De landingen bij Sunwi Do en Yuk To.

 
Tenue vrij, zeilen en zwemmen, bedden met lakens, vijf maaltijden per dag...! Met dit visioen voor ogen zette de groep verlofgangers van Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau voet aan wal op Miya Jima, het prachtige bergeilandje in de Japanse Binnenzee tegenover Hiroshima. Het rest-centre werd gerund door een omvangrijke Australische adjudant die ons in onverbloemd Australisch vertelde, dat hij erg blij was de boys van de "Naievie" hier te mogen ontvangen en dat we ons maar moesten amuseren. Dat gebeurde dan ook!

Nog geen half uur na aankomst liepen de Dutchies in alle mogelijke wonderlijke tenue's de zaak te verkennen, of lieten zich in de gezamenlijke eetzaal bedienen door Japanse girlsans. Er werd stevig gezeild (en omgeslagen), gewandeld en inkopen gedaan. De dagen vlogen voorbij, eten, slapen (en ontbijt op bed, indien meneer dat wenste), zonnen en luieren. Kortom, iedereen genoot van de natuur en van de weldadige stilte. Het was daarom een zeer opgewekte en uitgeruste groep die enige dagen later weer in een motorboot stapte om over de Binnenzee (Inland Sea) teruggebracht te worden naar de zo vertrouwde Maurits die ergens langs de kade in Kure moeilijk lag te doen met repareren en victualin laden.

Aan de andere kant van de steiger kwam HMS Ocean ons gezelschap houden en al spoedig zagen we drie Nederlandse luitenants ter zee vlieger aan boord komen en het moet gezegd worden dat de onderofficier van de wacht wat dom keek, toen hem een vriendelijk "goede middag" werd toegewenst door een officier die zo van de Ocean kwam. (Het zal slechts weinigen bekend zijn dat er destijds drie vliegers van de Marine Luchtvaart Dienst tijdelijk aan boord van HMS Ocean waren gedetacheerd om in de praktijk oorlogservaring op te doen).

Op maandag 22 juni koos de Maurits weer zee voor haar 7e patrouille in de Koreaanse wateren.
Reeds de volgende morgen smaakte de bemanning het genoegen een echte wolkbreuk te mogen meemaken zoals nog nooit iemand had meegemaakt en die in Japan geweldige overstromingen zou veroorzaken. Het aantal slachtoffers liep daarbij in de duizenden.


De Maurits tijdens haar patrouilles bij Paenyong Do

Langs de westkust van het Koreaanse schiereiland bevond zich ten noorden van de frontlijn een aantal eilandengroepen die door de strijdkrachten van de Verenigde Naties bezet werden gehouden. Een van de belangrijkste functies van deze eilandengroepen was, dat zij dienden als basis voor spionage-,sabotage- en guerilla-activiteiten die door verscheidene Amerikaanse militaire en para-militaire onderdelen werden uitgevoerd. Een van deze onderdelen, het 1st Partisan Infantry Regiment (PIR) had zijn basis op het eiland Paenyong Do. Het bestond voornamelijk uit Noordkoreanen die al sedert enige jaren waren gevlucht naar vriendelijker streken en zich als partisanen gedroegen. Deze partisanen waren gekleed in Amerikaanse uniformen en gedeeltelijk bewapend met Amerikaanse wapens. De rest werd aangevuld met voornamelijk een buitgemaakt allegaartje.

Deze mensen zou men "los-vast-militair" kunnen noemen. Veel geoefendheid bezaten ze niet en de zeggenschap van de Amerikaanse leiding was maar gedeeltelijk. Hieruit blijkt wel dat zij inderdaad slechts partisanen waren en niet meer dan dat, bestemd voor venijnige aanvallen op vijandelijke verbindingslijnen en slechts gedeeltelijk geschikt om de vijand op dienst front aan te vallen. Een dergelijke frontale aanval nu was gedurende de maanden juni en juli beproefd, tot tweemaal toe door het 1st PIR, waarbij beide keren door de Maurits vuursteun werd verleend.

De achtergrond van deze operatie was als volgt ontstaan. Alles wees erop, dat een wapenstilstand spoedig een feit zou zijn. En van de bestandsvoorwaarden was, dat een aantal nabij de Noordkoreaanse kust liggende eilanden moesten worden prijsgegeven. In het Paengyon Do-patrouillegebied bevond zich een aantal van deze inshore-eilanden die werden bezet door het 1 st PIR. Om deze mensen zoveel mogelijk voor represailles te behoeden wanneer de eilanden moesten worden prijsgegeven, werd besloten om, zodra de tekenen er op wezen dat een wapenstilstand aanstaande was, deze troepen te evacueren. Hiermee begon men in de eerste weken van juni.

