"Verloren Vliegers"  in Australisch binnenland. Deel: 2

Per kano naar de beschaving.

Van het moment af, dat onze wankele rubberbootjes te water gingen, was het me duidelijk, dat de uitvoering van mijn plan niet eenvoudig zou zijn. De stroom in de beek had een snelheid van zeker 8 Km. per uur; er bevonden zich boven en onder water talrijke obstakels en we konden er dus op rekenen, dat de boten veel te verduren zouden krijgen. Vooral in de smalle beek, was het een kwestie van manoeuvreren langs .overhangende takken, onverwachte bochten en plotselinge  versperringen.

Mij interesseerde in het bijzonder de richting  welke de beek zou blijken uit te gaan; het was slechts een veronderstelling dat zij behoorde tot het stroomgebied van de Katherine-rivier. Maar het kompas toonde aan, dat de algemene tendens  zeker Z.W. was, wat met de verwachting klopte.
Na anderhalf uur drijven en peddelen mondde onze beek uit in een brede rivier die eveneens vrij snel stroomde. Het werd een pleziertochtje. We zetten een tentje op, en probeerden het water dat goed drinkbaar bleek.

Beschermd tegen de hitte en tegen de dorst lieten we ons voortdrijven waarbij ik scherp bleef uitkijken, of de bergen, die ik verwachtte, in zicht kwamen.
Op een gegeven moment zag ik voor ons in het water twee oogjes in een geelbruin eilandje, het dreef voor ons uit, maar we haalden het langzaam in. Een machtige, stok-oude krokodil had in de misschien wel honderd jaar van zijn leven nog nooit zoiets gezien als thans achter hem aandreef. Ik waarschuwde van Rhoon, die zijn stengun nam, om niet te schieten, voor we zo dichtbij waren dat we zeker konden zijn, hem te doden. Ik was bang, dat hij, indien we hem alleen maar aanschoten, met zijn geweldige staart zou trachten ons te vermorzelen; onze ranke bootjes waren een.lichte prooi.

Op een paar meter afstand genaderd, lostte van Rhoon een salvo; geweldige beweging in het water, een kolk en daarna was er niets meer te zien. We namen aan, dat hij op de bodem van de rivier de geest ging geven. Om drie uur 's middags kregen we na een bocht in de rivier de eerste heuvels in zicht. De rivier werd thans veel smaller; we hoorden geruis van water en zagen op enige afstand van ons uit rotspunten uit het water steken.
Ik  besloot, naar de oever te peddelen en voor we verder gingen, de situatie te gaan opnemen. We maakten de boten vast en baanden ons langs de kant een weg naar het punt, waar we het geruis hadden gehoord. Het bleek geen waterval te zijn, maar een stroom- versnelling Met een vaart van 20 Km. schoot het water langs de rotsen en overhangende bossages. Het leek me echter, dat we het er op konden wagen, al vereiste de doortocht
enige behendigheid.

We gingen weer aan boord en zetten af; ik zat met van Rhoon in de voorste boot. Houwniet en Barnard volgden in de tweede. In een minimum van tijd werden we door de stroom gegrepen; het manoeuvreren met de peddels werd een kwestie van seconden, we draaiden om onze as en passeerden rakelings de uitstekende rotspunten, schuim en water spatten overal om ons op, zodat we vrijwel vol sloegen, maar we bleven drijven. Het moeilijkste gedeelte van het karwei hadden we echter niet voorzien, dat kwam pas, toen we de eigenlijke stroomversnelling waren gepasseerd.
Ik zei al, dat de rivieren in Australië eigenlijk alleen in de regentijd bestaan, hun loop is dan zeer willekeurig en zo zag ik tot mijn schrik, dat het eerstvolgende traject na de versnelling, waarin het water nog een grote vaart had, dwars door een bos ging. Uit alle macht moesten we probeeren de bomen te ontwijken; het was een enorme inspanning.

