Noodgedwongen naar Pusan.

 
"Kijk, dat schip daar is precies de Queen Wilhelmina, alleen iets groter" .Hierbij wees een seiner naar de USS Missouri, een van de grootste slagschepen ter wereld die op 28 januari 1953 de baai van Sasebo kwam binnenvaren, juist op het moment dat de Maurits voor haar eerste patrouille op weg ging. Nadat de Missouri op 30 januari HMS Cardigan Bay had afgelost, werden de eilanden in het gebied rondom Sokto aan de zorgen van de Maurits toevertrouwd en de eerste kennismaking was verre van aangenaam.

Op de eerste de beste dag van de patrouille kwam het schip in de nabijheid van het eiland klem te zitten in een zodanige zware ijsgang, dat het na verloop van tijd niet voor- of achteruit kon bewegen. Beide condensors liepen (te) warm door verstopping van de koelwaterinlaten zodat er maar n oplossing was, namelijk stoppen en het anker laten vallen. Vervolgens bleef er niets anders over dan te wachten op de kentering van het getij. IJsschotsen die met het komend tij meedreven, waren niet zelden van zeer grote onvang en dikte. Ze stapelden zich op rond het schip en deden een gezamenlijke aanval op de ankerketting. Het anker begon te krabben en meegevoerd door de sterke vloedstroom, werd het schip langzaam maar zeker naar de monding van de Ping Yong-rivier gedreven. Aan het eind daarvan bevond zich de Noordkoreaanse haven Chinnampo.
Langzaam bewoog de Maurits zich in oostelijke richting, waardoor het schip steeds meer binnen het schootsveld kwam van de vijandelijke batterijen op het vaste land, ten oosten van Sokto. De ankerketting hield evenwel. Nadat het getijde was gekenterd, kon het schip behoedzaam haar weg terug naar open zee zoeken.

Na afloop van deze spannende achtermiddag in het ijs zou het schip nog vele malen bij het eiland terugkomen om, voor anker liggend, op een afstand van slechts enkele honderden meters van de westkust van Sokto, vuursteun te verlenen aan het eilandgarnizoen. Een en ander gebeurde in samenwerking met het aanslagwaarnemingsteam van het Amerikaanse Korps Mariniers.
Vanaf deze zo dicht onder de wal gelegen ankerplaats was het schip in staat om met de twee 10,5cm kanons alle voorbehouden doelen onder vuur te nemen; bovendien was het een redelijk veilige plaats om vrij te blijven van vijandelijke beschietingen. De heuvels rond Sokto ontnamen het zicht op de
Maurits voor de vijandelijke batterijopstellingen. Het enige risico om door de vijand beschoten te worden deed zich voor in de ochtend en avond als het schip van de dag- naar de nachtankerpositie moest varen en omgekeerd. Het moest dan door de vuursector van een bijzonder actieve vijandelijke batterij opstomen. Deze batterij, die bij een heuvel was ingegraven en door de bemanning de Driehoeksheuvel was gedoopt vanwege de opmerkelijke vorm, was uitgerust met een aantal 76mm antitankkanonnen van Russische makelij. Dergelijke wapens konden tot op c.a. 13.000 meter met een opmerkelijke accuratesse vuur afgeven. 

Deze Noordkoreaanse positie was zeer gunstig om onder andere vanaf korte afstand het eiland Sokto onder vuur te nemen alsmede schepen die zich in het schootsveld bevonden dat door de kanonnen werd bestreken. Dit alles was voldoende reden om aan deze batterij -in de plaatselijke operatieorders te boek staand onder de codenaam Target Nan -een zeer hoge prioriteit te verlenen voor wat betreft het afgeven van anti-batterij-vuur. Op de ankerplaats liggend ten westen van Sokto moest dan ook tenminste eenmaal in de 48 uur op dit doel ingeschoten worden. Daarna werd aan de stand van de richtmiddelen niets meer gewijzigd, om ervan verzekerd te zijn dat het vuur van het schip dekkend was als er a la minuut op de batterij geschoten moest worden. 