Tengevolge van het vrijlaten van een aantal krijgsgevangenen door het Zuidkoreaanse gouvernement, werden de wapenstilstands onderhandelingen opgeschort en ontwikkelde zich een onaangename situatie. Op de meeste eilanden waren enkele partisanen achtergebleven als rompbezetting, maar die konden geen weerstand bieden aan de Noordkoreaanse troepen. Het resultaat was, dat eerst Sunwi Do en vervolgens Yuk To in Noordkoreaanse handen viel. In deze periode was de Maurits in dit gebied aanwezig als Gommander Task Unit 95.1.5 en verantwoordelijk voor de verdediging van de eilanden. Na bespreking met het hoofdkwartier van het 1st PIR bleek de noodzaak beide eilanden te heroveren. Hierbij zou het fregat vuursteun verlenen en tevens zou zij de vliegtuigen van HMS Ocean op nader door de partisanen aan te wijzen doelen dirigeren.

De eerste operatie, tegen het eiland Sunwi Do, zou plaats vinden in de ochtend van 29 juni. Plannen waren gemaakt om te landen in twee groepen met een tussenruimte van een uur, waarbij elke groep ongeveer 175 man sterk was.

Op de vooravond van de landing ging het schip na zonsondergang voor anker nabij het eiland Sunwi Do om de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen te treffen. Eventuele doelen werden in kaart gebracht en de stuksbemanningen werden vertrouwd gemaakt met het aspect van de doelen. Aan de Ocean werd een sein gestuurd met het verzoek tot luchtsteun bij zonsopkomst op 29 juni 1953. In dit sein werden de doelen opgegeven die door de vliegtuigen moesten worden aangevallen. Tevens werd gevraagd om ieder gelegenheidsdoel aan te vallen, met name sampans en motorjonken die eventuele versterkingen konden aanvoeren.

De landingen zelf zouden worden uitgevoerd door twee motorjonken die een aantal zeiljonken en sampans op sleeptouw zouden nemen. Dit bleek het zwakke punt, want op de hondewacht van 29 juni werd een sein ontvangen waaruit bleek dat de landing afgelast moest worden. Een aantal van deze scheepjes maakten dermate veel water, dat terugkeer geboden was. De dag werd besteed aan het zeewaardig maken van de invasievloot, waarna de operatie werd gepland voor de 30ste. In de vroege morgen van die bewuste dag meldden de eerste seinen dat de landing geslaagd was en dat de "Donkey's" (codenaam voor 1 st PIR) goede voortgang maakten en geen tegenstand ondervonden.
Beide groepen stonden onder leiding van een Amerikaanse adviseur en droegen de codenamen Kin en Sup. Zij waren voorzien van een draagbare radio waarmee zij in verbinding stonden met het Nederlandse schip. Via een ander kanaal stond het schip weer in verbinding met het hoofdkwartier van het 1st PIR.

Inmiddels waren op de doelen door tweemaal vier Fireflies luchtaanvallen uitgevoerd, waarbij de vliegers meldden dat op het eiland, noch in de omgeving ook maar enige vijandelijke activiteit was waar te nemen. De tweede groep Fireflies meldde een aantal sampans in de nabijheid van het vijandelijke concentratiegebied. Diverse aanvallen met raketten en boordwapens werden uitgevoerd met als resultaat dat enige jonken tot zinken werden gebracht en de pier waarlangs zij lagen, beschadigd.

Gedurende deze activiteiten waren de eigen troepen op de helft van het eiland aangeland. Op deze helft heeft Sunwi Do een wespentaille, een smalle strook laag land die aan beide zijden oploopt in rotsachtige kale heuvels van ongeveer 150 meter hoogte. Hier begonnen de moeilijkheden. De beide groepen kwamen onder vuur te liggen van vijandelijke mitrailleurs en mortieren. De vijand had zich op dit oostelijke gedeelte z uitmuntend verschanst en gecamoufleerd, dat zelfs de geoefende vliegers hen niet hadden ontdekt. De beide Amerikaanse adviseurs verzochten om vuursteun, waarna de batterij op post kwam en binnen tien minuten was het schip klaar om het vuur te openen.

Helaas waren de radioverbindingen met Kin en Sup zeer slecht, als gevolg van het feit dat men niet altijd een geschikte plek kon uitzoeken voor de zwakke draagbare radio en deels vanwege een afgebroken antenne tijdens een actie. Het geven van vuursteun moest daarop worden gestaakt omdat geen correcties op de salvo's werden ontvangen.
De Donkey's lagen nog steeds onder vijandelijk vuur. Een aantal Noordkoreanen had echter kans gezien een omtrekkende beweging te maken. Een peloton Donkey's werd door deze beweging met omsingeling bedreigd, waarop de partisanen in paniek raakten en het strijdtoneel in westelijke richting verlieten. 

