De Mijnen Opruimings Dienst de Koninklijke Marine

MIJNENJAGERS OP HET LAND - DERDE DEEL

PIRATEN MET EEN BESCHERMENGEL
Marine-Veteraan Ab Hulleman hielp mee Walcheren mijnenvrij te maken.

 Over de Westerschelde hangt een laag wolkendek, waaruit een druilerig regentje valt. Vanuit de Vlissinger haven zet een veerboot koers naar het Zeeuws-Vlaamse Breskens; aan stuurboord ploegt een loodsvaartuigje schuimend door de golven, op weg naar een uitgaand containerschip. Door de gure wind is de boulevard bijkans verlaten, maar dar dempt het enthousiasme van Ab Hulleman niet. "Je moet hier zomers eens komen"' zegt hij. "Dan barst het hier van de toeristen." Als een volleerde gids wijst hij alle historische punten in het stadsbeeld aan: de vele oude scheeps- anons, de legio standbeelden van zeeheleden, maar ook de stille getuigen van de bezetting. "Kijk, daar heb je een bunker. Vanaf deze steiger lanceerden de Duitsers torpedo's. Om die hoek daar werd destijds de dijk door Britse bommen doorbroken. Dit vormt het monument voor de cammando's." Vlissingen heeft duidelijk zijn hart gestolen, maar bij iemand die hier vlak na de oorlog mijnen ruimde, hoeft dat ook geen verwondering te wekken.

Het is een bekend gegeven dat daders vaak terugkeren naar de plaats van het misdrijf, en dat geldt - in positieve zin - ook voor Hulleman. Sterker nog, hij ging er zelfs wonen. Vooral de boulevard van Vlissingen spreekt hem aan, want van daaruit kun je ondermeer het Arsenaal zien, waar kort na de oorlog het materiaal van zijn eenheid lag opgeslagen. In de buurt bevindt zich ook het Zeehondenwerfje, het startpunt voor de visexpedities naar KŠthy mijnen: sluipmoordenaars die, verankerd in betonnen bakken, voor de kust op geallieerde landingsboten en amfibische voertuigen wachten.

Hulleman hielp er heel wat naar de filisteinen, maar toen hij destijds aan het karwei begon, wist hij van toeten nog blazen. Eťn dag rondhangen op de Mijnenschool in Leiden in afwach-  ting van een plaatsing kun je ook niet echt een goede ondergrond noemen.
Het had overigens niet veel gescheeld of de Apeldoorner, wiens streekaccent nog zo dik is dat je er plakken van kan snijden, was als oorlogsvrijwilliger in Nederlands-IndiŽ belandt. Slechts een afwijking aan zijn linkeroog voorkwam uitzending naar de Tropen.

Wonder boven wonder, vindt hijzelf, werd hij wel goedgekeurd als dienstplichtige en - op eigen verzoek - ingedeeld bij de marine. Die zond hem naar Engeland voor een opleiding als stoker aan boord van een Brits slagschip. Ook toen echter al waren de wegen van het militaire appa- raat ondoorgrondelijk en dus belandde Hulleman bij de Mijnenopruimingsdienst; bestemming Vlissingen.

Voor de leeuwen
"Ik vergeet die treinreis naar Walcheren nooit", zegt hij. "Alles stond onder water en ik dacht: Waar kom ik in vredesnaam terecht? En dan die verwoestingen in Vlissingen! Toch waren ze toen al een dik jaar aan het puin ruimen, kun je nagaan hoe het er in november '44 moet hebben uitgezien."

Hoewel voor de leeuwen geworpen, maakte Hulleman zich geen zorgen over de risico's.

"Ik was negentien, twintig jaar, dan denk je niet over die dingen na. Je deed het gewoon. Ik vormde daar deel van een P(ort) Party, met als taak de havens toegankelijk te maken voor de scheepvaart. Maar we ruimden ook explosieven op het land, met prikstokken als het houten mijnen betrof, en anders met detectoren. Van de oude rotten leerde ik wat ik moest doen. Hoe onervaren sommigen van ons waren, blijkt wel uit het feit dat ik een keer een soort pot opgroef die ik voor een verfspuit versleet. Zegt een sergeant torpedomaker: "O, dat is een van de gevaarlijkste krengen, een S-mijn. Als je daar op trapt, springt-ie een halve meter in de lucht en spat dan uit elkaar". Wist ik veel."

