Operatie " Athenaeum".

 
Op de laatste dag van oktober werd het korte verblijf van Hr.Ms. Van Galen in de haven van Sasebo onderbroken om op volle kracht koers te zetten naar de zuidkust van Korea, waar een ongeïdentificeerde onderzeeboot door een vliegtuig was waargenomen. Een Engels- en twee Australische fregatten schoten te hulp om de onderzeeboot op te sporen. Doch na geruime tijd te hebben gezocht kwam men tot de veronderstelling dat het misschien -alweer -een potvis geweest zou kunnen zijn, omdat geen verder contact werd verkregen.
Hierop werd de boeg naar Wonsan gericht in afwachting van verdere instructies. 

Op 1 november kwam de opdracht binnen koers te zetten naar Songjin, ter aflossing van HMS Concord. Samen met USS Swanson werd in noordelijke richting een sweep ondernomen en alles wat jonk, sampan of prauw was aan een nauwgezet onderzoek onderworpen en gecontroleerd op de aanwezigheid van wapens of mijnen. Vier dagen hielden de beide schepen op en neer tussen Songjin en Chongjin, dag en nacht bombardementen uitvoerend op verschillende landdoelen.

Uit artilleristisch oogpunt bekeken waren de operaties aan de oostkust van Korea het meest interessant, omdat daar vrijwel over de gehele lengte van het schiereiland de spoorlijn vlak langs de kust loopt en door middel van direct vuur gemakkelijk vanuit zee kan worden gebombardeerd. Dit bombarderen kreeg van de schutters al spoedig een bijnaam: "Tuintjes harken".
Het was natuurlijk het leukst om deze doelen zelf te mogen uitkiezen, waarvan dan ook regelmatig een dankbaar gebruik werd gemaakt. Men schiep er plezier in -op vakkundige wijze een aantal op elkaar gemetselde stenen los te wrikken..." In eerste instantie vertrokken 30 salvo's naar een snelweg en spoorlijn; vervolgens nog eens 107 salvo's op voornamelijk tunnels, verkeerswegen, bruggen, plus een belangrijk spoorwegknooppunt.

Al eerder werd gememoreerd dat er zich op gezette tijden een internationaal gezelschap aan boord bevond, dat opgehaald of afgezet diende te worden op uiteenlopende lokaties. Dit keer bevond zich een Australische soldaat onder de bemanning die zich steeds minachtend had uitgelaten over de trefzekerheid van het scheepsgeschut op een slingerend schip. Naar zijn mening kon dit nooit zo zuiver zijn als dat van de troepen op het land. Toen het moment was aangebroken dat hij het tuintjes harken van nabij gade sloeg, veranderde zijn mening op slag in eerbied en ontzag.

Na eerst olie te hebben geladen langszij USS Tolovana, keerde men terug tot vlak onder de 42ste breedtegraad voor het opnieuw aanharken van een aantal tuintjes met het zo vertrouwde 11,9cm gereedschap, waarbij een ware regen van granaten neerdaalde op vijandelijk grondgebied. Van het bevoorradingsschip USS Titania werden verse voorraden munitie in volle zee overgenomen en maakten de opvarenden voor het eerst kennis met het slagschip USS New Jersey, dat met haar 9 stuks 40,6cm kanons op onzichtbare doelen begon te blazen.

Op 6 november 1951, terwijl het weer eens regende, kwam de commandant op de brug ongelukkig ten val, omdat hij weggleed op het natte dek. Hij blesseerde zijn linker enkel op vrij ernstige wijze en moest tijdelijk worden vervangen door de Eerste Officier. Elf dagen later, toen het schip in Sasebo lag, bleek uit een rontgenfoto dat van het bot een splinter was afgebroken, zodat de voet in het gips ging.

Het verblijf zo dicht onder de vijandelijke kust bracht een verzwaarde oorlogswacht met zich mee.
Daarbij kwam nog tenminste tweemaal per dag een routine-alarm. Zo'n alarm hield de conversatie levendig en toonde aan hoe belangrijk het was. Waarover men ook niet uitgepraat raakte, was de stevige hap eten waama men telkens weer uitkeek.
0, die eerste sigaret na het "overal" in de prille ochtend. De eerste van de dag... Weliswaar een frisse dag, maar met een gevoel van binnen als één grote gapende leegte en daarin de sigarettenrook, die een mateloze honger en een schreeuwende behoefte aan brood opwekte. Och, al was het maar brood zonder opsnit en boter. Want een uur lang walmde daar de zwoele bakkerslucht uit de kombuis, die tezamen met de kou de neus deed kriebelen. ..

