Daar bij die molen.

 
Het verblijf in het land van de Mikado was van korte duur. Je had eigenlijk niet anders kunnen verwachten. Na deze mooie natuurlijke haven te zijn binnengevaren, werd deze de volgende dag al weer verlaten, zorgvuldig manoevrerend door het mijnenvrij geveegde kanaal. In de nu komende dagen
werden opdrachten vervuld van zeer uiteenlopende aard. Deze begonnen met schietoefeningen en naarmate het doelgebied Korea naderde, raakte men vertrouwd met de mooie eilandrijke zuid- en westkust. Over het weer kun je een hoofdstuk apart schrijven, maar in korte bewoordingen kwam het neer op bar en boos. Zware regen en vooral mist, veel mist en niet te vergeten: dikke mist.

Onder deze omstandigheden begon Hr.Ms. Van Galen aan haar eerste patrouille en maakte kennis met Task Element 95.11, bestaande uit de carriërs USS Bataan, HMS Glory en zes Amerikaanse, Canadese en Australische jagers, zonder deze te zien vanwege de dikke mist, uitgezonderd op de 293-radar. Een van die prettige dingen waarmee je aan zo'n patrouille kunt beginnen, is het afgeven van de meegebrachte post. Daartoe kwam het schip langszij de Glory en keken veertienhonderd paar smachtende ogen naar beneden en zo'n tweehonderd paar dito omhoog met als resultaat stijve nekken, maar dat had men gaarne hiervoor over.

Vervolgens werd weer positie in het jagerscherm ingenomen en toen het weer opklaarde en de zon doorbrak, hoorde men reeds het warmdraaien van de vliegtuigmotoren, hingen de heli's in de lucht en zwermden even later de eerste jachtvliegtuigen vanaf de dekken op weg naar hun doelen op de vaste
wal. Nadat de taak in het jagerscherm was volbracht, werd opgestoomd naar de rede van Inchon om langszij USS Navasota olie te laden, waarna ten anker werd gegaan om de nacht door te brengen. 

De dageraad van 7 mei was nauwelijks aangebroken, of er kwam een telegram binnen met de opdracht op te stomen naar een tientallen mijlen noordelijker gelegen plek, waar een B-29 zware bommenwerper in zee was gestort. De vier vliegers waren met hun parachutes waargenomen en het verzoek was hen zo snel mogelijk op te pikken.

Vrij spoedig liep het schip 30 mijl, waarbij het een reusachtige boeg- en hekgolf opwierp. Toch waren er enkele uren voor nodig om de onheilsplek te bereiken. Het was inmiddels zonsondergang geworden toen men, geholpen door het eveneens toegesnelde fregat HMS Amethyst, kon beginnen met
zoekslagen. In de duisternis was men volledig aangewezen op de radar, waarbij iedere echo nauwgezet werd onderzocht. Telkens als men weer op een nieuwe echo afstevende, was deze op een afstand van ongeveer een mijl plotseling van het scherm verdwenen. Het inmiddels opgestelde zoeklicht
gaf ook geen blik op een te verwachten rubberboot. Dit herhaalde zich keer op keer, het was om moedeloos van te worden, maar het was ieders plicht verder te zoeken. Bij daglicht werd duidelijk dat men die nacht in de maling was genomen door een stelletje duikeenden, die telkens als het schip
naderde opvlogen, waardoor de echo van het scherm verdween. De pogingen van de afgelopen nacht waren vruchteloos gebleven, men zag het hopeloze van de taak in en vreesde voor het ergste. Toen even later iemand de meteogegevens had verzameld waaruit bleek dat de temperatuur van het zeewater slechts vijf graden bedroeg, was het niet moeilijk om verdere conclusies te trekken. Het zoeken werd gestaakt omdat tevens een nieuwe vaarorder binnenkwam, waarop de boeg naar het zuiden werd gericht.


