijk was ongestraft deze baai binnen te varen. Het vaste land was in handen van de communisten en de stad Wonsan was daarbij een zeer belangrijk spoorweg- en wegenknooppunt. Voorts waren er grote hoeveelheden troepen gelegerd.

Om 18.00uur opende de Evertsen het vuur. Het bombardement duurde de gehele nacht en werd tot de volgende avond voortgezet. Tijdens de totale duur van de beschieting lag het schip ten anker, waarbij in de nachtelijke uren speciaal uitkijk werd gehouden naar kikvorsmannen met kleefmijnen,
mini-onderzeebootjes en mijnenleggende jonken, dit alles onder de naam "Flycatch Oraganization" (vliegenvanger organisatie). Na een etmaal te hebben gebombardeerd, kreeg het schip opdracht met de kruiser USS Manchester en drie andere Amerikaanse jagers op te stomen naar de nog noordelijker gelegen havenplaats Songjin voor een nieuw bombardement.

Op meer dan 40-graden noorderbreedte werd voor de haven het verband geformeerd. Voorop een zogeheten Fast-minesweeping-destroyer, dan een Amerikaanse jager, de Manchester en daarachter de Evertsen, terwijl een andere Amerikaan de linie sloot. De voorop varende jager had als primaire
taak het vaarwater vrij te maken van mijnen.
Gezamenlijk met de jagers USS Charles S. Sperry en Frank E. Evans werd deelgenomen aan het beschieten van landdoelen, waarbij de Evertsen op een afstand van ruim 7000 meter op een verkeersweg vier treffers kon noteren. Nadat dit karweitje naar tevredenheid was geklaard, deed zich een triest incident voor.

De Evertsen en de Sperry waren juist bezig van positie te wisselen, toen laag en met grote snelheid twee Grumman Panthers vanaf de wal kwamen aanvliegen. Een der toestellen was boven land door vijandelijk vuur geraakt en dreigde brandend in zee te storten. In een laatste wanhopige poging het er levend vanaf te brengen, sprong de vlieger uit z'n toestel, maar zijn parachute weigerde open te gaan.
Onmiddellijk dook er een helikopter op af om directe hulp te bieden, doch het was reeds te laat. Even later pikte de Sperry het levenloze lichaam van het slachtoffer uit de ijskoude zee op. Het was een van die trieste momenten waarmee deze oorlog zO vol zat. Zie je zoiets vlak voor je ogen gebeuren, dan ben je echt even kapot!

Tijdens deze operatie werd de munitievoorraad volledig uitgeput. En omdat de berichten van het vaste land waar de strijdkrachten van de Verenigde Naties alsmaar werden teruggedrongen, bijzonder slecht waren, werd met spoed naar Sasebo teruggekeerd voor verse voorraden. Vijftig procent meer dan gebruikelijk werd ingeslagen om daarna binnen de kortste keren terug te stomen naar het terrein van actie: in casu Wonsan.

In de vroege morgen van 14 maart kwam het schip bij Wonsan aan en ging, iets dichter dan gewoonlijk, vlak onder de kust liggen om het explosieve visitekaartje af te geven. De volgende dag werd het pas echt spectaculair, toen de Evertsen met de Manchester en nog twee jagers een zeer bijzondere opdracht kreeg. Het scheen zr belangrijk en urgent te zijn, want er was zelfs geen tijd beschikbaar om een aanslagwaarnemer te installeren, alleen de vuursnelheid was belangrijk. Het doel was een aanzienlijke troepenconcentratie in de naaste omgeving van Wonsan.

Hels en oorverdovend was het kabaal, toen in luttele minuten de kruiser met het 6-inch geschut 280 salvo's, en met het 5-inch geschut 100 salvo's afgaf, terwijl de jagers ieder 100 salvo's verzonden. Een grauwe nevel van kruitdamp en een trillende lucht hing over de baai van Wonsan. Diezelfde
avond meldde de radio dat het gezamenlijke scheepsgeschut in slechts vijf minuten tijds zo'n zesduizend Chinese communisten had omgebracht. De kanonniers hadden hun hart gelucht! 