Intussen bedacht men dat de Australische jager HMAS Tobruk het schip spoedig zou komen aflossen, zodat naar Sasebo kon worden gegaan om nog op tijd de kerstpost te kunnen verzenden.
Op zondagmorgen 18 november 1951 vond op de Staf te Sasebo een geheime briefing plaats die een belangrijke fase in het optreden van Hr.Ms. Van Galen in Korea zou betekenen. Slechts vier mensen aan boord waren van de operatie op de hoogte gesteld, namelijk. de commandant, de artillerieofficier, de navigatieofficier en de verbindingsofficier. Om het verrassingselement niet te niet te doen, vertrokken de deelnemende schepen in kleine groepen naar het operatieterrein.

De Task Group bestond uit drie Task Elements, t.w.:
T .E. 95.81, Bombardment Element:
HMS Belfast
HMAS Tobruk
Hr.Ms. Van Galen
T.E. 95.82, Strike Element:
HMAS Sydney
HMCS Sioux
HMS Constance
USS Hyman
T .E. 95.83, Rocket Element: 3 stuks LSMR
USS 401
USS 402
USS 403.

De verschillende taken van elk element waren als volgt verdeeld:
T.E. 95.81, Met geschutvuur neutraliseren van vijandelijke luchtdoel- en kustbatterijen.
T.E. 95.82, Luchtaanvallen uitvoeren, aanslagwaarneming en schepen beschermen vanuit de lucht.
T .E. 95.83, 's Nachts bepaalde doelen met raketten aanvallen.

In de vroege morgen van dinsdag 20 november kwam de Task Group aan bij Hungnam, een industriecentrum dat zwaar versterkt was en ongeveer veertig mijl benoorden Wonsan ligt. Het schip naderde tot dicht onder de kust, terwijl T.E. 95.82, evenals T.E. 95.83 verder in zee bleef.
Zodra de schepen bij zonsopkomst op hun posten waren, begon ogenblikkelijk een gecoordineerd bombardement vanuit zee en uit de lucht. Allereerst openden de schepen het vuur op de luchtafweeropstellingen, waarvan tezamen met de kustbatterijen een aanzienlijke activiteit werd verwacht.

Het bombardement werd plotseling onderbroken toen de Seafuries en Fireflies van de Sydney kwamen invliegen met bommen, rockets en mitrailleurvuur, om doelen in de stad en omgeving onderhanden te nemen.. Toen de vliegtuigen weer uit de vuursector waren verdwenen, was het opnieuw de beurt aan de schepen die de beschieting van de aangewezen doelen vervolgden. De vliegtuigen bleven echter rondcirkelen om de aanslagen waar te nemen en eventueel te corrigeren.

Qua verbindingen deed zich het opmerkelijke feit voor dat de vliegers Australiërs waren, het schip Nederlands en de procedure Amerikaans. Dankzij deze voortreffelijke samenwerking waren de resultaten uitstekend, hetgeen kon worden afgeleid uit het enthousiasme van de airspotters met uitlatingen als: "WeIl done, let's have another go like that", terwijl opstijgende rookkolommen bewezen dat de granaten hun doel hadden getroffen.

Aan boord van de Van Galen grepen rappe handen de hulzen, laadden de kanons en meldden aan de artillerieofficier:
-"Kanon vier geladen"!
"Ay, ay".
"Stand by!"
"Vuur!"-
De donder van elk salvo rolde uit over het water, indringend een halt toeroepend aan de communistische agressor. Toen ieder schip met haar doel had afgerekend, stoomden zij gezamenlijk weg van de kust, totdat zij buiten bereik van de kustbatterijen waren, voor een korte onderbreking. Na enige tijd herhaalde de procedure zich en zo ging dit de gehele dag door.

Toen het donker was geworden naderden de raketschepen de kust. Een half uur lang spuwden zij hun projectielen naar de wal. In korte tijd trokken 5.500 raketmortieren hun vuurstrepen in de donkere nacht. Aan boord van het Nederlandse schip, waar iedereen zojuist zijn alarmpost weer had ingenomen, werd scherp uitgekeken. Bij het zien van mondingsvuur vanaf de wal zou onmiddellijk steun gegeven worden aan de raketschepen, die met hun verbazende vuurkracht overigens niet de nauwkeurigheid bezaten om kustbatterijen met een goede kans op succes tot zwijgen te brengen. Velen aan boord dachten aan een groots vuurwerk op de Scheveningse pier bij het zien van dit indrukwekkende en vurige schouwspel.