De Noordkoreanen van Target Nan hadden overigens niets achterwege gelaten om het effect van geallieerde beschietingen zo gering mogelijk te laten zijn. In de heuvel waren tunnels uitgehouwen die allen een bocht van ongeveer 90 graden maakten. Zodra Target Nan vanaf schepen of het eiland Sokto onder vuur werd genomen, werden de vijandelijke kanonnen naar het achterste gedeelte van de tunnel versleept waar ze veilig waren tegen voltreffers in de tunnelmond. Daar bleven de wapens dan totdat de beschieting ophield, waarna ze weer op hun oude plaatsen werden teruggebracht.

Ook de ingangen van de tunnels waren op deze manier beschermd en gecamoufleerd. Door de ligging van de tunnelopeningen aan de landzijde was het onmogelijk deze aan te vallen met het scheepsgeschut. Daarom moest dit deel van het doel worden afgewenteld op de schouders van de luchtmacht die zich in de vorm van een Tarcap (=target area combat air patrol) van deze taak kon kwijten. De vliegtuigen waren afkomstig van een Amerikaans vliegkampschip dat permanent bij de westkust opereerde. Hoe dan ook, het bleek dat een op elkaar ingespeelde wal-schip combinatie (van scheepsgeschut en aanslagwaarnemers) in staat bleek een hoog percentage voltreffers op de tunnelingangen te plaatsen.
Dat leidde maar al te dikwijls tot complimenten van de Amerikaanse waarnemers: "Best shooting ever done by a ship in this area..".

Maar niet alleen Target Nan fungeerde als doel voor de kanons van de Maurits, hoewel het hoog op de "Target List" stond. Ook andere doelen kwamen in aanmerking, zoals geschutsopstellingen, observatieposten, bunkers, troepenconcentraties en dergelijke om het eiland Sokto te behoeden voor een invasie. Dat zou onherroepelijk gebeuren als men de vijand te lang met rust liet. Aldus werd er het nodige beschoten en met een aantal voltreffers zelfs een brug voor enige tijd onklaar gemaakt.

Vijf patrouilles lang lag Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau ten westen van Sokto. Dat maakt op buitenstaanders wellicht bitter weinig indruk, maar voor de opvarende kwam er geen eind aan. Het moeizame verstrijken van de tijd was inherent aan de taak van de oorlogsschepen op de westkust. Immers, een bombardement op zich kan interessant zijn, maar niet als het doel onzichtbaar is, de vijand onzichtbaar en ook de aanslagen onzichtbaar. De enige manier waarop de stuksbemanningen te weten kwamen wat de resultaten waren, was de wijze waarop de intervals verliepen tussen het moment van het eerste schot en het commando salvo-vuur. Was die tijdsinterval lang, dan waren de resultaten minder goed. Was dat tijdsverloop kort, dan wist iedereen dat de eerste schoten meteen (redelijk) dekkend waren geweest.

Voor de artillerieofficier en zijn assistenten lag dat anders. Zij bevonden zich in de gevechtsinformatie-centrale, waar ook de radioverbinding met de aanslagwaamemers werd onderhouden. Daar kon men dus uit de binnenkomende meldingen opmaken met welk resultaat er geschoten werd en of het doel al dan niet vernietigd was. Niettemin bleef het bij droge en zakelijke meldingen die radiotelefonisch werden overgeseind, zoals: Target destroyed, of Target area weil covered, no direct hits, en dergelijke.

Vrij onverwacht rinkelden op 1 februari 1953 plotseling de alarmschellen. Het was zondagochtend en de kerkdienst was nog in volle gang, toen tegen het einde van de dienst de commandant werd weggeroepen. Alle stuksbemanningen renden met de bijbels in hun achterzak naar hun posten. Een van de
eilanden werd vanaf de vijandelijke wal beschoten en vroeg om gun-support. Met achttien springgranaten werd de vijandelijke batterij het zwijgen opgelegd en de eerste Maurits-Koreanen konden dit niet meer navertellen.