Hr.Ms. Van Galen op patrouille in de Gele Zee - Foto coll. IMH

Op 9 mei stond een airraid op het programma van de vlooteenheid, waarbij de Van Galen samen met HMS Concord als Bird Dog moest fungeren, doch gelukkig behoefde geen reddende hand te worden uitgestoken voor in nood verkerende vliegers.
Als gevolg van de hoge snelheid waarmee telkens moest worden gevaren, 30 mijl was geen uitzondering, werd met spoed naar de rede van Inchon gekoerst om de voorraden weer op peil te brengen.

Vervolgens stoomde de jager een flink eind om de zuid voor een rendez-vous met USS Fiske. waarvan het Amerikaanse troepentransportschip Montrose werd overgenomen om dit naar Inchon te escorteren, waarbij even later de Concord het konvooi zig-zaggend kwam assisteren.
En toen kwam er post! 
Met een tevreden gezicht zocht iedereen een veilig plekje op om de pakjes te openen en de brieven van thuis te lezen. Het betekende als zo vaak weer een hart onder de riem.

Het noordelijke gedeelte van de Golf van Yalu was de volgende bestemming van de jager om verdachte scheepvaart aan te houden en deze te onderzoeken. Het schip liep 24 mijl en raakte in een dikke mist verzeild temidden van een aantal vissersschepen, zodat de snelheid drastisch moest worden ingedamd. Het ene na het andere prauwtje werd ter controle langszij genomen, maar er bleken geen onrechtmatigheden te zijn. Op één van die prauwen werd een jochie van een jaar of vier, vijf ontdekt, met in zijn handje een klein rond doosje dat bij nader onderzoek een kompasje met dansende
naald bleek te bevatten. Een grote luxe voor deze vissers die op ruim honderd mijl uit de kust ronddobberden.

Drie weken lang was het schip nu op zee en sedert 27 april was men niet meer aan de wal geweest, zodat het hoog tijd werd om Sasebo op te zoeken om te passagieren. Parels en andere souvenirs werden ter plaatse gekocht en natuurlijk werd een van de vele Japanse restaurants aangedaan om sukiyaki te eten.

"Als ik maar tijd had", zei de sepatoe (= binnen de marine de Maleise naam voor schoenmaker) in de regen op de brug, "maar de schoenen blijven liggen als ik uitkijk loop. Geloof me, ik verlang soms zo naar m'n atelier" .
"Zeg pekdraad, heet die onmogelijke werkplaats van je zó sedert de dominee er zijn avondsluitingen houdt?", riep een stem vanonder een stapel waakjassen. De schoenmaker klom er niet in, haalde zijn mondharmonica uit z'n broekzak tevoorschijn en via de artillerie-omroep speelde hij dat bekende wijsje "Daar bij die molen..."

Kort na het vertrek uit Sasebo op 19 mei 1951, werden schietoefeningen op de manche gehouden. Dit is een soort zak die aan een lijn door een vliegtuig wordt voortgesleept. Het was zonder meer een aanmoediging voor de mitrailleurbemanning dat het ding er in de tweede run werd afgeschoten en het
vliegtuig gewoon onbeschadigd doorvloog... Hierna werd het verband gevormd dat bestond uit de Van Galen, HMAS Warramunga en de carriër USS Bataan, om terug te keren naar het operatieterrein.

Vrij spoedig kreeg de seinbrigade een zware taak opgelegd. Het varen in carriër-verband vergt dagen achtereen turen door de verrekijkers om nauwlettend de koers- en vaartveranderingen te kunnen volgen die door middel van seinvlaggen werden doorgegeven. Even te laat reageren en het schip vliegt hopeloos uit z'n positie. Maar er waren nog andere lieden aan boord die op het gebied van verbindingen harde noten moesten kraken. Niet iedereen verstaat tenslotte een Australiër of Amerikaan correct, zeker niet via de radiotelefonie met zijn talrijke bijgeluiden. Zo was er op de hondenwacht een telefonist die, ondanks het nachtelijke uur, niettemin behoorlijk uitgeslapen was. Nadat de man een radarecho had gemeld werd hem gevraagd of deze echo geen wolk kon zijn. Zonder enige aarzeling antwoordde hij prompt: "This is no weather-report, out".
In het algemeen werd volledige radiostilte in acht genomen behoudens enkele uitzonderingen zoals de TBS (Talk Between Ships) en de VHF (Very High Frequency).