De volgende dag werden de bombardementen beurtelings door de schepen en vliegtuigen op gelijke wijze hervat. Toen het avond was geworden, waren door de Belfast, Tobruk en Van Galen tezamen 170 ton explosieven naar de vijand verzonden. Tot ieders verbazing en opluchting gebeurde dit zonder enige tegenactie.
De schepen trokken zich hierop terug om te hergroeperen, waarop het speciaal gevormde verband werd opgeheven. Twee dagen lang hadden de kanons en de mensen van het Nederlandse oorlogsschip laten zien wat zij waard waren. Dat ze deze kans niet onbenut hadden gelaten, bewees het telegram dat van de Gommander Task Group werd ontvangen:
"My congratulations on making an extremely good show of your indirect bombardment".

In de avond van 21 november werd rendez-vous gemaakt met de Sydney om van de oost- naar de westkust te gaan. Onderweg werd, zonder dat de reis oponthoud ondervond, langszij het vliegkampschip olie geladen.
Het was inmiddels de laatste weken flink kouder geworden. ledereen zat diep in de winterkleding weggedoken. De Gele Zee, die tot voor kort de mensen had verwend met zonnige dagen of hen had overrompeld met mist, bracht nu hagel en sneeuwbuien, terwijl het water onbedaarlijk over het schip heen sloeg. Keek je naar de wal, dan zag je in de verte de heuveltoppen bedekt met een laag sneeuw. Men verheugde zich erop als er 's avonds een wanne groc werd geschonken. Het laatste gedeelte was een saaie en monotone patrouille geweest, zodat alle opvarenden blij waren toen het schip op de 30ste in Kure kon afmeren en iedereen weer op verhaal kon komen.

Toen de torpedobootjager in Kure lag afgemeerd voor onderhoud en reparaties, lagen daar ook een aantal Canadese schepen. met wie inmiddels goede vriendschappelijke betrekkingen waren opgebouwd. Dit bleek wel, toen op een morgen uit het dekhuis van HMCS Sioux een plechtige stoet tevoorschijn trad in de richting van de valreep. Voorop liep, ernstig kijkend. de commandant van de jager. gevolgd door een erewacht van officieren met sabel. waarvan er één een kussen droeg.
Aan weerszijde van de valreep werd bij het passeren overgefloten. Op het kussen was een groot hart van blinkend metaal aan een purperen lint te onderscheiden. De manier waarop de weg naar de kajuit van de commandant werd afgelegd. deed de officier van de wacht al aan de ernst van het ogenblik twijfelen. Een minuut later werd onder luid gejuich, de commandant een "Purple Heart" van ongewone afmetingen op de borst gespeld. Op het hart stond aan ene zijde de naam van de gewonde in de strijd en aan de keerzijde de woorden: "My heart cries for you".
Nadat enkele foto's van beide commandanten waren gemaakt. werd onder het genut van een biertje de blessure weer snel vergeten.

De dag voordat het schip Kure verliet, werd gedurende een "alle hens voor de boeg" aan de gehele bemanning het "Kruis voor Recht en Vrijheid met de gesp Korea 1950" uitgereikt. Hierop ging het terug naar de westkust om in een afwisselend tempo te gaan bombarderen, illumineren en patrouilleren, in hoofdzaak op Route Cigarette.

In de nacht van 10 december werden er voor anker liggend op de rede van Sokto twintig salvo's afgegeven op een vijandelijke troepenconcentratie, waarbij tevens elke vijf minuten een lichtgranaat de lucht in ging, zodat mogelijke invasiebewegingen meteen konden worden onderschept. Tevens had men de taak te verhinderen dat vanuit de vijandelijke noordwestkust van Korea infiltratie plaats vond
naar het eiland Cho-Do.

Omdat het water plaatselijk zeer ondiep is, had de Van Galen 's nachts de beschikking over een zuid-koreaans vaartuig met geringe diepgang onder Zuidkoreaans bevel. Die commandant was echter wel ondergeschikt aan een van de officieren van het Nederlandse oorlogsschip. Deze officier bevond zich aan boord met een onderzoeksploeg van vijf man plus een telegrafist voor de verbindingen. Deze werden via de radio onderhouden in klare Nederlandse taal, omdat mocht worden aangenomen dat de vijand dit niet zou verstaan. De gang van zaken was als volgt:
De Van Galen pikte met behulp van het radarscherm een prauw op, waarna het Koreaanse vaartuig met de onderzoeksploeg aan boord erheen werd gedirigeerd.