Meer Donkey's volgden hun voorbeeld, ondanks pogingen hen tegen te houden.
De Noordkoreanen buitten deze toestand onmiddellijk uit, met als resultaat dat de flank van de tweede groep in het nauw kwam. Ook deze tweede groep Donkye's trok zich terug. De Amerikaanse adviseur luitenant Paine, die nog steeds probeerde verbinding met het schip te krijgen, had zich samen met een Koreaanse tolk en een partisaan die de radio droeg in een gevaartijke positie verschanst. Juist op het moment dat de verbinding met het schip goed was en hij zich gereed maakte om opnieuw vuursteun te vragen, werd hij door de Koreaanse tolk gewaarschuwd dat de eigen troepen bezig waren terug te trekken. Aan het schip werd daarop geseind: "I am moving out to a cooler place -things are a bit too hot for me here -out".

Luitenant Paine kon niets anders doen dan zich eveneens terug trekken. Het enige teken van leven dat voorlopig nog door het schip werd ontvangen was het volgende sein:
"We are going to evacuate, approx position of evacuation is XB 9674 -can you assist with fire if necessary?
"De gemelde plaats was dezelfde waar die ochtend de vloot van jonken en sampans was geland.
Omstreeks 12.30uur zag men aan boord de eerste terugtrekkende Donkey's langs de westelijke hellingen van Sunwi Do afdalen. Weldra volgde de rest die zich in ijltempo naar het westelijke uiteinde van het eiland begaf. Radiocontact met de beide Amerikaanse officieren ontbrak nog steeds en naar alle waarschijnlijkheid ontbrak hen k de adem om te spreken.

Vanaf het schip werd waargenomen dat vanaf de heuveltoppen op de partisanen geschoten werd.
Vijandelijke troepen waren echter niet te zien, zodat helaas nog geen vuur geopend kon worden. De vloot jonken en sampans kwam nu in actie. Een voor een werden zij door motorjonken naar het strand gesleept om de Donkey's in te schepen. Van de talloze sampans kwam er n met grote snelheid naar het schip met de beide Amerikaanse officieren en hun tolk, alsmede enige gewonde Donkey's.
Volledig uitgeput kwamen zij aan boord en werden naar de brug gebracht. Na een sigaret en warme koffie kwamen zij weer op verhaal. Nu werd duidelijk dat op enkele doden na alle eigen troepen zich op het strand bevonden en bezig waren zich in te schepen.
Thans kon men ook aanwijzingen geven voor eventuele vuursteun en aangezien er nog voortdurend op de zich inschepende partisanen werd gevuurd, opende de Maurits op advies van luitenant Paine het vuur met de 40mm mitrailleurs op de heuveltoppen. Het schip bevond zich op dat moment ongeveer 1.000 meter van het strand, waarbij de Boforsbemanningen rustig langs de heuvels veegden, zo laag soms, dat de granaten slechts enkele meters over de prauwen scheerden. Kort hierna werd het vijandelijke vuur gestaakt.

Inmiddels waren de afgeladen sampans op sleeptouw genomen, maar voordat zij naar hun basis terug gingen, werden eerst nog 14 gewonden voor behandeling aan boord gebracht. Terwijl men bezig was de gewonden aan boord te nemen werd het schip voor de eerste maal beschoten. Drie mortiergranaten explodeerden op ongeveer 150 meter afstand in het water. Het vuur kwam kennelijk uit het dorpje. Maar omdat daar via de kijkers de burgerbevolking te zien was, werd het vuur niet beantwoord.
Na overname van de gewonden stoomde de Maurits op naar Paengyong Do, waar de gewonden ter verdere verzorging werden achtergelaten.

Op woensdag 1 juli 1953, de dag na de mislukte landing op Sunwi Do, was het tweede eiland aan de beurt. In overleg met de Amerikaanse adviseurs van het hoofdkwar1ier van het 1 st PIR, de Lt.Kol. Parker en Capt. Bertelli, werd op de achtermiddag anker op gegaan, waarna het schip opstoomde naar Yuk To, dat ten noordoosten van Paengyong Do ligt. Yuk To zelf is een zeer klein eiland van slechts een kilometer lengte. Het ligt zo dicht bij het vaste land, dat men tijdens laag water naar het eiland kan waden.

Captain Bertelli had zich ingescheept aan boord van de Maurits en zou van hieruit de landing coordineren en leiden. De landingsvloot, deze keer bestaande uit een motortonkan met een aantal prauwen op sleeptouw en een motorprauw, was reeds eerder op de achtermiddag vertrokken van Taechon Do dat ten zuiden van Paengyong Do ligt. Na de ontruiming van de zogenaamde inshore-eilanden, waren de Donkey's, samen met hun vrouwen en kinderen, op dit eiland geconcentreerd. Bij elkaar waren het ongeveer zo'n zevenduizend personen.
Het primaire doel van de aanval was een aantal rotsen ten zuidwesten van het eiland Yuk To die onderling waren verbonden door een strand dat ook bij hoog water droog bleef. Op deze rotsen, die de naam Ojak Som droegen, had zich de positie van de Donkey's bevonden na de evacuatie. Het eiland Yuk To zelf was gedurende de oude toestand een soort niemansland waar door beide partijen hoogstens gepatrouilleerd werd. 