Later op de dag werden nog twee doelen gebombardeerd die nu wel vanuit de lucht door middel van een helikopter konden worden geobserveerd en waarbij werd doorgegeven dat een munitieopslagplaats en een troepenconcentratie waren vernietigd.
Na deze actie ging het schip naar haar ankerpositie om de nacht door te brengen, maar nauwelijks was alles in diepe rust of enkele vijandelijke inslagen plonsden over stuurboord in het water, op enige honderden meters afstand van de Evertsen. Gelet op de waterfontijnen oordeelde men met 7,5cm granaten van doen te hebben. Onmiddellijk werd groot alarm geslagen en toonde het zwarte koor zich van zijn beste zijde door het schip binnen twee minuten stoomklaar te hebben. 

Omzichtig manoevrerend kon het schip zich nu terugtrekken. Er was echter geen tijd beschikbaar om het anker in te draaien, waarop de schipper het liet slippen. Deze had echter zijn lesje goed geleerd en vooraf een boei met boeireep aan de ankerketting bevestigd zodat deze gemarkeerd op de bodem van de zee lag.
Met nog maar n anker koerste het schip zich in positie om, in samenwerking met de inmiddels toegesnelde bondgenoten, deze brutaliteit af te straffen. In twintig minuten tijds kregen 237 granaten een enkele reis, waarop de vijand er het zwijgen toe deed en het verder rustig bleef.

De volgende morgen ging het schip, samen met de Manchester terug om de communisten een lesje te leren. Toen men langs de plek kwam waar de afgelopen nacht het anker was achtergelaten, werd toestemming gevraagd en verkregen, dit kleinood op te pikken. Gedekt door het geschut van de kruiser, werd vlak onder de wal en het oog van de Chinezen, de motorsloep gestreken. Met kloppend hart toog de sloepsbemanning aan het werk en bracht boei met reep en ankerketting weer netjes op de plaats waar het behoorde. Een stout staaltje! De Manchester had inmiddels maar liefst 1000 salvo's naar de wal verzonden, waardoor de gehele baai in een dik rookgordijn was gehuld.

Enkele uren later kon men getuige zijn van het optreden van Uncle Sam's famous battle wagon: het slagschip USS Missouri, die haar opwachting kwam maken. Korte vlammen likten toornig over het water toen de 16-inch kanons zich ermee gingen bemoeien.

Op 20 maart, toen de Evertsen bezig was wederom Wonsan op de korrel te nemen, hadden de Chinezen andermaal het schip als mikpunt uitgekozen. Maar ook nu weer schoten de wapenbroeders te hulp en een hevig bombardement was het gevolg. Kennelijk was men op de wal geschrokken of aan
een verschoning toe, want het was spoedig weer stil. Wederom moest het anker aan de zee worden prijsgegeven, maar ook ditmaal zat het de volgende dag weer om zijn plaats.

Regelmatig kwam het voor dat men moest blindvuren op doelen die achter de eerste heuvelrug lagen.
Hierin werd assistentie verleend door een spotter in de gedaante van een Amerikaanse helikopter met de toepasselijke naam Oueen Windmill. De waarnemer had zich steeds in de meest prijzende bewoordingen uitgelaten omtrent de schietkunst van de kanonniers. De vlieger had zich reeds vaker
verdienstelijk gemaakt door de post te bezorgen. Hem werd daarom gevraagd boven het achterschip te komen en een lijn te laten zakken. In de hieraan vastgebonden zak werd een fles jenever en wat sigaren gedaan, hetgeen hem over de radio tot grote dank stemde.
Korte tijd later werd het droeve bericht ontvangen dat Oueen Windmill tijdens het waarnemen van Chinese stellingen was neergeschoten en de vlieger om het leven was gekomen. ..."Oueen Windmill had failed tot return to his base. He had been killed in action...
Op het moment dat dit bericht werd ontvangen, lag op de draaitafel van de amusementsomroep het destijds favoriete nummer Blue Skirt Waltz. De plaat werd gestopt en er heerste een diepe stilte aan boord. ledereen had een vriend verloren. ..!

In de morgen van 22 maart arriveerde USS St. Paul, gevolgd door HMS Brack Swan bij Wonsan om de aldaar gestationeerde eenheden af te lossen. Eindelijk kon ook het Nederlandse oorlogsschip opstomen naar Kure om weer op adem te komen.