Op zekere dag kwam een Engelsman plotseling in de ether met de oproep:
"Mayflower calling, mayflower calling. Any station on this net? Any station on this net? Do y ou hear me? Do y ou hear me? Over!"
Een pijnlijke stilte volgde, zonder dat de oproep werd beantwoord. Wederom kwam de zoon van Albion in de lucht, onverstoorbaar vasthoudend zijn langzamerhand eentonig wordende oproep herhalend:
"Mayflower calling, mayflower calling. Any station on this net? Any station on this net? Do y ou hear me? Do y ou hear me? Over!"
Doodse stilte heerste over de wateren, terwijl alle schepen belangstellend meeluisterden naar de smekende oproepen van de Engelsman, die moedeloos geworden tenslotte wanhopig uitriep:
"Mayflower calling, mayflower calling, Jesus-Christ, does not any body hear me... ?"
Waarop in smeuïg Amerikaans de verbijsterende reactie kwam: "This is Jesus-Christ calling Mayflower: I can hear y ou loud and clear. ..!"

Het olie laden op zee was, evenals het overgeven van lasten, inmiddels een routineklus geworden.
Een karweitje dat overigens wel de nodige vaardigheid en zorg vereiste en niet van gevaar is ontbloot.
Op 25 mei werd de tanker USS Manatee naar Inchon geëscorteerd alwaar een zware postzak aan boord kwam. Groot was de teleurstelling op de gezichten van de bemanning af te lezen toen er slechts lege postzakken uitrolden.

Gedurende het olieladen maakte men kennis met de zware kruiser USS Toledo die ook voor Inchon verscheen, waarop de Van Galen terugkeerde naar het Task Element. Dagenlang leefde men in een zeer kleine wereld, omringd door een dikke witte deken die nauwelijks zicht op het eigen voorschip toeliet. Constant turen op het radarscherm en totaal van de buitenwereld te zijn afgesloten doet de vermoeidheid snel toenemen. Deze patrouille was dan ook ronduit stierlijk vervelend, omdat er praktisch niets anders gebeurde dan in jagerscherm varen. De ook nog neergutsende regen maakte de mensen door en door nat en tot op de botten verkleumd. Verlicht werd adem gehaald toen in verband kon worden teruggekeerd naar Sasebo. De andere schepen werden hier achtergelaten, terwijl de Nederlandse torpedobootjager alleen doorstoomde naar Kure.

Kure is een haven die tijdens de tweede wereldoorlog voor de Japanse marine van groot belang was.
Hier werd ooit één van de grootste slagschepen ter wereld gebouwd, het 72.800 ton metende slagschip Yamato, dat 27 knopen liep en een hoofdbewapening had van negen stuks 18,1-inch kanons.
Kure was hierom één van de geheime steden. Langs de spoorbaan waren op verschillende plaatsen hoge muren opgetrokken, teneinde de werf aan het oog te onttrekken. Geen wonder dat deze havenplaats tijdens de oorlog grote belangstelling van de Amerikaanse luchtmacht had. Het belangrijkste
deel van de haven werd vernield, evenals het gehele arsenaal aan de haven.

Een week lang werd het verblijf hier besteed aan onderhoud en reparatie. Alles werd in die week goed gesmeerd, afgebikt en opnieuw geschilderd. 
's Zondags maakten velen per boot een uitstapje naar Miya Jima, een schilderachtig gelegen eilandje met tal van bezienswaardigheden en uitstekende mogelijkheden tot winkelen, op zo'n twee uur afstand varen van Kure. Op ditzelfde eilandje werden tijdens de tweede wereldoorlog de Japanse Kamikaze-piloten voor hun laatste vlucht vertroeteld door lieve Japanse deernen, alvorens zichzelf de dood in te jagen op een Amerikaans vliegkampschip.