Zou dat incident menige hedendaagse EOD'er al haast een rolberoerte bezorgen, wat te denken van de nonchalante manier waarop de gevonden explosieven werden vervoerd.

"We gooiden die landmijnen en mortiergranaten achter in de truck, klapten de banken neer, gingen daar bovenop zitten en hobbelden dan tegen het duin op. Toch is er in tegenstelling tot andere groepen, bij ons nooit iets misgegaan. Als ik een oude dienstmakker ontmoet, zeggen we nog weleens tegen elkaar: "We hebben een beschermengel gehad."Niet dat we helemaal onbesuisd te werk gingen, want er is ook eens iemand naar huis gestuurd die op eigen houtje wilde experimenteren."

Maaltje vissen
De P-party in Vlissingen bestond uit vrije vogels van diverse pluimage, die elkaar niet alleen allemaal bij de voornaam aanspraken, maar ook een ratjetoe van kleding droegen. Met zijn twintigen zouden zij waarschijnlijk niet ťťn compleet uniform hebben kunnen ophoesten. "Het leek wel een piratenbende", grinnikt Hulleman.

Soms kozen de vrijbuiters ook echt zee met een vloot bestaande uit een motorvlet en twee of drie rubberboten. "We voeren langs de kust, door een lijn met elkaar verbonden. Bleef die vastzitten, dan een knoop erin en, als het wat dieper was, een duik naar beneden. Bleek het een mijn, dan ging daar een stuk trotyl met slaghoedjes tegenaan en vervolgens sjouwden wij met de afvuurkabel op de rug tegen het duin op en lieten de boel van daaruit springen.

Het kwam ook wel voor dat we gewoon een eind uit de buurt voeren en dan de zaak opbliezen. Vervolgens peddelden we als een gek terug om alle dooie vissen te oogsten."

Naast de al genoemde explosieven stond er ook regelmatig een zeemijn op het menu. Die werd eerst keurig van zijn ontsteking ontdaan, waarna Hulleman & Co de springstof eruit haalden. "We staken het met een bos stro in de fik en dat brandde heerlijk weg, geen centje pijn. Een keer ging het echter fout en ontplofte de boel, maar iedereen bleef ongedeerd. Het kleinere spul dumpten we overigens in een gat bij Dishoek en bliezen het daar op."

Lysol en jenever
Naast de marine was ook de Gravendienst van de landmacht actief in Zeeland. "Die lui hadden twee vaste attributen bij zich: een emmer lysol en een fles jenever. Zo af en toe een teug sterke drank gaf hun kracht om die lugubere taak vol te houden. Zij vonden ons werk verschrikkelijk en wij het hunne. Maar we waren wel gehard door de oorlog en als zij lijken opdolven, stonden we daar rustig een chocolade reep bij op te peuzelen.

Een zo'n opgraving vond plaats in de achtertuin van het Belastingkantoor waar wij waren ingekwartierd. Daar lag een hele menigte gesneuvelde Duitsers onder de grond.
Veel later sprak ik iemand van het Rode Kruis, die me vertelde dat dit destijds het enige droge stukje Vlissingen was en dat ze hen daarom op die plek hadden begraven. "Ik heb me altijd afgevraagd wat er van hen geworden was', zie hij. Nou, dat kon ik hem vertellen."

Verschil in beloning
Voor hun verrichtingen op Walcheren kregen de mijnenruimers een gevarengeld van zegge en schrijve drie gulden tachtig. En niet vergeten, aan het einde van hun periode daar, een dagor- der waarin waardering werd uitgesproken voor hun inzet. "Een paar jaar na mijn vertrek uit de marine, las ik in de krant dat aan de commandant van Mijnopruimingsdienst een onderscheiding was verleend voo bewezen diensten. Daar konden wij naar fluiten.
Kijk, voor ons hoefde dat ook niet zo nodig, maar het stak me dat een man die altijd op kantoor had gezeten een lintje ontving."