Om niet geheel in het duister te tasten omtrent het lot van die eilanden die zelfs zonder daarop een rompbezetting achter te laten ontruimd waren, werd er om de andere nacht een versterkte patrouille naar toe gezonden. In de nacht van de 28ste juni was een dergelijke patrouille van ongeveer 70 man geland op Ojak Som. Van deze 70 man waren er slechts 15 teruggekeerd, de rest was na een nachtelijk treffen met de vijand gedood of werd als vermist opgegeven.

Om 16.30uur bevond Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau zich in de nabijheid van de rotsen. De gevechtswacht was op post gekomen en het wachten was nog slechts op de invasievloot die vermoedelijk alweer wegens machineschade, met ernstige vertraging pas om 17.00uur arriveerde. Tijdens de nadering van het eiland uit noordwestelijke richting werd voor de eerste maal het vuur geopend op bunkers, die duidelijk op de rotsen zichtbaar waren en op een zeiljonk die op het strand tussen de rotsen omhoog getrokken lag. Van enig tegenvuur van de vijand was geen sprake, omdat deze zich teruggetrokken had op de oostelijke rots.

Tegelijk met het schip arriveerde een motorjonk van het 1st PIR met een aantal Donkey's aan boord onder leiding van Lt. Bodrogly. Deze jonk verkende de rotsen grondig, onder dekking van de kanons van de Maurits. Voorzichtig draaide de motorjonk rondom de rotsen, terwijl de opvarenden voortdurend radiocontact onderhielden met Capt. Bertelli die zich met zijn walkie-talkie op de brug van de Maurits had opgesteld. Nadat de motorjonk circa tien minuten rond het eiland had gevaren, werden aan boord schoten gehoord. Op de vraag waar dit vuur vandaan kwam, antwoordde de motorjonk van vanuit de jonk gevuurd was op een man die men op de meest westelijke rots langs het water zag lopen. Aan boord zag men daarop, dat de jonk koers zette naar deze rots, waarbij met een machinegeweer werd gevuurd op een hoger gelegen punt.

Op het westelijk deel van de rots kwam vervolgens een druk gebarende Koreaan tevoorschijn die in de richting van de oostelijke rots wees, terwijl hij zich angstvallig gedekt hiel voor eventueel vuur uit die richting. Toen de motorjonk voldoende genaderd was, sprong de man te water en zwom in hoog tempo in de richting van het vaartuig. Met vereende krachten werd hij aan boord gehesen. Kort hierop deed zich een zelfde voorval voor; een tweede Koreaan werd aan boord gehaald. Hij hoefde niet te zwemmen omdat de motorjonk inmiddels geland was en zelfs aan de grond zat.

Aan boord van de Maurits begreep men van dit alles niet veel, totdat via de radio werd gemeld dat deze twee Koreanen de twee enige overlevenden waren van de patrouille die drie dagen tevoren waren geland. Zij hadden zich gedurende die tijd weten schuil te houden in een spelonk aan de westzijde en waren merkwaardig genoeg (maar gelukkig voor hen) niet door de vijand ontdekt.

Inmiddels deed men aan boord van de motorjonk alle moeite om het vaartuig weer vlot te krijgen. Er kwam maar weinig schot in totdat Captain Bertelli via de radio opdracht gaf om te water te gaan en de prauw los te duwen. Deze poging lukte wel en het vaartuig maakte zich ijlings uit de voeten. Kon na dit incident kwam het invasie-flottielje in zicht en niet lang daarna werd de opdracht om te landen gegeven: "I desire you go in now- out!"

Op de gebruikelijke manier werd de vloot naar het strand gesleept en op dat moment ondergingen de Donkey's het eerste vijandelijke vuur. Vanuit de landingsvaartuigen beantwoordde men dit vuur met geweren en mitrailleurs. Vanaf het schip werden op de oostelijke rots duidelijk zichtbare bunkers met de hoofdbatterij en de 40mm mitrailleurs aan stuurboord onder vuur genomen. Dit vuur neutraliseerde de bunkers voldoende om de 60 Donkey's de gelegenheid te geven op de westelijke rots aan land te gaan. Langzaam kropen zij voorwaarts en naar boven, maar nauwelijks waren de eerste partisanen op de top van de rots gearriveerd, of van alle kanten braakte het vuur op hen los, inclusief mortiergranaten. Aan boord van het schip was moeilijk te bepalen vanwaar met deze mortieren werd geschoten, vermoedelijk vanaf Yuk To zelf.