Op 12 juni werd wederom zee gekozen om in gezelschap van de Australische collega Warramunga een jagerscherm te vormen rondom USS Sicily, waarbij zich ook de jagers USS Fiske en Hawkins vervoegden. De hele week was het een gekkenhuis aan boord. Om beurten werd een van de begeleidende jagers aangewezen om dienst te doen als "plane guard station" (= volgjager achter het vliegkampschip). Binnen enkele minuten moest worden aangezet tot 24 mijl en scherp worden gemanoevreerd om op 900 yards nauwkeurig achter het vliegkampschip te komen en dit stipt te volgen in geval van een crash, zodat de vlieger onmiddellijk uit zee kon worden opgevist. Dit eindeloze en nerveuze manoevreren had vrij spoedig een bijnaam gekregen: "Corpen Crazy Club". Corpen betekent koers en is de letter C uit het Internationale Seinboek. Duidelijk is natuurlijk dat niet alleen de seiners, maar ook het machinekamerpersoneel handenvol werd hadden. Steeds was men attent om van praktisch gestopt over te schakelen op vol vermogen. Maar alles werd perfect uitgevoerd! Zelfs de roerganger kwam handen tekort: "Bakboord 10!" De roerorder wordt herhaald, langzaam komt het schip in beweging en draait steeds sneller naar haar nieuwe koers. Zodra de man aan het roer heeft gestut en zijn nieuw opgekregen koers voorligt, wordt alles weer stil. Alleen de windwijzer heeft een andere stand aangenomen.

Dit ging zo eindeloos en dagenlang door, zodat men op het eind van de dag bekaf was en naar het tampatje verlangde om de hele Corpen Crazy Club te vervloeken. Maar dit gevoel werd snel onderdrukt toen er een telegram binnenkwam met de mededeling dat een Amerikaanse jager zwaar was
beschadigd door een vijandelijke granaat met eveneens 26 doden op het conto. Meteen drong dan de realiteit weer tot je door en werd de ernst van de zaak beseft.

Zondag 17 juni begon zeer hoopvol, het was vaderdag! Er waren nogal wat vaders aan boord en zowaar, er kwam er nog eentje bij! "Het is een zoon, korporaal, proficiat. Hier is het telegram, dat gaat je wat kosten en je krijgt ook nog een versierde stoel!" Onmiddellijk kwam de korporaal zijn bed uit. En dat nog wel op vaderdag. Het was wel even wennen. "En korporaal, hoe heet je zoon?" "Ik heb nog geen idee", antwoordde hij, maar het werd wel gevierd die dag.

Deze zo blij begonnen dag eindigde met een triest voorval. De gehele dag stegen er vanaf de carriër vliegtuigen op die volbehangen met een dodelijke lading in de richting van de kust verdwenen, om enige tijd later iets lichter terug te keren. Om half vier ging het vlootverband weer op de wind liggen
om de toestellen te laten landen. Weldra stond nummer een aan dek en werd dit ras vrijgemaakt voor de volgende kist. Nummer twee zwenkte af. Alles verliep zo te zien normaal. Echter, terwijl het woord "keurig" bij iedereen die toekeek nog op de lippen lag, gebeurde het. Het vliegtuig veerde plotseling op, kantelde en verdween in zee, binnen enkele seconden. Noch de helikopter, nog de plane guard die genaderd was, konden iets ontdekken. De gesprekken stokten. Hoe kon dit gebeuren? Alles was zo gewoon, zo goed en rustig. Zo'n echte zondagmiddag, met een lucht die blauw was en een zee
waarin het zonlicht kabbelde. En zo ineens. ..Dan wordt je echt even stil.

Op 20 juni werd Sasebo binnengelopen om olie te laden. Reeds de volgende dag was het schip weer buitengaats om te oefenen met de kruiser HMS Kenya en de Canadese torpedobootjager HMCS Sioux. Na einde oefening werd met de Canadees om de zuid gestoomd richting Hong Kong, om daar verder te oefenen in onderzeebootbestrijding.

