Kleine Vaartuigendienst
door Chris Mark - Bron: Vast Weken

Het klinkt soms als een verwijt wanneer je de terechte opmerking hoort:
"Wij horen of zien nooit iets over de KVD, is het soms een vergeten kindje?" Nou, dat niet bepaald, maar waar zijn al die verhalen en belevenissen van die mensen te vinden? Nergens werd er iets over geschreven, maar toch kon na enig speurwerk het onderstaande worden achterhaald.

Al eerder werd mij werd verzocht een verhaal te schrijven over de KVD (Kleine Vaartuigen Dienst).
Terstond realiseerde ik mij voor een zware en onmogelijke opgave te staan waar ik maar vanaf heb gezien. Want zoek maar eens uit welke schepen hieronder ressorteren. Beslist geen kruisers, onderzeeboten of jagers, maar welke dan wel? Zonder meer wl de bekende RP-bootjes uit het voormalige Nederlands Indi, de communicatievaartuigen en sleepboten, de water- en olielaadprauwen, de benzineboten en dat zijn er op zich al een hele waslijst. Alleen al de RP-bootjes omvatten ongeveer ruim vijftig stuks en daar zijn geen reisverslagen van te vinden.

Bekende namen van andere schepen zijn onder meer: Hr .Ms. Hobein, de Hendrik Karssen, de Paets van Troostwijk, de Mercuur, de Jachthond (een voormalige MTB) en de rescueboot Y861 de kanariepiet (vanwege zijn gele kleur) Zo was bijvoorbeeld in de vijftiger jaren de bekende sleepboot Hercules de grootste zeegaande sleepboot van Nederland en was een zusterschip van de beroemde sleepboot Zwarte Zee van Piet Smit & Co uit Rotterdam.

Hoe ongeloofwaardig het misschien ook moge klinken, de Kleine Vaartuigen Dienst is eigenlijk een Duitse instelling. In 1940 gingen de bezetters namelijk over tot de oprichting van deze dienst. Zij charterden van particulieren rond het IJsselmeer motorboten plus bemanning en voeren daarmee op het IJsselmeer rond. Na de Duitse capitulatie gingen alle schepen naar Den Helder.

Een gedeelte werd later aan de oorspronkelijke eigenaar teruggegeven, de rest bleef.
Voor de oorlog bestond in Den Helder de Marinesleepdienst, die dus de voorloper kan worden genoemd van de KVD. In Den Helder omvatte die dienst in totaal "twee" schepen!

Voor de oorlog kwamen de schepen op eigen kracht de haven binnen varen. De sleepboten werden in hoofdzaak bemand door burgerpersoneel.
"Ja", vertelde een kapitein, "ik ken deze schuit zo zoetjes aan door en door. In 1937 zat ik ook al op deze boot, maar toen als matroos-milicien. Kijk nou maar niet zo verbaasd, want ik heb ook een hele tijd die zestien letters op m'n hoofd gedragen. En van 1946 tot 1948 heb ik met deze schuit op het IJsselmeer bakken gesleept met wrakken van vliegtuigen en zo erin, waarmee in die dagen het IJsselmeer vol zat".

De kapitein vertelde ook nog dat n van de slepers ook al eens in het buitenland was geweest, namelijk in Dorcum in Duitsland.

De sleeptros brak op het laatste moment.
In gesprek met een oud burger schipper van een sleepboot in Nieuwediep, vroeg ik hem of er wel eens aanvaringen waren voorgekomen.
"Voor zover ik weet is dat nog niet gebeurd. Maar ik herinner me nog goed dat we, jaren geleden, toen het havenwater nog stromend was, de torpedobootjager Piet Hein eens naar binnen moesten halen. U hebt zeker wel eens gezien dat er bij zulke karweitjes steeds voor en achter een sleepboot assisteert. De voorste sleper dient om het schip vooruit te trekken, terwijl de achterste tot taak heeft het schip te sturen en in de goede koers te houden. 

Wij hadden de jager van voren vast, maar de Piet Hein draaide opeens zo hard achteruit, dat de sleeptros strak kwam te staan, zodat wij amper omsloegen. We lagen zo scheef, dat het water naar binnen stroomde en van voor- naar achterbolder liep.
Maar gelukkig brak op het laatste moment de tros en was voor ons het gevaar geweken. Er scheelde toen maar bitter weinig aan, of we waren gekapseisd. Maar helemaal zonder kleerscheuren kwamen we er toch niet af, want de matroos aan de tros viel achterover van de beting en met een zwaar gekneusde arm, een ribfractuur en een hersenschudding konden we hem aan de wal afleveren. 

De andere matroos, die onze sleper zo zwaar zag overhellen, kreeg opeens zo de schrik te pakken, dat hij zonder zich te bedenken pardoes overboord sprong. Van de wal had men het ongelukje natuurlijk ook zien gebeuren en een marinesloepje kwam ons te hulp. De mannen in dat sloepje deden in hun reddingsijver enthousiaste pogingen om de pet van de drenkeling op te vissen, terwijl een eindje verderop de eigenaar van die pet de verdrinkingsdood nabij was. Maar aan die man dachten ze blijkbaar niet eens.
Gelukkig waren wij spoedig van de schrik bekomen, zodat we nog net op tijd de drenkeling met de haak aan boord konden halen". "En het werd tijd ook", voegde de kapitein er verduidelijkend aan toe, "want hij was al tweemaal beneden wezen kijken".