Omdat tengevolge van het pakijs de condensors toch z warm waren geweest dat ze, ondanks preventieve maatregelen van het technisch personeel, door zoutafzetting waren beschadigd, zat er niets anders op dan met het schip voor onderhoud terug te keren naar Sasebo. Hier was het in vergelijking met Korea waar min 18 graden vorst en een ijzige, snijdende wind heersten, behaaglijk weer.
Na het dok te hebben verlaten, kwam de Maurits weer op de boei terecht en werd de verbinding met de wal onderhouden door Amerikaanse LGVP's (Landing Graft Vehicle Personnel). Elk schip had zo'n ding toegewezen gekregen, compleet met bijbehorende Yankees, die het manoevreren met deze
bootjes beslist niet in Nieuwediep hadden geleerd, aangezien zij anders op het eindexamen ruiterlijk waren gezakt. Want na twee dagen zo'n race- en stuiterding langszij je mooie schip te hebben gehad, was het weer tjetten buitenboord geblazen.

Voor velen was 6 februari 1953 een dag om nooit te vergeten. In Sasebo was een uitgaansgelegenheid waarbij de kleur blauw de boventoon voerde en al snel de "blauwe tent" werd gedoopt. In allerlei mogelijke en wonderlijke -verboden -tenue's toog Janmaat die avond naar de bewuste blauwe tent
regelrecht... in de armen van de eerste officier. De avond was meteen vergald, want de heren kwamen zonder pardon vlot in het vlaggeboek en de volgende morgen bij de commandant op parade. Zijn uitspraak deed meteen alle illusies wegnemen: 20 dagen licht arrest met strafdienst!

Naar aanleiding van dit krijgstuchtelijke vergrijp werd op de melodie van "Toen onze mop een mopje was" .het onderstaande Mauritslied in elkaar gefrunnikt:

De Maurits was een beste schuit,
Maar is het nu niet meer.
Wij hebben nu steeds brokken
En dokken keer op keer.

Wij gingen op de eerste run,
Maar waren zo weer terug.
Wij hadden geen zoet water meer
En troubles op de brug.

Refrein:
Zo is het nu, zo is het straks,
Zo zal het blijven gaan.
En als wij weer gaan varen,
Dan gaan wij naar de maan.

Omdat die boot zo rottig is,
Kwamen wij terecht in 't dok.
En wat best te begrijpen is,
Kochten wij een grote pot.

Janmaat vond het een hoge pit
En zat steeds in de stad-
En als hij niks te lurken had.
Dan ging hij lekker plat.

Refrein.
Om n uur sloot die blauwe tent,
Wij waren heus niet dom.
Wij doen onz' militaire plicht,
Twintig dagen was de bon.

Van ja meneer, van nee meneer,
Nu zijn we mooi op tijd.
En over twintig dagen,
Zijn w' alle ellende kwijt.

Refrein.

Op een goede zondagmorgen werd er een excursie georganiseerd naar Nagasaki met een Japanse autobus, die de groep heen- en bijna weer terug bracht, want de slechte wegen hadden het van de nog slechtere banden gewonnen: het laatste gedeelte van het traject moest liftend in een US-Navybus worden voltooid. In Nagasaki was het mogelijk nog een grotere bende dan in Sasebo. Wat in Holland tuinschuurtjes zijn, waren hier wooncomplexen en hoogst zelden zag je een echt stenen huis plus wat grotere gebouwen. Na enig zoeken werd het Atomic Bomb Centre gevonden, alsmede enkele stalletjes met ansichtkaarten. Van materile schade was niet veel meer te bekennen, iets wat met de Japanse begrippen van nieuwbouw goed te begrijpen was. Terloops werd nog een bezoek gebracht aan het huis van Madame Butterfly, nu was het totaal vervallen en verwaarloosd, maar destijds moet het bepaald een lustoord zijn geweest.