Vanaf het strand zette de motorjonk van Lt. Bodrogly koers naar de Maurits en bij het langszij komen bleek dat deze officier tijdens de landing een schot in de linkerarm had gekregen. Hij werd naar de ziekenboeg gebracht en na een operatie van een schone dungaree voorzien en in de longroom neergezet. Captain Bertelli begaf zich nu met zijn radio in de motorjonk om de taak van Bodrogly over te nemen en de inslagen op de oostelijke rots te controleren en te corrigeren ten behoeve van de vuurleiding aan boord. Om het vijandelijke vuur tot zwijgen te brengen, werd op aanwijzing van de motorjonk met de hoofdbatterij en de 40mm mitrailleurs opnieuw het vuur geopend in de richting van de
bunkers op de oostelijke rots. De afstand bedroeg 1.500 tot 2.000 meter. Een ideale positie om met de 10,5cm kanons direct vuur af te geven. 

Na een hevige kanonnade op de bunkers, verduisterdenenorme donkerbruine rookwolken het zicht op het doel. Het vuren werd gestaakt en nadat de rookwolken waren weggedreven bleek dat de eerste bunker vernietigd was. Een massa donkerbruine aarde, vermengd met versplinterde balken, was alles wat ervan was overgebleven.
Van deze vuurpauze maakten de Donkey's vlot gebruik om verder te gaan, aangezien het vijandelijke vuur was gestaakt. Maar de vijand legde zich hier kennelijk niet bij neer, want een heftig machinegeweervuur was het antwoord op de bewegingen van de partisanen. Vanaf het schip zag men de Donkey's wederom in dekking gaan en nadat opnieuw vuursteun was aangevraagd door Bertelli, werden de aangegeven bunkers andermaal beschoten. Bij deze beschieting bezweek de tweede vijandelijke kazemat; dat betrof een zeer dikke borstwering die niet bestand bleek tegen de voltreffers van de 10,5cm granaten.

Uit een van de andere bunkers zag men een lichtgroen geklede figuur voorzichtig zijn hoofd om de deurpost steken. Na enige aarzeling kwam deze Noordkoreaan tevoorschijn en sloop in gebukte houding met een geweer in zijn hand naar de borstwering. Vrijwel gelijktijdig werd hij door de stukscommandanten van kanon 1 en 2 en die van stuurboordsmitrailleurs gezien. Het vuur werd direct op hem geopend en na het optrekken van de explosiewolken, waren bunker nummer 3 en zijn bemanning opgehouden te bestaan.

Van Captain Bertelli werd het verzoek ontvangen om op te stomen en de bunkers op Ojak Som vanuit een noordwestelijke richting aan te vallen. Er waren namelijk nog enige bunkers op dat gedeelte van de rots die de Donkey's het voortgaan bemoeilijkten. Aan dit verzoek werd gevolg gegeven en nacirca tien minuten werd wederom het vuur geopend. Na een aantal salvo's zwegen de mortieren en gedurende de rest van de actie kregen de eigen troepen geen vijandelijk mortiervuur meer te verwerken. Inmiddels waren de partisanen op de westelijke rots nog geen stap verder gekomen, aangezien zij nog steeds onder vuur lagen van machinegeweren. Opnieuw werd met de gehele batterij het vuur geopend, nu op de resterende vier bunkers die gelegen waren op het noordwestelijke gedeelte van de oostelijke rots. De stuksbemanningen schoten op alles wat zij zagen bewegen. Er waren ogenblikken dat iedere stukscommandant ook zijn eigen vuurleiding voorstelde en een enkele opmerking als: "Overste, daar links van die bunker zie ik een mitrailleurpost, mogen we?- , was voldoende om naar eigen inzicht zo'n doel te beschieten.

Met de hoofdbatterij en de 40mm's werden aldus van de resterende vier bunkers nog n vernietigd en n zwaar beschadigd, terwijl tevens een vlaggestok, waaraan een Noordkoreaanse vlag lusteloos in de windstilte en enigszins nevelige achtermiddag neerhing, door een voltreffer werd geraakt en afbrak. Zo ging het schip, op en neer houdend, nog ruim twee uur lang door, het eiland teisterend met 400 granaten van 10,5cm en 1.500 granaten van 40mm. De lopen van de kanons waren zwart geblakerd, het hele schip rook naar kruitdamp en toen... was er koffie met brood, dat door de onverstoorbare koks tussen alles door werd rondgebracht.

