Verloren Vliegers in Australisch Binnenland Deel: 3

De volgende dag werd de dag van onze definitieve redding. We wisten het niet, maar al heel vroeg gebeurden er weer dingen, die ons moed moesten geven. Terwijl het nog donker was, hoorde ik opnieuw een vliegtuig overkomen; ik zag het niet, maar schatte het op 200 meter hoogte. Opnieuw klom ik ijlings in een boom, toen zag ik zijn lichten. Aan het hoge geluid van de motoren kon ik nagaan, dat het nog maar zeer kort kon zijn opgestegen; bovendien nam ik thans in de richting waar het vandaan kwam, het draailicht van een vliegveld waar. Ik had een seinpatroon over en schoot die af, maar ook ditmaal zonder succes.

Een paar uur later, toen het licht was, kwam er weer een vliegtuig en dat was een veel duidelijker teken van de naderende redding. Dit vliegtuig was kennelijk aan het zoeken, het vloog op even 300 meter en volgde een zigzagkoers, helaas een koers, die van ons af gericht was. Wij wachten eerst een tijd of het misschien terug zou keren, maar toen er na twee uur niets gebeurd was, besloten we maar weer op pad te gaan.
Het eerste dat we nu aantroffen, waren sporen van een kar. We volgden die en kwamen na een half uur aan een pagar van ijzerdraad. Na nog een eind lopen naderden we een open ruimte in het terrein, waar een paar huisjes met bijgebouwen stonden.  Alles bleek verlaten, maar in de tuin troffen we een aantal kostelijke watermeloenen aan. Als wilden vlogen we er op af en beten er gulzig stukken uit. Aan het geheel was te zien, dat er onlangs wel mensen vertoefd moesten hebben. Spatborden en andere onderdelen van auto's wezen op een soort autokerkhof, maar geregeld bewoond was het kennelijk niet. We gingen dus verder en volgden nu een autospoor; dit kwam na enige tijd uit op een werkelijke weg. We liepen die weg af in de richting, waar we vermoedden, dat Katherine lag.

De weg dook enige mijlen verder door een riviertje;  we besloten hier maar eens rustig te gaan baden. Juist stond ik  op het punt een duik te nemen, toen ik autogeronk hoorde en achter ons, uit dezelfde richting vanwaar we gekomen waren  een auto zag  naderen.
Uit de auto stapte een constabel van de Australische politie,  die...  ons aan het zoeken was.
Hij had juist eten  gebracht aan een troep van 50 zogenaamde "Bush"- mannen, die men in linie langs de rivier liet optrekken, om ons op te sporen. Deze Bush-mannen staan bekend om hun buitengewoon scherpe reuk, waardoor zij mensen op naar men zegt, honderd meter afstand kunnen waarnemen.
De constabel was zeer verbaasd ons te zien, want hij kon zich niet voorstellen, dat wij door de linie van "Bush"-mannen ware heengekomen. Hij gaf  te verstaan, dat zij voor deze mislukking een grondige schrobbering verdiend hadden.

Met dat al was hiermede een eind aan het lijden gekomen. We bevonden ons op 7 mijl afstand van Katherine. Hij nam ons in  zijn auto en in een kwartier tijd zaten we in zijn huis achter een grote fles bier. Nooit heeft een glas bier me zo gesmaakt als toen. Ik had hem er zo van om, maar het was als een hemelse drank. Vervolgens kregen we vers brood met boter en eieren. Na de maaltijd hebben we ons geschoren en een bad genomen en daarna kwam een dokter om onze geschonden voeten te behandelen. Toen dat gebeurd was, gingen we naar bed en sliepen. Het doel was bereikt."

Van Niftrik is aan het eind van zijn verhaal; hij zit met zijn pijp te spelen. Nu hij het hele verhaal van de doorgestane ontberingen verteld heeft, staat alles hem scherp voor de geest. Ik heb het in spanning meebeleefd en krabbel mijn laatste aantekeningen.
"En de anderen?" vraag ik nog.
"Die waren net iets eerder in  Katherine, dan wij. Ze zijn er gemakkelijker gekomen. Door een toeval zijn ze ontdekt. Een passagier van een Quantas-toestel zat uit het raampje te kijken. Plotseling zag hij op een open plek, temidden  van de bossen, een vliegtuig liggen.
Hij waarschuwde de piloot; deze vloog er laag overheen en nam drie mensen waar, die op de vleugel stonden te zwaaien . Hij rapporteerde zijn vondst en van Katherine uit heeft men toen een expeditie met paarden en muilezels gezonden, die de vermisten is gaan ophalen.

Zodoende wist men in Katherine, dat wij langs de rivier onderweg  waren."
"Na twee dagen heeft een vliegtuig ons van Katherine naar Sydney teruggebracht. Daar heb ik vier weken gelegenheid gehad om op mijn verhaal te komen. Gisteren ben ik met een kist uit Sydney naar Soerabaja teruggekeerd. Vier vrouwen met babies, vijf kleine meisjes en twee kleine jongens had ik aan boord. Ik moest er niet aan  denken, dat me daarmee dat grapje overkomen was."
De spanning is opgelost; ik heb honger gekregen van dat verhaal zonder voedsel, mijn buurman blijkbaar ook. We gaan aan tafel en terwijl ik hem zo eens aankijk, denk ik bij mezelf: "Je zult, als verantwoordelijk commandant, die dagen toch behoorlijk de tanden op elkaar hebben moeten klemmen, vriend."
Dat is dan ook de reden, waarom  ik het hier uitvoerig heb weergegeven.
Was getekend:  D. K.

Einde 

BRON: "Ik zal handhaven" mei  -  juni 1947  maart  2000   George J. Visser (IMH)