In Sasebo lag de Maurits bij toeval afgemeerd langszij de Canadese torpedobootjager HMCS Haida.
Ook hiermee werden al vrij snel nauwe vriendschapsbanden aangegaan. Zo nauw zelfs, dat de valreep te smal bleek voor het transitoverkeer. Overbekend is dat Amerikanen en Canadezen vorstelijke eters zijn en een "big steak" staat dan ook regelmatig op het menu. Tijdens het "aan je bakken" stroomde de Maurits leeg richting Haida en 's avonds, wanneer de scheepstoko van de Maurits geopend was, vertoonde zich hetzelfde verkeer in omgekeerde richting omdat de Canadezen grote genieters bleken te zijn van het goedkope Nederlandse bier. Met hun rijkelijk goedgevulde knip gaven ze met gulle hand rondjes weg aan de Mauritianen. Dit heet verbroedering! 

Waarschijnlijk is dit de aanleiding geweest om de romp van het Nederlandse schip de donkergrijze marinekleur van Canada te geven, die duidelijk afweek van de Nederlandse. Een Canadese admiraal, die later in het patrouillegebied een bezoek aan een andere torpedobootjager van zijn land bracht, begon daardoor aan zichzelf te twijfelen en informeerde bij de commandant van dat schip of Canada hier ook fregatten had. Niettemin bezorgde deze outfit de Maurits een face-lift die opviel.

Op 21 februari werd wederom de westkust van Korea opgezocht. Het begon allemaal vrij rustig, overdag lag het schip buiten bereik van vijandelijk geschut ten anker en 's nachts patrouilleerde het dicht onder de kust in de ondiepe wateren ten noordoosten van Tae Yong Pyong Do gelegen eilanden
Suap-To. Wat opviel was dat men juist in de nacht zo duidelijk de brandende dorpen en steden kon waarnemen, alsmede de soms rauwe en langgerekte kreten van getroffen mensen in doodsnood.
Verschrikkelijk om aan te horen!

In de avond van 26 februari werd van de Amerikaanse commandant van een van de eilanden via de radio een bericht ontvangen met het verzoek een ernstig zieke Zuidkoreaan en deze te evacueren vanaf het eiland Sosuap-To.
De motorsloep werd gestreken met daarin een onderzoeksploeg bestaande uit een korporaal-ziekenverpleger, twee telegrafisten, een motordrijver, de sloepsbemanning en een aan boord geplaatste Zuidkoreaanse verbindingsofficier, dit alles onder leiding van Ltz.2 oc D.A. Brands.

Vooraf had overste Sluijter om 20.30uur Yong Pyong Do ingelicht omtrent de missie van de sloep, met het verzoek dit aan de beide eilanden Suap-To door te geven (Dit is vermoedelijk nooit gebeurd).

Toen de sloep om 21.57uur de noordoosthoek van het eiland Tea Suap To rondde, werd zij plotseling op een afstand van zo'n 300 meter met automatisch vuur beschoten. Onmiddellijk stopte de sloep en werd de motor afgezet Door luid te schreeuwen trachtte de verbindingsofficier duidelijk te maken met vrienden van doen te hebben. Gelijktijdig werd met de Aldislamp die in de sloep aanwezig was een herkenningssein gegeven, alsmede "no enemy", maar er kwam geen antwoord.
Met tussenpozen werd er vanaf de wal op de sloep gevuurd, die was afgedreven en op het strand kwam vast te zitten, waarin de opvarenden inmiddels plat op de bodem lagen. Nadat het enige tijd stil was geweest, stelde de Zuidkoreaan voor weer overeind te komen om te trachten de route te vervolgen. Meteen werd het vuur weer geopend en hierbij werd telegrafist 1e klas Cees van Vliet dodelijk in het hoofd getroffen. Deze stortte voorover over de sloepsmotor heen. Ook de verbindingsofficier werd zwaar gewond door een schot in de linker borst. Nadat het vuren was gestaakt, schoten enkele ROK-soldaten (Republic of South Korea) te hulp om de motorsloep weer vlot te krijgen.