Ondanks de lichte irritatie over het verschil in beloning heeft Hulleman de bewuste dagoorder altijd als een kostbaar kleinood met zich gedragen, reden waarom ze er nu als een vodje uitziet.
Later leverde die tevredenheidsbetuiging hem nog profeit op toen hij na zijn pensionering bij Unilever naar Vlissingen wilde verhuizen.
Dat leek eerst niet te lukken.
Daarom stuurde ik een kopie van de dagoorder naar de woningbouwvereniging, met daarbij een kanttekening. "Ik heb hier alle ellende meegemaakt, nu wil ik er in mijn laatste levensjaren nog de vruchten van plukken."
Per kerende post kreeg ik bericht dat er een huis voor ons beschikbaar was!".

Kleefmijnen
Na Walcheren zou Hulleman aanvankelijk alsnog naar IndiŽ worden uitgezonden, maar uiteindelijk kwam hij in '47 als stoker aan boord van Hr. Ms. Soemba, een voormalige kanonneerboot die gedurende de Tweede Wereldoorlog samen met de Flores haar sporen had verdiend, dich nu als radarinstructieschip dienst deed.
Dat duurde alles bij elkaar zo'n drie, vier maanden en in die periode ben ik nog bijna verzopen.

Dat ging zo. Bij de inhuldiging van koningin Juliana lag de Soemba geÔllumineerd en gepavoiseerd op het IJ. Een mooie gelegenheid om in Amsterdam te passagieren en tijdens zo'n avondje sloeg ik met nog een stel lui de nodige pijpjes bier naar binnen. Toen de sloep bij terugkeer de statietrap naderde, klonk het "Spring naar de wal". Daar bedoelde ze het lijntje mee, maar ik dook met mijn zatte kop in het IJ. daar hebben ze me aan mijn kraag uit getrokken."

Via de Soemba keerde Hulleman weer terug bij de Mijnopruimingsdienst. Dit keer als lid van de P-party in Hoek van Holland. "Van daaruit moesten we in de Rotterdamse en Amsterdamse havens troepentransportschepen die naar de Oost vertrokken op kleefmijnen controleren. Door alle protesten uit linkse hoek tegen het koloniale beleid, waren ze bang voor sabotage, vandaar. We hesen de duikers in het pak en onderhielden door middel van lijnen contact met hen. Nooit iets gevonden natuurlijk.
Zelf ben ik ook een keer naar beneden gegaan. Ik had er wel geen opleding voor, maar dat kon toen allemaal.
Als er niets te doen viel, lieten ze ons roestplekjes van granaten afschuren die bij bosjes in de bunkers van Hoek van Holland lagen opgeslagen.

Af en toe staken we ook de Nieuwe Waterweg over naar het eiland Rozenburg. Daar waren allerlei havens en raffinaderijen geprojecteerd, de huidige Europoort, en wij moesten eventuele mijnen opruimen. Nou, die troffen we niet aan, maar ganzen des te meer. Onze bootsman, een rauwdouwer, ik vergeet hem nooit meer, nam dan een jachtgeweer en pafte er geregeld een paar uit de lucht. Dat was smullen geblazen."

In het bloed
Hoewel hij in '49 afzwaaide, noemt Hulleman zich nog altijd door en door marineman. En dat valt te merken ook, want waar het hart vol van is, stroomt de mond van over. "Ik raak er niet over uitgepraat", geeft hij direct toe. "Mijn zoons zijn alle drie beroepsmilitair geweest, ieder bij een ander krijgsmachtdeel, en die hoor je daar zelden over. Degene die bij de marine zat, had er na zes jaar vrijwel constant varen, zelfs flink de balen van. Ik vond het echter de mooiste periode in mijn leven."

Maar als hij het zo positief heeft beleefd, waarom dan niet in dienst gebleven?
"Goeie vraag", zegt hij. "Ik liet me opjuinen door mijn maats: "Die troep ga ik uit, daar wil ik niet meer bij horen."Dus kon ik niet achterblijven. Nou daar heb ik spijt van gehad, zo'n spijt!
Begrijp me goed, Unielever was een prima baas, maar de marine zit me in het bloed en gaat er niet meer uit.