Toen ik een kreet hoorde en een moment omkeek, zag ik gebeuren, wat ik ook voor ons zelf ieder ogenblik kon vrezen, de tweede boot had een aanvaring en een der opvarenden sloeg over boord. Er was op dat moment geen sprake van hulp verlenen. We moesten voorlopig zelf zien, het vege lijf te bergen en pas een eind verder, toen we buiten het bos kwamen, zagen we kans naar de wal komen.
Van de anderen was niets meer te zien. Ik gaf van Rhoon opdracht om te wachten en besloot zelf langs de oever te lopen, om te zien, wat er van hen terecht was gekomen. We waren kletsnat en ik hield alleen een onderbroekje aan. Over de afstand, die we na ons gevoel in enige minuten hadden afgelegd, deed ik er een uur over om langs de kant terug te gaan. Daar vond ik mijn twee metgezellen, druipnat bijeen zitten, de een die met een boom in aanraking was geweest, leek een beetje versuft. De boot hing op enige afstand dubbel geklapt om een boom.

Aan Houwniet gaf ik opdracht, op zijn gemak  het pad terug te wandelen, wat ik heen- gaande had gebaand en zich bij van Rhoon te voegen. Toen hij vertrokken: was, begaf ik mij met Barnard samen te water, om te zien, of we de dubbel  geklapte boot van de boom los konden krijgen. Via takken en stammen bereikten wij ons rubber vaartuig, dat in zijn tegenwoordige vorm een deerniswekkende aanblik bood.
Ons eerste werk was, er de dingen van waarde uit te halen, een stengun, een emmer, waarin zich een hoeveelheid Amerikaanse sigaretten bevond en een jas van. onze metgezel, die 80 Australische ponden bleek te bevatten.
Een en ander in veiligheid,  zetten we onze schouders tegen de ene helft van de boot, om te proberen deze tegen de stroom in terug te duwen, in de hoop, dat zij daarmee vrij van de boom zou komen. A1 onze krachten spanden we in, maar het water was ons , mede doordat we niet voldoende afzetmogelijkheid hadden, te sterk af.
Daarbij kwam, dat wij en door de spanningen van de laatste dagen en door het feit, dat we sinds onze landing niet veel meer te eten hadden gehad, niet over veel reserve kracht beschikten. Na enig worstelen begrepen we dat we de poging moesten opgeven en onze boot als verloren diende te worden beschouwd.
We zwommen terug naar de kant en besloten ons met de overgebleven bezittingen bij de anderen te voegen.

Om vijf uur in de middag hadden we hen bereikt; de overgebleven boot werd te water gelaten en met zijn vieren en de twee honden erin staken we opnieuw van wal. De tocht had verder, een rustig verloop, maar we dienden uit te zien naar een kampement. Aan de reactie van de dieren langs de oever viel op te merken, dat hier waarschijnlijk .nooit mensen waren geweest. Grote vogels bleven op tien meter afstand van ons zitten; krokodillen lagen lui in de modder. Op het kaartje, dat ik bij me had, stond dan ook aangegeven dat het terrein, waarin we ons meenden te bevinden (zeker van mijn zaak was ik nog steeds niet, al had ik goede hoop),  "inaccessible" was.

Toen we na weer een uur varen geen enkel plekje hadden gevonden, dat zich ook maar enigszins leende voor een bivak, moest een besluit worden genomen, want het begon donker te worden. Het enige wat we in deze omstandigheden konden doen, was de boot aan een  overhangende boomtak vastbinden en dat betekende, de nacht op elkaar gepakt in de kleine ruimte aan boord door- brengen. Eten hadden we niet, van onze sinaasappels die nog over waren, was het dagrantsoen verbruikt.

Het vooruitzicht was, na alle vermoeienissen van de dag niet best. We spanden over de boot een tentzeiltje, teneinde enigszins gevrijwaard te zijn tegen de regen, die begon te vallen.
Ik stelde een wacht in, die met de stengun in de hand moest blijven uitkijken. Met zījn zessen vormden we een behoorlijke voorraad vlees en een klap van een krokodillenstaart zou voldoende zijn, om ons schip te doen kapseizen. In dit opzicht hebben we veel plezier gehad van onze kleine gladakker; hij toonde een grote waakzaamheid, zodra er maar enig gevaar dreigde, begon hij te grommen. Een bedenkelijke omstandigheid  bleek verder,
dat de boot bij het ventiel, waarmee zij vol lucht was geblazen lekte. Om de drie uur moest daarom door de  wacht  gepompt  worden. De drie, die recht op slapen hadden, lagen kop aan staart op de  bodem van de boot; voor de honden was geen plaats en ze moesten boven op ons liggen. Daar het bovendien onder het tentzeiltje vrij benauwd was, waren de honden voortdurend  onrustig.. Ik behoef wel niet te zeggen, dat er op deze wijze van slapen niets kwam. Wij voelden ons uitgeput en wachtten gelaten de dag af.