De Maurits was intussen anker op gegaan teneinde de sloep tegemoed te varen. Spoedig kwam deze in zicht en diep onder de indruk stapten de overlevenden weer aan boord. De dokter constateerde dat Cees van Vliet onmiddellijk dood moest zijn geweest. De Zuidkoreaanse verbindingsofficier leefde nog, maar was zwaar gewond. Hij heette Song Sam Yung en was 25 jaar. Direct werd hij naar de ziekenboeg gebracht voor behandeling. In zijn linkerborst, waar de kogel was binnengedrongen, zat een klein rond gaatje, maar op zijn rug, waar de kogel een uitweg had gevonden, zat een gat van vuistgrootte. Op zijn weg door het lichaam had de kogel een long verwoest en telkens als Song adem haalde, hoorde je met een sinister geluid de lucht aan de achterkant van het lichaam ontsnappen. Hij was bang en vroeg of hij zou sterven, waarop ontkennend werd geantwoord. Vele jaren later had hij, gezond en wel, weer een ontmoeting met zijn ziekenverpleger.

Het was stil geworden aan boord. ledereen had moeite de gebeurtenissen te verwerken. Op een schip leeft men immers dicht op elkaar, kent men elkaar en ziet dan plotseling die lege plek aan de bakstafel. De wetenschap een vriend te hebben verloren was voor iedereen een pijnlijke realiteit geworden. Velen beseften, nu nog beter dan vroeger, dat het hier ernst was en dat hen dit ook kon overkomen.
Op de Engelse kruiser New Gastie werd een kist gemaakt en aan boord gebracht, terwijl Song aan de Engelsen werd overgedragen voor een intensievere verzorging. Hierna stoomde het Nederlandse oorlogsschip met de vlag half stok op naar Pusan.

Op maandag 2 maart 1953 om 07.00uur, arriveerde de Maurits met haar droeve last in deze Zuidkoreaanse haven. Om 10.00uur werd de kist van boord gedragen en door een truck naar het United Nations Military Cemetry te Tanggok gebracht. Zijn baksmaten fungeerde als drager en brachten Gees naar zijn laatste rustplaats, waarna een saluutschot klonk en de dominee en commandant een toespraak hielden. Ver van huis ligt Cees begraven temidden van vele andere Hollandse jongens van het regiment Van Heutsz, waaronder ook kolonel Den Ouden van het vrijwilligerskorps. 
Stil gingen de 150 man terug naar hun schip, waar de Nederlandse driekleur weer voorgehesen werd en om 17.00uur de haven werd verlaten op weg naar Sasebo. Ontmoedigd, dat wel, doch niet verslagen!


Het graf van Cees wordt nog steeds bezocht door oude maten

Op 9 maart verliet de Maurits opnieuw Sasebo voor haar derde patrouille in de Gele Zee en vervoegde zich bij Task Unit 95.1.5 in de Paengyong Do area. Op de noordwest van het eiland gelegen landengte Tok Tong hielden zich een aantal communistische troepenconcentraties op, die in samenwerking met HMNZS Hawea voor actie op het programma stonden.
De inlichtingen waren verkregen van het 1st Partisan Infantry Regiment. Agenten van deze organisatie hadden gerapporteerd dat op de kust een aantal Noordkoreaanse soldaten ter sterkte van een compagnie aanwezig waren. Volgens de inlichtingen maakten deze vijandelijke troepen zich gereed tot een invasie van Wollae Do. Tot dat moment was het eiland nog in handen van de partisanen. Dat de tegenpartij een dergelijk plan koesterde kon vrijwel met zekerheid worden aangenomen, gezien het feit dat op het strand nabij het dorp een ongewoon aantal sampans en jonken aanwezig waren, waaraan dagelijks hard werd gewerkt om ze vaarklaar te maken.