Op zekere nacht werd om 03.00uur aldus een kleine jonk met acht schamel geklede Koreanen aangetroffen. De onderzoeksploeg toog aan het werk en trof tot haar grote verrassing vijf Russische geweren met hamer en sikkel embleem aan, alsmede bijbehorende munitie en een home-made handgranaat. De vreugde was groot bij de onderzoekers die dachten: -Hoera, eindelijk een goede vangst".
Mee naar het schip was het consigne en of de acht in hun kuif gepikte Koreanen nu heftig protesteerden, hethilep niets, de jonk ging op sleeptouw. De gevangenen bleven obstinaat en gebaarden alsof hun het grootste onrecht was geschied in plaats van zich gedwee te gedragen, zoals in hun omstandigheden mocht worden verwacht. Zij werden hoe langer hoe zenuwachtiger en kwamen met grote brieven voor de dag, waarop voor Nederlandse begrippen onbegrijpelijke woordtekens waren geschreven. Tenslotte kwam er een echte tolk aan te pas die de vreugde over de veronderstelde goede
vangst deed omslaan in verlegenheid en teleurstelling. Het bleek namelijk dat men met bevriende Zuidkoreanen te doen had, die de wapens juist zelf op de vijand hadden buitgemaakt. ..! Met de nodige verontschuldigingen werden zij daarop op het eiland Cho-Do aan land gezet.

Op een bepaalde avond bevond de Van Galen zich op patrouille nabij Paeng Yong Do, met de bijzondere opdracht goede uitkijk te houden naar vliegtuigen en jonken. Op de radar werd een echo waargenomen en de jager ging er op af. Men vond het vreemd dat bij een eigen vaart van 9 a 10 mijl na enige tijd de afstand tot het achtervolgde schip groter bleek te worden. Geleidelijk werd vaart aangezet, tenslotte zelfs tot 28 mijl, maar de afstand bleef ongeveer dezelfde. Overste Valkenburg was witheet en verwenste de valse echo's die hem weer eens parten speelden. Maar omdat de afstand niet
constant bleef maar varieerde, kon van een valse echo geen sprake zijn.

De verbindingsofficier kwam op het heldere idee een seintje te sturen naar de Commander van Task Element 95.11 om te vragen of er wellicht een van zijn schepen in dit gebied opereerde. Daarop werd het bevrijdende antwoord ontvangen, dat op de aangegeven plaats zich het schip van de commander zélf bevond, de kruiser HMS Belfast. Deze had de Van Galen eveneens op haar radarscherm waargenomen. Zodra de commandant had bemerkt dat hij werd achtervolgd, had hij zich een grapje veroorloofd en was krijgertje gaan spelen, zijn vaart daarbij opvoerend tot 32 mijl. Geen wonder dat de
wakkere Nederlandse torpedobootjager moeite had het Britse schip in te halen.

Door een wijziging in het operatieplan, lag het schip tijdens de kerstdagen in Sasebo. Door het gehele schip stonden kerstbomen opgesteld, die voornamelijk werden versierd met lampjes van Japanse makelij. 's Avond, na de rijk voorziene kerstmaaltijd, werden de Rode-Kruis pakketten uitgedeeld die de toch al hoog gespannen verwachtingen verre overtroffen. Op de tweede kerstdag ging de jager in het dok voor een kleine reparatie aan een olietank en de asdicdome die enige dagen tevoren was beschadigd toen het schip voor korte tijd aan de grond vastliep. Maar op de laatste dag van het jaar was de oorlogsbodem al weer onderweg naar het zo vertrouwde patrouilleterrein, waarbij menig opvarende zich een andere voorstelling had kunnen bedenken om oud en nieuw te vieren. 

Nadat aan de andere schepen de post was afgegeven, werd positie gekozen voor een kustbatterij ten zuidoosten van het eiland Sokto. Gedurende de eerste nacht van het nieuwe jaar werden de Nederlandse gelukwensen in de vorm van 30 salvo's naar de vijand verzonden. De volgende dag ging het schip aan de andere zijde van het eiland ten anker tijdens zeer hevige sneeuwval, terwijl weer een dag later twee Amerikaanse soldaten aan boord werden genomen voor medische verzorging. Keer op keer werd een ander doelwit uitgezocht voor een bombardement.