Het mocht dan onmogelijk zijn geweest de oostelijke rots die middag nog te heroveren, zeker was dat aan de vijand een gevoelige slag was uitgedeeld en dat de Donkey's de gelegenheid hadden gekregen hun posities voor de komende nacht te versterken.
Een onzekere vraag was hoeveel vijandelijke versterkingen er gedurende de komende nacht het eiland al dan niet zouden bereiken om de Donkey's terug te slaan. Het antwoord zou later die nacht worden gegeven. Voorlopig stierf met het daglicht ook het krijgsrumoer weg, ging het schip na zonsondergang op 1 mijl ten zuiden van het eiland ten anker en de beide Amerikaanse officieren kwamen aan boord om de nacht door te brengen. Met hen kwamen ook de gewonden aan boord. Het was aardedonker buiten en toen een prauwtje langszij kwam, werd aan boord gevraagd of er een brancard nodig was. Het antwoord was ontkennend en vervolgens liepen de twee aangesprokenen uit de prauw naar de ziekenboeg. 

Daar aangekomen zagen wij echter dat zij behoorlijk zwaar gewond waren. En met een schot door het bovenste gedeelte van de schedel en de ander met een schot door de buik... Als de man met het hoofdschot zou blijven leven, was de kans groot dat hij blind of gek zou worden. De man met het buikschot maakte nog een kans, tenminste wanneer zijn ingewanden niet waren geraakt. Dit was niet te constateren en dus werd de wond gehecht en verbonden, kreeg hij morfine, penicilline plus de verzorging die daarbij hoorde. Niettemin verging hij van de pijn en was even later plotseling overleden.

Op de hondewacht werd plotseling de rust verstoord door een dringende kreet van de Donkey's om vuursteun te verlenen op een positie op de noordpunt van Yuk. To. De vijand had inderdaad kans gezien om na zonsondergang versterkingen op Yuk. To aan te voeren en nu werden de Donkey's met mortieren beschoten. Onmiddellijk werd met kanon 2 het vuur geopend op de opgegeven positie, maar omdat er geen aanslagwaameming was, moest het blind vuren worden beindigd. Resultaat had dit bombardement wel, want het mortiervuur werd gestaakt.

De volgende morgen werd de strijd hervat. Opnieuw was luchtsteun bij HMS Ocean aangevraagd en in de vroege uren kwamen vier Fireflies bewapend met 500 pounds bommen en raketten aangevlogen. De oostelijke rots werd nu aangevallen door de Fireflies die n voor n hun raketten en boordwapens afvuurden op de resterende bunkers. Eveneens werden doelen op Yuk. To aangevallen en wel die posities, waarop door het schip gedurende die nacht was gevuurd. Na de aanval op dit noordelijke gedeelte van Yuk. To werden enige strafing runs met boordkanonnen over de gehele lengte van het eiland gedaan en tot slot met de resterende raketten de mortieropstellingen beschoten.

Inmiddels had ook het schip het vuur weer geopend op de resterende bunkers. Na een aantal salvo's werd n tegen de top van een rots gelegen bunker vemietigd en werden er twee zwaar beschadigd. Dit onder luid gejuich van de stuksbemanningen, die zo'n uitstekende rol speelden in een duel tussen twee kanons van 10,5cm en een licht mitrailleur aan de kant bij de vijand. Hoe ongelijk. de krachtsverhoudingen ook waren, het wapen aan de vijandelijke kant was niet te vemietigen met als onaangename consequentie, dat de Donkey's geen stap verder zetten zolang die mitrailleur bleef schieten. Zo ontstond er een statische situatie, waarbij de mitrailleur niet schoot als de Donkey's bleven waar zij
waren en het schip verder ook niet veel meer kon doen, aangezien het restant munitie van de hoofdbatterij was geslonken tot slechts 250 patronen. Daarom werd besloten terug te keren naar Paengyong Do, ook alom de gewonden, waaronder helaas n dode partisaan, aan wal te zetten.

Aangezien het verder doorzetten van de actie op Ojak. Som slechts een verspilling van tijd en munitie zou zijn omdat de Donkey's niet in beweging waren te krijgen, besloot Captain Bertelli zijn troepen terug te trekken. In de loop van de ochtend scheepten de partisanen zich in en aanvaarden zij eveneens te terugtocht naar Paenyong Do. Later werd vemomen dat het eiland vrij kort na het vertrek werd heroverd was door de Noordkoreanen. Geen kunst zonder tegenstand. ..!

Tot slot lag het schip tien dagen in Sasebo. Het was of bloedheet of het stroomde van de regen en dan nog was het heet. ledereen deed wat je tijdens een stilligperiode moet doen: stappen en inkopen doen en je zo goed mogelijk amuseren om gesterkt en wel aan de volgende patrouille te gaan beginnen, op dat moment niet vermoedend, dat historische ogenblikken werden meegemaakt.

