De Mijnen Opruimings Dienst de Koninklijke Marine

MIJNENJAGERS OP HET LAND - TWEEDE DEEL

Mijn naam stond er niet op ...

Vlak na de Tweede Wereldoorlog was de Mijnenopruimingsdienst, zoals de Mijnendienst toen heette van de Koninklijke Marine belast met het mijnenvrij maken van de belangrijkste aanvoerroutes naar de havens. Toen dat gebeurd was kon het deel van de Noordzee dat Nederland mijnenvrij moest maken onder handen wor- den genomen. Tot in de jaren ' 60 heeft de Koninklijke Marine systematisch mijnen uit de oorlog ge- veegd. In de duinen, op het strand en dicht onder de kust lagen ook uitgestrekte mijnenvelden. Een van de mensen die deel uit maakten van de ' partijen' die deze klus vlak na de oorlog onder handen namen, was ons lid Gerrit van Koot.

Gerrit van Koot woont tegenwoordig met zijn vrouw in bejaardenflat Duivenvoorde in Leid- schendam. Hij is bijna 80 jaar en verkeert nog in goede gezondheid. Van Koot werkte als 'kort-verbander' van juni 1945 tot juli 1947 ("voor een karig loon en f 2,10 gevarengeld per dag") bij de Mijnenopruimdienst van de Koninklijke Marine. In 1949 keerde hij terug bij de marine. Tot 1953 werkte hij als militair werkman in de munitiebunker Vianda I in Hoek van Holland (demontage granaten) en vervolgens op de Marinekazerne in Amsterdam, in 'Flat Dennen- hove' te Den Haag en op de Frederikkazerne. In 1977 heeft hij de dienst verlaten. Omdat de redactie van de Trivizier heeft besloten om in dit nummer aandacht te besteden aan het bijna negentigjarige bestaan van de Mijnendienst van de Koninklijke Marine ben ik op bezoek gegaan bij deze veteraan in het werk dat tegenwoordig door de duik- en demonteergroep wordt gedaan. 

"Het was gevaarlijk werk", herinnert Gerrit van Koot zich. Zijn vrouw valt hem bij: "Ik heb vaak in de rats gezeten". Van Koot: "We stonden er zelf eigenlijk nauwelijks bij stil. Als we aan het eind van de dag weer een stuk of dertig mijnen uit de duinen of uit het strand hadden gespit en ze lagen bij elkaar op een stapel dan zeiden we: 'Kijk, onze namen staan er niet op, dus het is weer goed gegaan'. Maar het heeft mij verbaasd dat er niet meer ongelukken zijn gebeurd. 

Ik weet nog dat op een dag mijn maat Martien Heijligers van de duinen bij de Wassenaarse slag naar beneden gleed en daaronder aangekomen een gebooby-trapte mijn tot ontploffing bracht. Hij werd meters de lucht in geslingerd. Wonder boven wonder miste hij alleen maar twee tanden." Het onschadelijk maken van mijnen en booby-traps op de kust heeft inderdaad de meeste dienstslachtoffers geŽist in de eerste jaren na de oorlog. 

Op 10 september 1945 kwamen vijf (of tien, de bronnen zijn niet duidelijk over dit incident) marine-mensen om het leven bij het onschadelijk maken van een contactmijn op het wad bij Paessens (Friesland). Op 27 juni 1946 kwamen vijf mensen van 'partij 3008' om het leven bij Velsen. "Dat waren mensen van mijn partij", vertelt Van Koot. "'s Morgens werden we in ploegen verdeeld. Ik moest zelf met een ploeg naar Egmond aan Zee. Mijn slapie Wim van der Geest was de laatste die werd aangewezen voor de ploeg die naar Velsen moest. Wim was een jonge vent nog, hij was geloof ik 21 jaar. In een weiland in de buurt van de sluizen was een booby-trap gevonden door een boer. Die was er eerst zelf aan gaan sleutelen want na het ongeluk hebben ze gereedschap van hem gevonden in de buurt. 

De boer zelf is er trouwens ook bij om het leven gekomen. Er was ook een officier bij, LTZ 2 Schriel. Hij had mij de dag ervoor nog uit het water getrokken toen ik onder het werk over- boord was geslagen." De rest van de ploeg was 'reserve-personee!' met een tijdelijk verband. Mensen zoals Van Koot zelf die zich meteen na de bevrijding hadden gemeld voor het oprui- men van mijnen in de havens. "Van der Geest kwam uit Heino. Er waren trouwens veel men- sen uit het Oosten en vooral uit de Achterhoek van de partij. 

Ik ben bij de begrafenis van Van der Geest geweest. Ik weet nog dat zijn ouders het er heel moeilijk mee hadden. Zelf zijn we na een week of twee weer aan de slag gegaan. 
We stonden er niet al te lang bij stil. Tegenwoordig gaat dat gelukkig anders." Na het ruimen van duinen en strand kwam een kuststrook aan de beurt van een paar mijl breed. "Tot een diepte van ongeveer zes meter konden de grote zeevegers hun werk doen. Van zes meter tot het branding-gebied moesten wij het doen in onze rubberboten. Die waren ongeveer zo groot als een Zodiac. Tussen twee van die boten werd een koord gehangen. Het touw werd verzwaard met stenen en dat trokken we dan tussen ons in. We hadden geen motor dus we roeiden. Er mocht niet te veel wind staan en we stopten bij opkomend tij. 