In de middag van 5 januari werden iets noordelijker enkele Amerikaanse mijnenvegers vanaf de wal beschoten, waarop de Van Galen toesnelde om hen te helpen. Zo gebeurde het dat een Nederlandse torpedobootjager, in opdracht van de Engelse Task Unit Gommander, deze Amerikaanse mijnenvegers te hulp schoot en een bombardement afgaf dat vanuit de lucht werd gadegeslagen door Australische waarnemers. Voorwaar "United Nations".

Er was nu in de afgelopen dagen een flink pak sneeuw gevallen dat een schitterend panorama gaf op het vaste land en de eilanden, maar de temperatuur daalde nu zo snel tot ver beneden het vriespunt, dat en het wachtlopen en het ijshakken aan dek bepaald geen pretje waren.
Naast sombere gebeurtenissen waren er ook humoristische voorvallen die het vermelden waard zijn.
Het volgende vond plaats toen een matroos 1e klas, een pientere jongen die een aardig mondje Engels sprak, voorraden moest ontvangen aan boord van het bevoorradingsschip USS Castor. De Yank, die hem de aangevraagde goederen verstrekte, maakte een vriendelijk praatje en stelde hem de vraag:
"Where do you come from?"
"From Holland", was het antwoord.
De Amerikaan krabde zich eens achter het oor. Blijkbaar was zijn aardrijkskundige kennis niet groot.
"Holland? Never heard of it. Where is that country?"
Verwonderd, maar helemaal niet uit het veld geslagen, beijverde onze matroos zich uiteen te zetten, dat zijn vaderland ten oosten van Groot Brittannië, aan de overzijde van de Noordzee was gelegen.
De Amerikaan deed of hij het snapte, maar had buiten de waard gerekend toen hij meende met de Dutchie klaar te zijn. Deze op zijn beurt vroeg:
"By the way, where do you come from?
" From New Vork", antwoordde de Amerikaan trots..
Hij scheen te wachten op de indruk die zijn woorden ongetwijfeld op de Neder1ander zouden maken.
Deze echter scheen lang en diep na te denken om in zijn geheugen na te gaan waar dat wel kon liggen, waarna hij zijn hoofd schudde en met een uitgestreken gezicht sprak:
"Sorry mate, l've never heard of it. De wraak was zoet.

Op donderdag 10 januari ging het schip langszij de Britse tanker HMS Wave Premier liggen om te bevoorraden. De stokershond Stip maakte na het afmeren met zijn oudere vriendje Bols een controlerondje langs de trossen. Plotseling sprong Bols aan boord van de tanker en Stip wilde hem naspringen, doch schatte de afstand verkeerd in en pletterde in het ijskoude water. Zonder zich te bedenken liet een matroos zich langs een lijn in het water zakken en slaagde er in Stip na enige tijd weer aan boord te krijgen. Toen beiden weer aan dek stonden, was het Stip die weer opgewekt heen en weer
dartelde na zich eens flink te hebben uitgeschud, terwijl de matroos stond te klappertanden van de kou. Hiermee was het voorval echter nog niet van de baan, want 's avonds werd onze dierenvriend in het stokersverblijf ontboden. Namens het gehele machinekamerpersoneel en Stip werd hem de "Medaille voor Hondenlievend Hulpbetoon" met bijbehorend certificaat uitgereikt wegens "Het redden van Stip van een wisse verdrinkingsdood".

Gedurende deze patrouille werd op maandag 14 januari 1952 opdracht verkregen om rendez-vous te maken met de kruiser USS Rochester, om het stoffelijk overschot van de Amerikaanse vlieger Charley Schwartz over te nemen en dit bij zijn eigen schip, USS Sadoeng Strait af te geven. Hij was neergeschoten en in zee gecrashed.

Nadat hij per jackstay aan boord was genomen werd met hoge snelheid opgestoomd naar het vliegkampschip. Intussen had overste Valkenburg maatregelen getroffen om de droeve overgave op gepaste wijze te doen geschieden. Met de vlag half stok werd er front gemaakt, waarbij de matrozen van de laadploeg waren gekleed in passagierstenue en de officieren in zondagstenue. De kist, gewikkeld in de Amerikaanse vlag, werd op deze manier overgedragen aan zijn collega's die echter in gewoon werktenue waren gekleed. Het werkschema bij een vliegbedrijf liet kennelijk weinig ruimte voor het verwisselen van kleding. Hoe het ook zij, de van Nederlandse zijde bewezen attentie werd kennelijk op hoge prijs gesteld, zoals later bleek uit de uitlatingen van de Wing Gommander van de gesneuvelde vlieger, die bij aankomst van de Van Galen in Sasebo tot zijn collega's zei: "They are the boys, who brought Gharley's body over in such a wondertul waym!