De Mijnen Opruimings Dienst de Koninklijke Marine

MIJNENJAGERS OP HET LAND - EERSTE DEEL

Als het vrede is geworden vormen mijnen de echo van een oorlog. Deze verborgen moordenaars maken elke 20 minuten op de wereld een dodelijk slachtoffer: Het probleem van in het geniep verborgen explosieven is bijna onoverkoombaar: Over heel de wereld liggen naar schatting zo'n 100 miljoen landmijnen in de grond te wachten op een argeloze prooi. Ze zorgen elk jaar voor 26 duizend doden en ver- minkten. Ook Nederland is niet ontsnapt aan dat probleem. Na 1945 moest datzelfde werk worden gedaan langs de Noordzeestranden. Het relaas van enkele mannen die toen en nu speurden naar de verborgen terreur: 

Het is mede aan Ben Oomen (71) te danken dat wij nu kunnen joggen, surfen, luieren en zonnen op het Noordzeestrand. Na 1945 was dit verboden gebied omdat de Duitsers, ter bescherming tegen een geallieerde invasie, het strand en de vloedlijn hadden gebarricadeerd met mijnenvelden. 
Ben Oomen: 'In 1945 heb ik me als oorlogsvrijwilliger bij de marine aangemeld. Ik volgde m'n opleiding in Noord-Wales. De meesten van ons moesten naar Indië. Maar er waren er ook die net als ik moesten achterblijven. Wij werden in 1946 overgeplaatst naar de MOD (Mijnen Opruim Dienst) in IJmuiden. We moesten samenwerken met Duitse krijgsgevangenen, die trouwens ook niet wisten waar de mijnen lagen. Ze moesten de rotklussen uitvoeren: schoon- maken, zware spullen sjouwen. In het begin hebben ze er wel eens Duitsers bij gehaald om een mijn te demonteren. Ze dachten: liever een Duitser de lucht in dan ik. Maar dat was voor mijn tijd. 

We kregen overigens nauwelijks een opleiding. Je moest het je maar zo'n beetje zelf aan- leren. In de vloedlijn en branding moest je Cathy-mijnen opruimen. Dat waren blokken beton gevuld met explosieven die op driepoten stonden en bedoeld waren om geallieerde landings- boten op te blazen. Met vrachtwagens gingen. we naar een bepaald gebied. Daar lagen rubberboten klaar, die werden opgeladen en naar het strand gebracht. Met de rubberboten roeiden we door de branding. Dat deden we tot zo'n windkracht vijf of zes. We sloegen ook wel eens om; In twee rubberboten met daartussen een verzwaarde lijn met stukken omgebo- gen betonijzer, voeren we naar zo'n Cathy-mijn. We legden de lijn achter de mijn, kruisten een paar keer heen en weer en plaatsten een boei om ze te markeren. 


In de MOD-truck op weg naar het strand. Ben Oomen tweede van links.

's Middags gingen we terug om de Cathy-mijnen met springstof op te blazen. Dat waren flinke ontploffingen waarbij je een meters hoge waterzuil zag. Toch nog wel gevaarlijk! Want er gingen blokken beton met ijzer de lucht in. Bij het opblazen gingen we altijd op de zijkant van het bootje zitten. Als er zo'n brokstuk te dichtbij kwam, lieten we ons in het water vallen. Als zo'n stuk op het water terechtkomt, is het z'n kracht kwijt, he? Er is gelukkig nooit iets ernstigs gebeurd. Het was wel elke keer een sensatie om zo'n mijn op te blazen. Krachtig werk! Veel gevaarlijker was het demonteren. Maar dat heb ik nooit gedaan. 

Tegen jongens van een demonteerploeg werd altijd verteld: "Of je nou de honderdste of de tiende mijn de- monteert, beschouw hem altijd als je eerste." We hadden trouwens allemaal gevarengeld. Ik kan me maar één incident herinneren met een slachtoffer; Een paar jongens hadden een op het strand gevonden zeemijn, zo'n ronde met van die voelhoorns, in een vrachtwagen gela-den en reden er mee over het strand naar Den Helder. Ze zijn met de vrachtwagen met de zeemijn erin op een landmijn gereden. Van de vier inzittenden had er eentje een gebroken been. Verder had niemand wat! 

Aangespoelde zeemijnen met een anker eraan (tegen schepen bedoeld) hebben we ook wel op het strand of in een Duitse bunker laten springen. Ook speurden we, als we niet konden varen, landmijnen op het strand op met een detector. Op het strand had je paaltjes. Als er bijvoorbeeld een geallieerde tank het strand op zou rijden en tegen de paal aankwam, zou er een mijn moeten ontploffen. Die dingen lieten we ook springen. In september 1948 is het MOD-werk langs het strand gestopt en konden er weer badgasten komen, aldus Oomen.


Links: Het einde van een Duitse mijn voor de Hollandse kust - Rechts: Mijnenruimers nemen de branding.

Oud-MOD'er ing.J.Ph. Broer uit Den Haag verteld: "Door de commandant van de MOD werd een tiental officieren aangewezen voor een spoedcursus mijnen en explosieven. Het strand werd verdeeld in stukken (party's) die door dertig marinemensen en manschappen per partij opgeruimd moesten worden.' Broer noemt de MOD 'de vergeten marine'. Hij is zeer trots op de mannen die deze enorme klus hebben geklaard. 
'Droefheid voel ik om degenen die het met hun leven of verminkingen hebben moeten beko- pen. Mijn dankbaarheid geldt ook de Duitse officieren die ons hielpen met gevaar voor eigen leven (de vijand werd vriend) en de Belgische leergierige officieren die stage bij ons liepen. In 1949 werden strand en duinen over de hele linie vrijgegeven en "veilig" verklaard,' aldus Broer.

Bronnen: G.van Koot, Ab Hulleman, Trivizier, opmaat en Alle Hens.