Zo werd door de Commander Task Unit 95.1.5, de commandant van de Hawea, besloten om tezamen met de Maurits een aanval te doen op de troepenconcentraties in het dorp Onjing Ni, daarbij tevens de invasievaanuigen van de vijand een goede beurt gevend.
Na afloop van de nachtelijke patrouille door het Paenyong Do-gebied, werd op de dagwacht om 05.00uur rendez-vous gemaakt met de Hawea. De twee schepen stoomden in kiellinie voorzichtig tussen de zandbanken door naar de positie van waaruit het vuur geopend kon worden.
Zodra het doel in zicht kwam en de afstand tot het doel tot op 1.500 meter was teruggebracht, werd door beide schepen met de gehele batterij het vuur geopend op het dorp en het strand. Gezien de mogelijke aanwezigheid van vijandelijke 76mm kanonnen, werden beide machines tijdens het bombardement niet gestopt. En zo voeren de beide schepen met een vaart van 10 mijl per uur in kiellinie langs het dorp Onjing Ni, daarbij trachtend in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk prauwen op het strand en vijandelijke concentratiepunten te vernietigen.

Door de betrekkelijk hoge vaart van 10 mijl duurde de beschieting van de kuststrook op deze afstand slechts 15 minuten, waarbij 59 stuks 10,5cm granaten en 174 stuks van de 40mm mitrailleurs door de lucht suisden. Het sein vast vuren werd door de Hawea gegeven en de stuksbemanningen van de beide kanons van de Maurits smaakten het genoegen, dat met het laatste salvo dat de kanons verliet een groot stenen huis (een zeldzaamheid in dit deel van de wereld) in een wolk van stof als een kaartenhuis ineen stortte.

Op donderdag 19 maart ging het schip in de vroege morgen weer ten anker. Het fregat HMS Cardigan Bay zou ook bij ons ten anker komen, maar werd plotseling stuurloos en kwam op de snelle stroom met een vaart op de Maurits af. Direct klonk de order "Rood en blauw sluiten"! ledereen greep zich onmiddellijk vast; een doffe klap volgde en met een flink gat in de midscheeps van de Engelsman sloeg deze achteruit. Typisch was, dat de Cardigan Bay al meer aanvaringen had veroorzaakt. Toen wij voor de eerste maal op patrouille gingen, werden wij er voor gewaarschuwd en nu had zij ons toch nog te grazen. Gelukkig was er n troost: de schade viel mee en er kwam post aan boord.

Het was 1 april en zoals gewoonlijk lagen wij bij een van de eilandjes ten anker. De officier van de wacht was zeer beslist van plan zich niet te laten lijmen. Toen kwam een seiner die meldde: "Meneer, auto op groen dertig".
De officier van de wacht vond het geweldig en ging door met zich te handhaven. Even later:
"Meneer, mag ik de sleutel van de garage hebben?"
"Hangt bij de sleutel van de bootsmanskist", was het antwoord en meneer had zich er mooi vanaf gemaakt. 
Toen hoorde hij het "Op groen dertig". Een zacht doch overtuigend geplof en even later meerde een van de nieuwste amfibie-auto's van het US Marine Corps langszij af met een lijn om een der koplampen.

Een half uur later kon men in de longroom tijdens het koffiedrinken een bijzonder boze administrateur aantreffen. De telegrafist had zoals gebruikelijk het telegrammenplankje gebracht en aan hem een telegram overhandigd van de Task Unit Commander, met het verzoek een schip van de Zuidkoreaanse marine van aardappelen te voorzien.
"Dit is waanzin, zo kom ik nooit uit met m'n voeding en ik ben ook niet verantwoordelijk" zei de boze officier. "Laten ze daar nou zo'n kruiser voor nemen, die heeft genoeg spullen aan boord en niet altijd ons voor dat soort bakjes pikken" Het was hem echter niet opgevallen dat de rest van de longroom breeduit zat te grijnzen. Toen de brug meldde dat er een Zuidkoreaanse AMS (mijnenveger) aankwam, steeg de woede van de man ten top, waarop een zodanig homerisch gelach losbarstte, dat ten slotte ook hij overtuigd was van het feit dat het 1 april was!