Op zondag 24 juni liep de Van Galen de haven binnen. Het was bekend dat het verblijf van korte duur zou zijn, dus werden snel even oude bekenden opgezocht. Er was nóg een oude bekende die het schip opwachtte, namelijk de "Side Party". Tijdens het eerste verblijf in Hong Kong was er reeds een prauw die een rode vlag voerde waarop stond: "Side Party HNMS Van Galen". Deze side-party bestond uit drie Chinese vrouwen, die de gehele dag ijverig bezig waren met het soppen van de scheepshuid. Het uiterlijk schoon van het schip ging er dus op vooruit en de rekening werd vereffend met lege bierflessen en het overgebleven brood.

Nadat men op de 24ste aan de terugweg naar Sasebo was begonnen, begon de tyfoon Caty, die even- eens deze richting uitging, de aandacht op te eisen. Besloten werd bewesten Sasebo op en neer te houden. Dit bleek een goede beslissing, want van de tyfoon, die aan de andere kant van het eiland
Kyushu passeerde, had men weinig last.
Na in Sasebo te zijn bevoorraad bereikte het schip op 4 juli 1951 de haven van Pusan aan de zuid-oostkust van Korea, waar ten anker werd gegaan. Hier kwam de Nederlandse venegenwoordiger bij de Verenigde Naties aan boord voor een kon bezoek. Er kon niet worden gepassagierd, zodat de bemanning zich die avond rondom het achtenorpedokanon schaarde om naar een film te kijken.

De volgende morgen kwam het anker weer netjes op zijn plaats in het kluisgat en ploegde de boeg door het heldere water naar de westkust om Task Element 95.11 te ontmoeten. We gingen weer in scherm varen!

Hoe internationaal de strijdmacht ter zee was, mag blijken uit de volgende samenstelling:
USS Sicily, vliegkampschip, Verenigde Staten.
HMS Constance, torpedobootjager, Verenigd Koninkrijk.
Hr.Ms. Van Galen, torpedobootjager, Nederland.
HMAS Warramunga, torpedobootjager, Australië.
HMCS Nootka, torpedobootjager, Canada.
HMNZS Rotoiti, fregat, Nieuw Zeeland.
Twee dagen later werd diit aangevuld met:
USS Toledo, kruiser, en USS Bradford, torpedobootjager, Verenigde Staten.

Maar ook op het Nederlandse schip was de samenstelling intemationaal, want naast de Nederlandse eigen bemanning waren aan boord: drie Chinese wasbazen, twee Koreaanse tolken, een Canadese ans en enige Nieuw Zeelandse, Australische en Engelse matrozen.

Het moet gezegd worden dat er tot nog toe weinig of geen actie was beleefd. Het geschut had vrijwel steeds op de plaats rust gestaan, zodat het bloed van de kanonniers ietwat onrustig begon te stromen. Steeds maar weer dat varen in carriërverband begon de jongens stierlijk te vervelen, totdat...

Het gebeurde op de platvoet van zaterdag 28 juli. Net was er op het vliegkampschip weer een kist gecrashed, of ineens stoof met hoge snelheid een Amerikaanse torpedobootjager weg uit het vlootverband. Onderzeebootalarm!
Overal rinkelden de alarmschellen. Het was voor de eerste keer ernst. Wat was er aan de hand?
Om kwart over zeven hadden USS Renshaw en Moore beide een sonarcontact gemeld, waarop de Renshaw een regen van dieptebommen liet neerdalen. Na enige tijd toonde een genomen monster aan dat er dieselolie naar boven was gekomen. Later kon de Van Galen het karwei ovememen door er nog eens dunnetjes met een serie dieptebommen overheen te gaan. Maar tot grote teleurstelling moest men constateren dat het contact óf een rots onder water, óf een potvis moet zijn geweest.