Bron: Alle Hens


DAGORDER

Bij de opheffing van de Mijnenopruimingsdienst der Koninklijke Marine in Nederland, richt ik mij tot allen die onder mijn bevel bij deze Organisatie hebben gediend.

In Februari 1945 is de Mijnenopruimingsdienst met haar werkzaamheden op eigen bodem aangevangen. De taken waren reeds van het begin af van een zeer bijzondere aard, namelijk: het openen en bereikbaar maken van de havens in Nederland, het opgang brengen van het scheepvaartverkeer op de binnenwateren en het spoorweg- en autoverkeer .
Met voldoening mag worden vastgesteld dat deze taken met succes zijn uitgevoerd en dat de Koninklijke Marine een belangrijke bijdrage heeft geleverd voor het openen van het verkeer op het land en op het water, een noodzakelijkheid voor het lenigen van de nood in Nederland.
Ik noem slechts het opruimen van de talloze mijnen en het lichten van gezonken schepen en vernielde kranen en het vrijmaken van de vaarwegen en het verwijderen van bommen, en mijnen en andere explosieve ladingen onder alle bruggen sluizen en het veilig maken van alle stranden en het zoeken en lichten van vliegtuigwrakken in het Ijselmeer.
De arbeid is nu grotendeels beeindigd, wat ervan is overgebleven zal nu worden verricht door een kern uitgetrokken uit de M.O.D. en ondergebracht bij de opgerichte Mijnendienst.

Ik heb het volste vertrouwen, dat deze ploegen hun taken op dezelfde wijze zullen afhandelen als het geschied is door de nu op te heffen M.O.D.
De traditie door de Koninklijke Marine door de gehele oorlog heen is hoog gehouden door de Mijnenopruimingsdienst en gedurende haar bestaan op dit peil gehandhaaft. Zij kan het best vergeleken worden met een varend schip in oorlogstijd, gekenmerkt door grote arbeidspres- taties, ongeacht werktijd, doeltreffende specialisatie van een ieder op een bepaalde post en het vrijwillig tegemoet treden van gevaar .
Evenals op een varend schip in oorlogstijd heerste er een goede stemming omdat er een bepaald doel voor ogen stond, een goed onderling begrip tussen meerdere en minderen, omdat allen het in het algemeen te druk hadden om een kans te krijgen zich aan slechts onbelangrijke kleinigheden te storen.
Een belangrijke winstpost op de balans van de Mijnopruimingsdienst over de jaren 1945- 46-47 is een post waarook de gehele Koninklijke Marine mee gebaat is, namelijk het goede contact hetgeen bestond tussen burgeroverheden en instanties, scheepvaartkringen en particulieren, waardoor in hoge mate een good-will is gekweekt.
Dat deze stemming inderdaad geschapen is, is gebleken uit het feit, dat Rijkswaterstaat Havenmeesters en Polderbesturen, met enige bezorgheid kennis hebben genomen van opheffing van de Mijnenopruimingsdienst.

Ik dank U allen voor U medewerking bij het volvoeren van de omvangrijke taak, welke de Koninklljk.e Marine was opgedragen.
Met leedwezen en diepe erkentelijkheid gedenk Ik de leden van de Mijnenopruimingsdlenst die gevallen zijn bij de uitvoering van hun taak.
Ik wens U die nu de Koninklijke Marine zullen verlaten een goede plaats in de burgermaat- schappij toe.
Indien U met dezelfde onzelfzuchtigheid en grote plichtsbetrachtlng Uw toekomstige werk wordt verricht dan twijfel Ik er niet aan dat Gij In Uw nieuwe betrekklng geheel tot U recht zult komen.
Ik wens U, die in de Koninklijke Marine blijven dat Gij op succesvolle wijze en met voldoening zult kunnen dienen voor Koningin en Vaderland.

LEVE HARE MAJESTEIT DE KONINGIN

A'dam 23 December 1947                                          
De Schout Bij Nacht
De Commandant Zeemacht Nederland
J.J.L. Willinge

Bronnen: G.van Koot, Ab Hulleman, Trivizier, opmaat en Alle Hens.