De Paasdagen werden in Kure doorgebracht met een uitstapje naar Hiroshima. Hierover kan eenzelfde beschrijving worden gegeven als bij Nagasaki. Op de plaats waar de atoombom was neergekomen, stond nu een bord dat de plek aangaf. Overal stonden de tentjes met souvenirs, foto's en ansichtkaarten. De eigenaar van de meeste van deze souvenirzaakjes was min of meer de bekendste man ter wereld, omdat hij in praktisch iedere krant heeft gestaan. Zijn rug was verbrand en kon zijn hand niet meer gebruiken. Hij was een van de weinige overlevenden, had 6 jaar in het ziekenhuis gelegen en daar 16 operaties ondergaan.

Door het beoefenen van allerlei takken van sport, konden de verstijfde spieren van de bemanningsleden weer eens flink worden losgemaakt. Menigeen stootte voor het eerst van zijn leven een kogel of wierp een discus. Overwogen werd om van Artis een oppasser over te plaatsen naar Korea, gezien de uitbreiding van het dierenleven aan boord. In de longroom werd namelijk de eerste hand gelegd aan een bescheiden voliere. Twee Japanse rijstvogeltjes kregen als taak het verblijf van de officieren wat op te vrolijken. Verder kreeg Maurie er een klein vriendinnetje bij, dat uiteraard Kure werd gedoopt. Ze zaten elkaar door het hele schip achterna, waarbij Kure zich geenszins haar kaas van het brood liet eten. Beide dames pleegden zich voornamelijk voort te bewegen op de schouders van Janmaat of in de capuchon van de waakjassen der officieren, waarbij ze al dat gedoe om zich heen met belangstelling bekeken.

Op donderdag 9 april werd weer naar zee vertrokken en om tien uur tijdens een alle hens voor de boeg het "Kruis voor Recht en Vrijheid" uitgereikt. Bij aankomst op het vaste stekkie nabij Cho Do, werd de aflosser HMS Whitesand Bay hevig bombarderend aangetroffen. Kort hiervoor was het schip zelf beschoten, waarna het op gepaste wijze de rekening aan het vereffenen was.
Bijna iedere dag kreeg de Maurits een fire mission aangewezen. Dan werden geschutsopstellingen of troepenconcentraties op de wal beschoten, zodat er voor de rest van de dag weer stof tot gesprek was. 

Het begon met: "Best shooting ever done by a ship in this sea" en het eindigde met "Very impressive" en "Very, very good shooting", totdat we er rode oortjes van kregen en er maar een paar keer flink naast knalden.

Het spreekt voor zichzelf, dat tussen de schepen onderling die al schietend ten anker lagen, er een redelijk druk verkeer plaats vond. Zo kwam op zekere middag een Amerikaanse sleepboot langszij, waarvan de opvarenden in een mum van tijd witheet op ons waren, toen iemand vroeg:
"Is de USS Missouri net zo groot als jullie schip?"
Woest werden ze en in no-time waren ze weer vertrokken.

Moe van het vele ankeren, tweemaal per dag, het leek net een jo-jo, kwam ook aan deze patrouille een eind en kon worden teruggekeerd naar Sasebo om daar Koninginnedag te vieren. Onderweg gebeurde er iets vreemds. Op mysterieuze wijze verdwenen op de hondewacht telkens allerlei etenswaren die koud waren gezet voor de volgende dag uit de provisiekast van de onderofficieren en de daders waren spoorloos. Tot op een morgen werd ontdekt dat een hele pudding verdwenen was en de onderofficieren de hoofden bij elkaar staken om aan deze nachtelijke eetpartijen voor hun rekening
een einde te maken. Met behulp van de sergeant-ziekenverpleger, die laxeermiddelen voor het grijpen had, werd een smakelijke pureeschotel gemaakt en vol vertrouwen keek men naar wat komen ging.
Toen de volgende morgen iemand op het ziekenappel verscheen met zo'n verschrikkelijke race... was het raadsel snelopgelost en de onderofficieren wisten in het vervolg dat hun hap weer veilig was.