Ook herinnerde de schipper zich nog dat eens, bij heel slecht weer, een Duits schip over de Razende Bol kwam. Het was een schip dat de Duitsers in de oorlog gebruikten om vliegtuigwrakken mee te lichten. Het had een Duitse bemanning en een Engelse kapitein. Door de kracht van het water waren de achterluiken van het dek weggeslagen. Hierdoor stroomde het achterschip van de Duitser snel vol en bevond het zich in zinkende toestand. In het schip zaten verder geen lekken. Een van de slepers zette het zinkende schip bij hoog water op "het Kuitje" aan de grond. 

Daar er op dat moment geen hulp in de buurt was, knapte de bemanning van de sleper dit zaakje zelfmaar op. We hebben toen bij laag water zo goed en zo kwaad als het ging een bekisting om het schip gemaakt. De hele nacht hebben we met man en macht staan pompen. Het schip rees en boven verwachting slaagden we erin het weer drijvend te krijgen en aan de wal te zetten".
Dit was een uitstekend stukje werk van de KVD-mannen en het was niet ten onrechte dat de schipper deze geschiedenis met trots vertelde.

Maar hij vertelde ook dat een tijd geleden eens een mijnenveger voor de haven in brand vloog. Maar n van de slepers, die tevens voor brandbestrijding dienen, was er weer als de kippen bij en slaagde er in betrekkelijk korte tijd in het vuur meester te worden. Uit dit alles blijkt duidelijk, dat het werk van de mannen van de sleepdienst niet altijd even gemakkelijk en ook niet altijd zonder gevaar is.

Maar ook in het voormalig Nederlands-Indi was de KVD zeer actief en vooral de kleine RP-bootjes verrichten vaak langdurig zwaar en gevaarlijk werk. Een oud-opvarende van Hr .Ms. RP 133 vertelde zijn verhaal van een actie in de Amphitritebaai in het boek "Tienduizend vrije vogels" van R.E. van Holst Pellekaan.
"We kwamen die avond aan bij de monding van de lndragiri-rivier waar een RP-bootje lag dat afgelost moest worden. We zouden die nacht naast elkaar blijven liggen. Hij bleef voor anker en wij met trossen aan hem vast. Bij ons aan boord werd de wacht gelopen; n man liep twee uur, bewapend met een Lancaster- machinepistool met twee houders. Je liep rondjes over dek; zachtjes lopen, liefst op blote voeten, wantje maten lagen pal onder het ijzeren gangboord te maffen. 

Of je stond op de brug met een kijker de zee af te zoeken. We lagen amper een uur in kooi, toen we werden gewekt. Ditmaal zachtjes , anders dan we bij "overal" gewend waren. We waren snel aan dek. Trossen los en op je plaatsen, klonk het bevel. De boot naast ons werd gewaarschuwd, en voor ze het wisten waren wij weg .We koersten, onverlicht, af op een vermeend geluid van een motor. Allen tuurden in de inktzwarte duisternis in de hoop iets te ontdekken. Regelmatig werd onze motor op langzaam gezet om het geluid van de ander beter te kunnen lokaliseren. 

Op een gegeven moment was het geluid zo duidelijk te horen, dat de afstand niet groot meer kon zijn. De commandant stak het zoeklicht aan en zocht daarmee de zee af, echter zonder resultaat. Hij gaf opdracht met het 3,7cm kanon een schot in de lucht af te vuren. Het resultaat was verbluffend; op vrij korte afstand zagen we lichten aan gaan. Wij voeren er direct op af en op zo'n 50 meter afstand zetten we hen met ons zoeklicht in het volle licht. Het was een vrij grote tongkan, zo'n 40 meter lang, die hoog op het water lag, met een rood-witte vlag. Wij bleven op een veilige afstand. Om met onze laag op het water liggende boot langszij te komen van die tongkan met een vrij boord van 2 3 meter zou te gevaarlijk zijn. 

Hij kreeg opdracht ons te volgen. Ons zoeklicht lieten we langs de kustlijn schijnen, tot de andere RP een lichtsein gaf Die lag daar nog steeds voor anker. We gaven de tongkan opdracht om daar in de buurt voor anker te gaan en gingen zelf weer langszij van de andere RP. We werden enthousiast gelukgewenst met onze vangst.

Die nacht liepen we versterkte wacht, en lieten het zoeklicht regelmatig over de tongkan gaan. Bij het eerste ochtendgloren werd het plan uitgevoerd om de tongkan te enteren. Aan bakboord en stuurboord kwam voorzichtig een RP langszij, met op het dak van de brug een matroos met een Lancacster die vanaf zijn hoge positie op de tongkan neer kon kijken. Zodra de RPOs langszij waren klommen de commandanten en een paar gewapende matrozen aan boord. De bemanning, zo'n vijftien man, werd bijeen gedreven en gefouilleerd. De inspectie van de boot verliep verder vlot. Er waren geen geldige papieren aan boord en de ruimen zaten vol met machines en machineonderdelen. Dat spul bracht in Singapore veel geld op en werd waarschijnlijk geruild tegen wapens. Het schip werd in beslag genomen. Door de RP die wij hadden afgelost, werd het opgebracht naar Tandjong Pinang. Onze eerste nacht in het patrouillegebied was dus meteen prijs; een goed begin!

De naam KVD bestaat niet meer en de dienst is tegenwoordig een onderdeel geworden van de Mijnendienst, welke in hoofdzaak door burgerpersoneel wordt bemand.