De tweede dag van onze opmars naar de beschaving verliep zonder belangrijke incidenten. Bij het aanbreken van de dag maakten we ons vaartuig los en dreven verder de rivier af; we voelden ons vermoeid, een enkele sinaasappel gaf ons een idee van eten. Verder dronken we veel uit de rivier; het was zeer warm overdag in het tropische landschap, water waarmee we ons zelf besprenkelden en dat we dronken, was onze enige afleiding.
Maar overigens was de spanning over onze ongewisse tocht, die we met zulke beperkte middelen hadden moeten ondernemen, toch wel zoo groot, dat we eigenlijk noch van vermoeidheid, noch  van de honger veel merkten.

We vorderden en met behoorlijke snelheid; dat was het voornaamste.
We deden voorts een ontdekking, die ons met hoop vervulde; op een gegeven moment passeerden wij paardensporen en bovendien waren het sporen van beslagen paarden, dat betekende alweer, dat de samenleving nabij moest zijn.
Trouwens volgens mijn berekeningen konden we thans niet ver meer van Katherine verwijderd wezen. Later op de dag hoorden we schoten, niet eens zo ver van ons verwijderd.
We concludeerden dus, dat de sporen afkomstig waren van jagers te paard.
We schoten uit alle macht terug, maar niemand hoorde ons blijkbaar. Een ogenblik steeg onze .hoop heel hoog, toen we dicht in de buurt zelfs hoefgetrappel vernamen.
We schreeuwden wat we konden, maar helaas, de afstand was te groot; niemand verwachtte ons natuurlijk hier en de jagers merkten ons niet op.

Een nieuwe emotie stond ons te wachten, toen we in de loop van de middag het geronk van een vliegtuig hoorden. Ik had twee seinspiegels bij me en  klom er mee in een boom. Daar kon ik het vliegtuig waarnemen; het vloog ver weg, op naar schatting 8000 voet. Met behulp van de spiegel poogde ik zijn aandacht te trekken, maar ook dit was vergeefs; na korte tijd verdween het in de nevel.

Een nieuwe nacht zonder andere accomodatie dan de barre grond stond ons te wachten. We bevonden ons thans opnieuw in een zeer moerassig terrein; er was geen sprake van, dat we daar konden kamperen en toen we tijdens de mars een groot vlak rotsblok tegenkwamen, dat uitstak in een riviertje, kozen we dat maar als rustplaats voor de volgende nacht.
We hadden inmiddels nog twee lucifers over; de spanning over het al of niet slagen van ons kampvuur nam dus toe. We waren inmiddels zo uitgeput geraakt, dat als je een tak voor het kampvuur had aangesleept, daarop zeker tien minuten rust moest volgen.
Voor het avondmaal hadden we de achterpootjes van de hond bewaard; hij smaakte na een  dag belangrijk beter. Bovendien konden we opnieuw duidelijk merken, dat het voedsel nieuwe kracht gaf.

Van een ding hadden we op deze plaats nog meer last dan in vorige kampementen. Duizenden vliegen bestookten ons zo lang het dag was; ze kropen je aan alle kanten in  neus en oren. Om er een ogenblik af te zijn, doken we wel eens geheel onder water.  Als je dan na een ogenblik boven  kwam, verkeerden ze inderdaad blijkbaar in de gedachte, dat je verdronken was, maar na een halve minuut had je ze weer om je heen. En als de avond viel,
losten prompt de muskieten de vliegen af.

Einde deel 2.

Bron: "Ik zal handhaven" van mei en juni 1947  april 2000  George J. Visser (IMH)