Op 3 augustus was Hr.Ms. Van Galen andermaal op de westkust te vinden, ditmaal onder tactisch commando van Commander Task Element 95.12 die zich aan boord van HMS Ceylon bevond. Bij dageraad was het dan eindelijk zover. Nadat bij het eiland Sokto de Rotoiti was afgelost, werd opdracht gekregen om "Route Cigarette" te volgen. Route Cigarette was een patrouilleroute dicht onder de vijandelijke kust, tussen Cho-Do en Choppe-Ki-Point, over een afstand van ongeveer 35 mijl.

Even bezuiden Chinnampo lag het doel. Een groot pakhuis vlak langs de kust. De eerste salvo's lagen reeds dekkend en in korte tijd veranderde het pakhuis in een rokende puinhoop. Het bleek een munitieopslagplaats te zijn. De volgende morgen vlogen er nog eens 40 salvo's naar de wal, nu naar een
geschutsopstelling die tot zwijgen werd gebracht. Eindelijk waren de stuksbemanningen aan hun trekken gekomen en opgelucht keerde het schip terug naar Sasebo om eens flink te gaan fourageren.

Amper in de haven aangekomen werden de mouwen drastisch opgestroopt. De bemanning moest keihard aanpakken, want de volgende dag stond gepland om met te kruiser USS Toledo op te stomen naar een geheel nieuw terrein, namelijk Wonsan aan de oostkust. Deze havenplaats lag reeds een half jaar onder het vuur van de scheepsbatterijen. Gedurende 181 dagen en nachten was dit knooppunt geteisterd, waardoor iedere activiteit tot in de kiem werd gesmoord. Wonsan was een dode stad geworden, waarin de eens zo belangrijke industrie volkomen was lamgelegd door een nooit ophoudende regen granaten.

Hr.Ms. Van Galen maakte haar aanwezigheid kenbaar door een "round the clock"-bombardement af te geven. Honderden projectielen werden naar doelen, voornamelijk geschutsopstellingen en andere verdachte posities geslingerd. Op iedere wacht oefenden de stuksbemanningen met grote nauwgezetheid hun ambacht uit. Telkens weer heerste er in het schip grote bedrijvigheid van het munitie-opvoeren, een bezigheid waarbij alle dienstvakken elkaar de hand reikten.

De beschieting van Wonsan vond plaats vanuit de baai. De schepen die er aan deelnamen, kregen overal rondom hun doelen aangewezen. Vanaf de lange rij schepen likten onophoudelijk telkens de korte vlammen in de richting van de kust, zodat er van die zijde geen enkele mogelijkheid bestond iets terug te doen. Wel werden enkele dagen na het vertrek enige bombarderende schepen onder vuur genomen, overigens zonder resultaat.

Intussen was de Van Galen met de Toledo om de noord gestoomd om doelen bij Songjin onder vuur te nemen, hetgeen werd gevolgd door een tweede bombardement op nog noordelijker gelegen doelen en wel bij Chongjin, op bijna 42 graden noorderbreedte. Talloze doelen werden onder vuur genomen
zoals viaducten, spoorwegemplacementen, tunnels en bruggen. Vele directe treffers waren het gevolg, zodat van herbevoorrading door de vijand voorlopig niets terecht kwam.
Maar ook aan boord waren de sporen van het bombarderen duidelijk zichtbaar, want kanon 1 had op een middag maar liefst 250 granaten verschoten. Het was ontoonbaar geworden vanwege het kruitslijm, zodat een flinke sopbeurt nodig op z'n plaats was. Ondanks het feit dat het de maand augustus
was, bleek het nabij de grens met Mantsjoerije erbarmelijk koud, zodat het soppen helemaal geen pretje was.