Zo speurden wij vooral zogenaamde 'keetie'-mijnen op, een anti-invasiemijn. Als we er een tegenkwamen dan draaiden we er met de boot om heen. Zo maakten we er een lus aan en konden we de mijn markeren met een boei. Bij laag water ging er dan een duiker naar bene- den om er een springlading bij te leggen. Die duikers waren Duitse krijgsgevangenen. Op deze nianier veegden we zo'n acht van die mijnen op een dag." 

Een interessant detail dat Van Koot vermeld is de inzet van mensen van de Mijnendienst in de kolenmijnen in Limburg. "Er zijn een hele hoop marinemensen die niet geloven dat onze partijen (in totaal ongeveer 50 man) in de winter van 1947 in de Limburgse mijnen hebben gewerkt. Dat vonden we pas echt gevaarlijk, dat werk daar diep onder de grond! Maar het was begin' 47 zo koud dat we langs de kust toch niets konden doen. Toen zijn we met zijn allen naar de Oranje Nassaumijn in Brunssum gegaan." Je zou dus kunnen stellen dat het woord 'Mijnendienst' een dubbele betekenis heeft.

door Henry Lansink

KOLENSLAG FEBRUARI 1947 
Daar er in januari en februari 1947 niet naar kathiemijnen gevist en andere munitie gezocht kon worden i.v.m. strenge vorst heeft de Comm. Ltz. 2 Ch.A.Brugma het voorelkaar gekregen dat er aan de kolenslag, zoals dat toen heette, deelgenomen kon worden en wel gedurende veertien dagen. 

Hiervoor hadden zich vrijwillig 40 man opgegeven. Voor deze ploeg was er bij de NS een rijtuig gereserveerd die ons rechtstreeks naar Sittard bracht alwaar we verder met bussen naar Brunssum werden vervoerd. Bij aankomst werd de hele ploeg, inclusief drie vertegen- woordigers der mijn, op de gevoelige plaat vastgelegd voor het kantoor der mijn "Oranje Nassau IV. 

Even buiten Brunssum werden we ingekwartierd in een logementsbarak aan de Venweg, Deze barak was voorzien van slaap- en eetgelegenheid. In de slaapvertrekken stonden stapelbedden waarvan de matras- en kussenhoezen door ons gevuld diende te worden met stro. Echt ouderwets dus maar het sliep goed. De eetzaal was voorzien van een lange bakstafel.  

De werkzaamheden duurde van 15 febr. tiro 26 febr. 1947. Onder leiding daalden we af naar, naar ik meen, 800 meter en via hoofdgang per treintje naar de pijler waar we te werk gesteld werden onder leiding van een ervaren mijnwerker, in ploegen van drie of vier man. Onze taak bestond uit het door de mijnwerkers uit het kolenfront gehakte steenkool in de schudgoot te scheppen en wanneer het kolenfront pakweg weer een meter opgeschoven was behulpzaam te zijn bij het plaatsen van stempels om het instorten van het dak te voorkomen. Pijlerhoogte waar wij werkzaam waren was ongeveer 1,50 mtr. hoog, staan was er dus niet bij. 

Af en toe mochten we ook even hakken met de luchtbeitels maar dat viel echt niet mee als je dat niet gewend was. Na de werkzaamheden (schicht) gingen we in de schudgoot en gleden zo naar een lager gelegen mijngang en met het treintje naar de lift en weer naar bovengronds. Foto bovenkomst eerste werkschicht toont hoe we er uitzagen. In een gemeenschappelijke doucheruimte konden we ons van het kolenstof ontdoen wat in het begin ons niet zo goed afging gezien de rouwranden, die bij velen rond de ogen nog duidelijk te zien waren. 


Mijnenruimers als mijnwerkers

Het was de moeite waard om dit meegemaakt te hebben en de kans gekregen te hebben om een bijdrage te leveren aan het schreeuwend tekort aan steenkool voor Nederland. Zelfs een ploeg van de Landmacht en een ploeg studenten, naar ik meen uit Utrecht, waren van de partij. 
Verder hebben we nog een bezoek gebracht aan het ereveld te "Margraten" Een afscheids- avond hebben we gegeven in ons stamcafť te Brunssum. Hoewel de vasten al enkele dagen aan de gang was hebben we het achter gesloten deuren rustig gevierd. Terug in IJmuiden werden de normale werkzaamheden weer hervat. Voorts bestond de MOD uit een ploeg die tot taak had om de bunkers op de havenhoofden van IJmuiden ze voorzichtig mogelijk te verwijderen om beschadigingen van de pieren te voorkomen.  Enkele malen werden oude diepte bommen tot ontploffing gebracht. Met een landingsvaartuig werden oude mijnen en andere munitie naar een dumpplaats voor IJmuiden gebracht. Bij de M.O.D. IJmuiden werd ook nog een opleiding duiker gegeven waarbij de praktijk ervaring werd opgedaan op de op een mijn gelopen "Van Rensselaar" Belgisch marine personeel kregen ook hier hun opleiding. 

Bronnen: G.van Koot, Ab Hulleman, Trivizier, opmaat en Alle Hens.