Een torpedobootjager als mijnenveger?

Chris Mark - Bewerkte overname uit Alle Hens van juli 1948.

Meno is een heel klein eilandje in de buurt van Lombok. Ondanks dat het zo klein is, is het toch zeer belangrijk, want de bevolking van Lombok haalt er haar zout vandaan in kleine vissersprauwen. Er zijn talloze pannen op het eilandje aanwezig en er wordt zoveel zout
gewonnen, dat men zelfs in bescheiden mate kan exporteren. Meno is niet bewoond, waarschijnlijk omdat het er te zoutig is.

Begin 1948 kreeg de inspecteur van politie te Ampenan (Lombok) bezoek van enkele mensen, die vertelden, dat er een "groot rond ding met horens" op het eiland Meno was aangespoeld. Drijvende, vlak voor het eiland, was het geval aangetroffen. 
Doodleuk waren de vinders er op gaan zitten, om het "ding met horens" vervolgens naar het strand te peddelen.

De inspecteur begreep terstond dat het een mijn was en hij vertelde de mensen aan wat voor groot gevaar zij ontsnapt waren. Hij drukte hen vooral op het hart, niet aan dat "ding" te komen, want een aanraking hiervan, zou een ontploffing kunnen veroorzaken. Verder verwittigde hij terstond de betreffende autoriteiten.

De commandant van de torpedobootjager Hr.Ms. Tjerk Hiddes kreeg opdracht om de mijn onschadelijk te maken. Natuurlijk ging er enige tijd overheen voordat het zover was en onder de vissers van Meno deed op het laatst het hardnekkige gerucht de ronde, dat het "ding",
dat op Meno aangespoeld was, goud en zilver bevatte. De Hollanders wilden niet, dat er iemand aankwam, omdat zij de kostbare metalen zelf wilden hebben. Gelukkig is niemand zo flink geweest om het gerucht aan de werkelijkheid te toetsen...!

Aan boord van de Tjerk Hiddes was men wel aan vreemde opdrachten gewend geraakt, maar mijnen hadden ze nog nooit opgeruimd. Het schip stoomde dus op naar Meno, waar in de loop van de middag het anker in de grond viel. De toebereidselen voor het opruimen waren
reeds in orde gemaakt en men zou direct aan de slag kunnen gaan, als... men de mijn maar had gezien, want op het eilandje aangekomen, was er geen spoor van te ontdekken.

Een half uur later vond men met de hulp van enige vissers het gevaarlijke monster, verscholen achter een paar bomen. Het projectiel was blijkbaar reeds geruime tijd onder water geweest, daar het geheel begroeid was met schelpen. Van demonteren was geen sprake, want daar- voor zou men de schelpen moeten verwijderen en die bleken bij nadere beschouwing wel een beetje al te vast te zitten.

Nu zat men met de gebakken peren. Een lange tros bracht echter uitkomst. Het ene eind werd aan een mijn bevestigd en het andere einde aan de sloep. De sloep voer daarna weg en zorgvuldig werd de tros bijgevierd. Iedereen die op het strand nog achtergebleven was bleef uit de buurt, want tenslotte, je kunt nooit weten wanneer zo'n ding wil gaan ontploffen.
Het werpanker in de sloep was ondertussen uitgebracht en toen maar zachtjesaan trekken.

Tevoren waren reeds alle mogelijke obstakels uit de weg geruimd en niets belette de mijn dus om te water te gaan. Om de een of andere reden scheen het projectiel een beetje watervrees te hebben, want hoe men ook trok, er was geen beweging in te krijgen. Eerst nadat de sloep verschillende malen verhaald was, was enig resultaat merkbaar. Het zou echter nog menig zweetdruppeltje kosten voordat de mijn geheel te water was.
Eindelijk was het dan zover en opgewekt ging men terug. De commandant commandeerde
zelf de sloep. Iedereen was blij dat het er tot zover opzat, ofschoon men nog niet geheel klaar was. Het voorwerp waar alle drukte om begonnen was, dobberde nog steeds achter de sloep aan.

Langszij de Tjerk werd de tros aan boord afgegeven, de sloepen gingen onder de sloepstakels om gehesen te worden. Vervolgens stoomde het schip langzaam naar open zee, waar de mijn werd losgemaakt en met een paar goed gerichte schoten tot zinken werd gebracht.

De bewoners van Lombok konden met gerust hart hun zout weer gaan halen. En van het peddelen op een drijvende mijn waren de Lombokkers nu wel genezen. En met dit verhaal bewees de torpedobootjager weer eens een "Maid for all work" te zijn, dus ook als mijnenveger.