Voordat Sasebo werd binnengelopen, moest eerst langszij een Britse tanker, die ergens op zee ten anker lag, olie worden geladen. De commandant lag op dat moment ziek te kooi en daarom moest deze manoevre worden uitgevoerd door zijn plaatsvervanger. De weersomstandigheden waren uitstekend, slechts wat lange deining van de zee. Aldus werd de Maurits kort langszij gebracht, echter iets te kort, want met het anker werden enkele meters verschansing van de tanker weggevaagd die bovendien nog een flinke scheur in de romp moest incasseren, dit tot grote woede van de Engelse bemanning. De navigatie-officier die dit alles met angst en beven had gade geslagen, had reeds tevoren zijn assistentie aangeboden, doch dit werd met een abrupt gebaar van de hand gewezen. Na enkele mislukte pogingen gelukte het alsnog de Maurits langszij de tanker te brengen. Uiteraard werd hier nog lang over nagegniffeld wat tot gevolg had dat de goede man zijn laatste manoevre met dit schip had uitgevoerd.

Op 4 mei werd voor de eerste keer naar de oostkust opgestoomd met bestemming het gebied tussen Wonsan en Hungnam. Tijdens de vaart hierheen kwam het sombere bericht binnen dat hier enige dagen geleden een Amerikaanse torpedobootjager enkele treffers had gencasseerd, waarbij 120
mensen gewond waren geraakt. In de hoogste staat van paraatheid werd tussen de 40ste en 42ste breedtegraad heen en weer gevaren, waarbij iedereen zoveel mogelijk benedendeks moest blijven. De praktijk had namelijk geleerd dat bij een treffer de mensen aan dek meestal het ergste gewond werden.

Op donderdag 7 mei was er een lek in de stuurmachine en werd het schip stilgelegd om het euvel te repareren. Bij wijze van bescherming lagen er zes Amerikaanse jagers rondom de Maurits, hetgeen een enigszins veilig gevoel gaf. In minder dan geen tijd was het fregat veranderd in een Scheveningse
kotter die met sportvissers ergens op de Noordzee ligt te vissen. Van voor naar achter hingen de lijntjes buitenboord, waaraan het schip als het ware verankerd lag. Maar het vissen op deze plek was echt geen sport. Bij elke haal zaten er enkele knorhanen aan de haakjes, die hier op zo'n dertig tot
veertig meter diep zaten.

In de loop van de middag was het lek weer verholpen, zodat de patrouille kon worden voortgezet. Met in het achterhoofd het gedenkwaardige verhaal van de Piet Hein, wilde de Maurits k wel eens zo dicht onder de kust een graantje (lees treintje) meepikken, maar de Amerikanen hadden er blijkbaar lucht van gekregen, dus ging dit feest niet door, ondanks het feit dat het schip zich in een voortreffelijke positie bevond. De trein liet trouwens toch verstek gaan.

Nadat de patrouille op de oostkust was beindigd, bleek dat dit een welkome afwisseling was geweest: men had nu ook eens die zijde van Korea kunnen verkennen. Terug op de westkust werd elke dag weer het een en ander op de korrel genomen en maakten de opvarenden van de Maurits kennis
met een andere "big brother" van Uncle Sam, het slagschip New Jersey.

Maar onze mensen kregen ook de schrik van hun leven, toen een vijandelijke straaljager plotseling naderde en zijn lading bommen vlak voor het schip in zee liet vallen, hetgeen gepaard ging met een enorme knal, gevolgd door een evenzo enorme waterzuil. Er was echter geen schade.

Target Nan was gedurende de laatste week van mei een van de voornaamste doelwitten die werden bestookt. Daarbij werd zelfs een heel dorp vernietigd. Met de regelmaat van de klok gaf de spotter de positieve resultaten door, dit tot grote tevredenheid van de bemanning.
In deze week en de eerste helft van juni werden door het schip maar liefst 550 granaten naar de vijand verzonden, waarvan alleen al op 8 juni 240 stuks. Een adempauze in Kure was dus wel verdiend, zodat het fregat door de Straat Shimonoseki opstoomde naar het rustpunt. Marinemensen geven snel iets een bijnaam en aldus heette deze passage in het vervolg: "Simon de Zijkert"!