Op 18 augustus werden van een in de grond geschoten Zuidkoreaanse motorprauw enkele gewonden aan boord genomen, om hen achter de geallieerde lijn aan land te zetten. Een van hen, een zwaargewonde, kon in verband met zijn toestand niet worden afgeleverd en werd door de dokter aan boord gehandeld en opgelapt, om later in het hospitaal van Sasebo verder te worden verpleegd. Een granaatscherf had een grote hap weefsel uit zijn been weggerukt. De chirurg in Sasebo had later de hoogste lof voor de wijze waarop de arts van het Nederlandse schip dit bijzonder moeilijke geval had
behandeld. Overigens kreeg deze man aan boord steeds bezoek van de overal aanwezige kleine "Bols", de bruine scheepshond, die door iedereen graag werd gezien en dat niet alleen vanwege zijn naam. Bols voelde zich waarschijnlijk een lotgenoot, want hij had al enige tijd last van zijn voorpoot,
maar hinkte vrolijk het hele schip rond.

Op de hondenwacht van 22 augustus werden de schepen afgelost en vatte men post voor de Toledo om de terugtocht naar Sasebo te aanvaarden. Onderweg werd van de Amerikaanse bevelhebber, Rear-Admiral George C. Dyer, een telegram ontvangen dat elk bemanningslid voldoening schonk:
"A weil done to commander Valkenburg en HMNS Van Galen for its very efficient escort service during the last fitteen days. Your excellent seamanship, sharp shooting gunnery and willing co-operation have done much tot make our interdiction and close support operations safe and succesful and make the enemy along the Korean coast from Chongjon to Kaesong fearful and unhappy".

Overste Valkenburg liet hierop het volgende antwoord seinen:
"We thank y ou very much for your extremely kind message. We appreciated having had this opportunity to co-operate diredly with USS Toledo and still more because your flag was flying. Besides we are grateful for the great understanding and help we received from Commanding Officer USS Toledo and his staff and for the bombarding opportunities which we have had, giving us the change to play a still more active role in the U.N. Forces fight against the Communist agressor" .

Na een kortstondige onderbreking in Sasebo om te bevoorraden, verliet het schip op 25 augustus de baai om buitengaats schietoefeningen te houden op een door USS Elkhom radiografisch bestuurd vliegtuigje. Na een paar forse knallen kwam het ding al na twintig minuten aan een parachute naar
beneden. Hierna werd koers gezet naar het patrouilleterrein aan de westkust. En passant beleefde men 's middags aan boord een korte paniek. Een stoker ging even ontspannen tegen het hekwerk leunen, maar een harpsluiting kon het lijvige gewicht van de man kennelijk niet verdragen en brak af,
waardoor de stoker overboord sloeg. Maar op het achterdek stond altijd een uitkijk-boei die gelukkig niet stond te snurken. Prompt riep hij: "Man overboord. ..'" en drukte vervolgens op de claxon, en gooide de drenkeling gelijktijdig een boei na met de kreet "zwemmen". Op de brug reageerde men zeer snel en door handig manoevreren stond de stoker na enige tijd weer veilig met beide benen aan dek. De uitkijk kreeg later een welverdiende pluim van de commandant.

Deze patrouille duurde maar kort en dat was maar goed ook. Het werd namelijk de hoogste tijd voor algeheel onderhoud en reparatie. Bij het aanschouwen van de scheepshuid schoten de tranen je in de ogen; de vellen hingen erbij. De gele menie begon de al eerder opgebrachte rode te verdringen, wat wel een veelkleurig schouwspel was, maar niet meer om bij te spijkeren. Ook de antisliplaag op het dek stelde niet veel meer voor. Zodoende werd op 7 september in Hong Kong binnengelopen. Vier weken lang werd er gebikt, gesopt en getjet, gesmeerd en gerepareerd, zodat alles er weer uitzag om door een ringetje te halen.

Natuurlijk werd er ook flink gestapt. Geen dag ging er voorbij, of er stond een auto klaar om passagiers op te halen voor ontspanning en de voetballers begonnen van verwaandheid op hun borst te slaan, omdat ze nog steeds geen enkele nederlaag aan hun broek hadden gekregen. Kortom, er werden nieuwe krachten opgedaan voor de komende periode.