Hr.Ms. O 20 gevonden

Bron: Vastwerken

Nederlandse duikers hebben voor de oostkust van Maleisië op 45 meter diepte het wrak gevonden van de onderzeeboot Hr.Ms. O 20.
Deze Nederlandse onderzeeboot is op 19 december 1941 verloren gegaan als gevolg van een gevecht met Japanse onderzeebootjagers. Hierbij lieten zeven bemanningsleden het leven.

Met de vondst is na ruim zestig jaar definitief zekerheid gekregen over de positie van het zeemansgraf van de bemanningsleden.
Op initiatiefvan het Comité Nabestaanden Onderzeeboten, is sinds eind 2001, met ondersteuning van de Koninklijke marine, maritiem historisch onderzoek gepleegd naar de exacte positie waarin Hr.Ms. O 20 op 19 december 1941 is gezonken. Drie maanden geleden is de boot op ongeveer 35 mijl ten noordoosten van Kota Bharu, nabij de oostkust van Maleisië gevonden.

Het Instituut Martitieme Historie en de onderzeedienst der Koninklijke marine hebben, op grond van foto's en geborgen voorwerpen, definitief vastgesteld het het inderdaad Hr.Ms. O 21 betreft. Na deze bevestiging heeft de Koninklijke marine de nabestaanden geïnformeerd.

Uit respect voor de omgekomen bemanningsleden en hun nabestaanden zal het zeemansgraf verder met rust worden gelaten.

Tot zover een bericht wat in de Defensiekrant van 18 juli 2002 werd gepubliceerd. Het is toch wel interessant te weten wat er zo al aan de vernietiging van de O 21 is voorafgegaan en waarmee zij bezig was. Wij sloegen het standaardwerk van Dr. Ph.M. Bosscher er op na en vonden in deel twee van zijn beschrijvingen over de Koninklijke marine in de Tweede Wereldoorlog op pag. 164. de beschrijving van de opdracht welke de twee, door de commandant zeemacht op 12 december ter beschikking van de Commander in Chief, Eastern Fleet
modernste onderzeeboten, namelijk Hr.Ms. O 19 en O 20 had gesteld.

Wij volgen Bosscher:
De O 20 was intussen op 16 december gedirigeerd naar een gebied voor Kora Bharu waar zij op 17 december aankwam. Ter plaatse bleek zeer intensief gepatrouilleerd te worden door Japanse torpedobootjagers en vliegtuigen.
Toen de O 20 in de ochtend van 19 december op periscoopdiepte voer werd zij door vliegtuigen met bommen aangevallen. De commandant liet toen zo diep mogelijk duiken. Na een half uur kwam de boot opnieuw op persicoopdiepte. Toen werden ongeveer 400 m achteruit twee zigzaggende jagers waargenomen, wat aanleiding was om de O 20 wederom op de grond te leggen. 

Tijdens het uitvoeren van deze manoeuvre kwam de eerste dieptebomaanval. Vervolgens werden nog ongeveer zes maal dieptebommen geworpen. Hoewel daarbij éénmaal zware explosies boven de boot werden waargenomen kreeg de O 20 slechts lichte schade; wel is vermoedelijk een brandstoftank gaan lekken waardoor de belagers zich konden oriënteren op een oliespoor. In ieder geval gelukte het vooralsnog
niet hen kwijt te raken hoewel alle geruis veroorzakende apparatuur was stilgezet en bij herhaling onder water werd verstoomd.

Vanaf omstreeks 18.00 uur werd het geluid van schroefgeruis in de hydrofoons evenwel steeds zwakker om uiteindelijk geheel te verdwijnen.
Kort na 20 uur werd gerezen en leeggemaakt voor een poging om definitief uit de val te komen. Zo snel mogelijk werden de dieselmotoren op vol vermogen gebracht zodat 19 mijl vaart kon worden gelopen.

Het kanon werd bemand. Boeg- en hekbuizen waren vuurgereed. Na ongeveer één kwartier was de boot weer goed doorgeventileerd; de batterij was echter nog voor ongeveer 90 procent ontladen.
Enkele minuten later werd de O 21 beschenen door het zoeklicht van een Japansejager die kort daarop het vuur opende; wellicht was de boot verraden door vonken uit een defecte afvoergassenpijp. 
Een uit bakboords-hekbuis afgevuurde torpedo miste de aanvaller. Diens vuur lag niet slecht maar veroorzaakte geen directe treffers. 

Het is met tenminste één kanonschot beantwoord.
De commandant schijnt vrij snel tot de conclusie te zijn gekomen dat ontsnappen onmogelijk was. Hij gaf toen de order 'boot laten zinken' die uitgevoerd werd door achtereenvolgens, met korte tussenpozen, zes hoofdtanks te vullen. Dit werd gedaan door het Hoofd Machinekamer; hij en de roerganger waren de laatsten die, na zich van zogenaamde Draegervesten te hebben voorzien, de boot verlieten en zich te water begaven.

Omstreeks 23 uur werd onder de drenkelingen appel gehouden waarbij de commandant en zes anderen bleken te mankeren. Zij kunnen het slachtoffer zijn geworden van de dieptebommen die de Japanse jager geworpen had vrijwel op het moment dat de O 20 voor het laatst onder water verdween, kennelijk omdat men op de jager veronderstelde dat een normale duikmanoeuvre werd uitgevoerd.
De overige bemanningsleden van de O 20 zijn in de vroege morgen van 20 december opgepikt door de Japanse torpedobootjager Uranami die hen naar Saigon bracht.

Twee officieren wisten op 28 januari 1942 via een riool weg te komen uit het Japanse krijgsgevangenenkamp in Rong Kong waar zij toen opgesloten zaten. Met behulp van Japanners vijandig gezinde chinezen wisten zij Colombo te bereiken waar zij zich op 18 april bij admiraal Relfrich meldden.