Op 21 juli 1953 vertrok men naar zee, waar maar meteen een schietoefening werd gehouden op de manche die er binnen de kortste keren werd afgeknald. De vlieger beklaagde zich zelfs over de radio dat de inslagen van de mitrailleurs te dicht bij zijn toestel waren gekomen en dat hij hem behoorlijk zat te knijpen. Twee dagen later werd Target Nan weer in het vizier gekregen waarop 37 granaten werden gedeponeerd. Veertien dagen was het schip afwezig geweest en was er nauwelijks een schot gelost.
Maar de Dutchies waren amper terug, of het was weer foute boel.
"Wedden dat u vandaag voor het laatst op Target Nan heeft geschoten", zei iemand van de technische dienst tegen de artillerieofficier!
"Het is nog deze week afgelopen", zei de eerste officier en met het knijp zetten van enige longroomleden, sleepte hij zes flessen jenever in de wacht, of liever gezegd in de koelkast, netjes voorzien van de naam van de rechtmatige eigenaars.

Maandagavond 27 juli 1953, om 22.01 uur, ging de anker- en dekverlichting weer aan.
In die situatie onderging de Maurits de wapenstilstand die getekend werd toen de zon het kale winterse landschap van de eilanden had veranderd in een zee van groen, bloemen en vlinders. Op het moment dat de wapenstilstand werd getekend, maakte de Maurits weer deel uit van Task Unit 95.1.4., belast met de bescherming van Sokto en dientengevolge eveneens belast met de evacuatie van de bewoners op dit eiland. Wederom lag het schip hier voor anker als meest noordelijke eenheid van de Task group, op ongeveer 40 mijl benoorden de 38ste breedtegraad. 

Hier werd de eerste patrouille bij Sokto begonnen (dat was in de ijstijd), hier werden de meeste granaten verschoten en zou men veel actietijd ten anker doorbrengen. Nu werden de vijandelijkheden afgesloten met het aanknippen van de anker- en dekverlichting. Een vreemde gewaarwording!

Goed, de "war was over" , men kreeg links en rechts bedankjes voor "efficint work and good fighting", waarna men zich ging bezinnen op de volgende taak: de ontruiming van het eiland Sokto volgens de Operatie Pandora. In het kader van de wapenstilstandsovereenkomst zouden namelijk alle door de strijdkrachten van de Verenigde Naties bezette eilanden ten noorden van de 38&e breedtegraad op beide kusten worden ontruimd. Voor dit doel werd op de dag van de bestandsondertekening een beach-party naar de wal gestuurd om de leiding te nemen bij het inschepen van het eilandgarnizoen inclusief uitrusting in een ROK-navy LST 805 (Landing Ship Tank) De beach-party bestond uit 1 officier, 1 onderofficier en personeel van de verbindingsdienst. Verder was dit detachement uitgerust om eventuele materieelsvernietigingen uit te voeren.

Op de voormiddag arriveerde de LST 805 van de ROK-navy en landde op het strand. De geweldige deuren in de boeg draaiden langzaam open en men kon een aanvang maken met de uitvoering van Operatie Pandora. Op het LST -strand van Sokto was ruim van tevoren de gehele uitrusting van het garnizoen uitgestald, zodat meteen met het laden kon worden begonnen.
Tengevolge van het tij was het zeer moeilijk met het LST op het strand te landen, waardoor men eerst DUKW's (amfibische voertuigen) ging beladen. Deze werden op het strand volgestouwd en reden vervolgens door het ondiepe water via de landingsklep de LST binnen, waar met het ontladen door Zuidkoreaanse mariniers werd aangevangen. Het gehele garnizoen van Sokto, zo'n 800 man ROK- mariniers, was hiervoor beschikbaar. Niettemin duurde het altijd nog zo'n 20 uur alsvorende "Teakettie" (roepnaam van de LST) geheel geladen was. Zo werden op de voormiddag de DUKWs geladen. Bij eb, als het strand droogviel, werd de taak van de DUKW's overgenomen door de mariniers zelf, die in een eindeloze rij als een menselijke transportband het donkere gat van de LST binnen gingen, om er met lege handen weer uit te komen.

Het geheel was zo goed georganiseerd dat zich bij deze evacuatie van 800 man en al hun uitrusting, waaronder een grote hoeveelheid munitie, generatoren, zoeklichten, bulldozers, enzovoort, geen en- kele moeilijkheid voordeed.
De beach-party kon zich nu aan haar tweede taak gaan wijden, namelijk het onderzoeken van het wrak van een ROK-navy LST, die al sinds meer dan een jaar op de westkust van Sokto lag. Na de ontruiming van het eiland zou deze LST in handen van de tegenpartij vallen. Dus was het zaak te onderzoeken of er nog uitrustingsstukken aanwezig waren die niet in het bezit van de vijand mochten komen. Na een ingewikkelde klimpartij werd de totaal verroeste LST bereikt en na enig zoeken bleek dat alle apparatuur reeds was afgebroken of vernietigd. Het ding kon dus met een gerust hart worden achtergelaten. Vervolgens werden de twee meerboeien, waaraan de aan het eiland behorende L CM's
gewoonlijk werden afgemeerd, met kleine ladingen opgeblazen.

Als laatste object op het eiland werd de observatiepost van de US Marines, van waaruit het vuur van de Maurits zo vele malen op voortreffelijke wijze was geleid, aan de vernietiging prijs gegeven. Aan boord waren gedurende de gehele dag reeds de explosies duidelijk hoorbaar geweest, maar aangezien de meeste bunkers aan de andere zijde van het eiland waren gelegen, was van dit vernietigingswerk weinig te zien. Anders was dit met de observatiepost. Deze bevond zich op de hoogste top van het eiland aan de westzijde. En zo kon men dan vanaf het schip het opblazen van de observatiepost gade slaan. Misschien wel met een zucht van verlichting, want dit betekende voor allen het einde van de strijd in Korea.

Zo voltrok zich de evacuatie van de noordelijke post op de westkust van Korea geheel volgens plan.
Gedurende de nacht embarkeerden de troepen met hun lichte wapens, de veestapel, bestaande uit twee koeien en een geit en een voorraad leeftocht bestaande uit rijst en vis, gewikkeld in krantenpapier. In de vroege ochtend was Sokto een verlaten eiland; her en der lagen verbrande en waardeloze overblijfselen van wat eens een uitkijkpost van de strijdmacht van de Verenigde Naties was geweest.
Op een rots stond met grote witte letters: "USMC was here". Op het strand bleef de beach-party achter en meldde aan het schip dat het eiland ontruimd was. Ook deze laatste groep vertrok nu. Het enig officieel souvenir wat zij achterlieten was een paal waaraan een bord was bevestigd met in het Engels, Koreaans en Chinees opschrift., dat zich daaronder een trommel bevond met kaarten die de mijnenvelden op de stranden van het eiland Sokto weergaven. Vervolgens haalde de sloep de beach-party van het strand af en bracht hen aan boord.

Voor de laatste keer ging bij de Maurits het anker op nabij Sokto om vervolgens naar het eiland Chodo te stomen, waar de evacuatie eveneens in volle gang was. Hier was de Canadese torpedobootjager HMCS Iroquois aanwezig bij de ontruiming. Aangezien dit eiland belangrijk groter was dan Sokto en er veel meer VN-troepen en materieel waren gestationeerd, waaronder een radar- en vliegtuigdirectiestation van de Amerikaanse luchtmacht, duurde de evacuatie hier enige dagen langer.
Op Chodo waren bovendien enige duizenden vluchtelingen uit Noord-Korea aangekomen die eveneens naar veiliger oorden vervoerd moesten worden. Voor al dit transport draaide wederom het werkpaard van de westkust op: de LST .
Een bijna onafgebroken stroom van deze vaartuigen arriveerde gedurende enige dagen op een van de drie LST -stranden van het eiland om, na te zijn volgeladen, weer via de zuid te vertrekken. Uiteindelijk was het eiland ontruimd; de enige achterblijvers waren enkele oude vrouwtjes die de Noordkoreaanse bezetting prefereerden boven het verlaten van het eiland waar zij hun hele leven reeds gewoond hadden. De LST's verdwenen in zuidelijke richting; de oorlogsschepen bleven ter plaatse om de termijn van tien dagen na de ondertekening van de wapenstilstand vol te maken. 

Binnen deze termijn, voornamelijk bestemd om beide partijen ruim de gelegenheid tot evacuatie te geven, zou aan de status qou niets veranderen. De oorlogsschepen van Task Unit 95.1.4, HMS Birmingham en Tyne, waarop het Engelse hoofdkwartier was gesitueerd en dat voor deze gelegenheid zijn vaste ligplaats Sasebo had verlaten, de Canadese jager HMCS Iroqouis en de Nederlandse Maurits, gingen voor anker buiten de drie mijls grens. Daar werd het einde van de tien dagen afgewacht.

Het eens zo levendige jachtgebied van de Task Unit, waar altijd wel een schip aan het schieten was en waar bijna geen wolkeloze zomerachtermiddag voorbij ging zonder dat men een formatie carrir-vliegtuigen lui boven een doel zag cirkelen om dan plotseling in gierende duikvlucht hun bommen op de vijandelijke stellingen te werpen, was nu een rustig paradijs geworden. In het felle licht van de Koreaanse zomer dreven de eilanden als groene heuvels in het spiegelgladde water.

Het leven aan boord was wel veranderd sinds de wapenstilstand. Oorlogswacht en gevechtswacht waren er niet meer bij. Gewoon zeewacht lopen, iedere avond een nieuwe film bekijken op het halfdek en 's morgens lekker sporten op de bak. Angst en spanning hadden plaats gemaakt voor de vrolijke lach en een opgelucht gevoel. Het was immers over! Alleen duurden de dagen nu langer dan eerst en nu er meer tijd was om na te denken, steeg ook het verlangen om naar huis te gaan. Maar geduld is een schone zaak, er lag immers nog een wereldreis voor de boeg!