Deel: 7

Wapenstilstand en Pandorra

Wedden dat u vandaag voor het laatst op Target-Nan geschoten heeft", zei een nogal stevig in elkaar zittende adelborst der technische dienst tegen de Officier van Artillerie, wiens naam een schrille, tegenstelling vormt met het gezang dat zijn kanons en mitrailleurs nu al enige maanden produceerden.

"Het is nog deze week afgelopen," zei de Eerste Officier en met het "Knijp" van enige andere longroom-leden sleepte hij zes flessen jenever in de wacht, of liever in de ijskast, netjes voorzien van de naam des rechtmatigen eigenaars.

Maandagavond 27 Juli 1953, om 22.00 gingen de ankerlichten weer aan, wat een vreemde gewaarwording was, terwijl ons fregat, als het meest noordelijke schip van de Task-Group, die belast was met de blokkade van de Westkust van Korea, bijhet eiland Sokto ten anker lag, ongeveer 40 mijl boven de 38ste breedtegraad.

We begonnen onze eerste patrouille bij Sokto (dat was in de "ijstijd"), we verschoten de meeste granaten bij Sokto, we lagen vele patrouilles ten anker bij Sokto en nu werden de vijandelijkheden gesloten met het aanknippen van de ankerlichten en we lagen bij dit eiland, niet meer dan een paar barre, nu groene, bergen en rotsjes, met hier en daar een diepe inham en een strandje.

Goed, de "war was over", we kregen links en rechts bedankjes voor "efficient work and good-fighting", en bezinden ons vervolgens op onze volgende taak, de ontruiming van het eiland Sokto, krachtens de wapenstilstandsovereenkomst te Pan Moen-Yon (de operatie Pandorra en de verassingen die uit de "bus" kwamen waren gelukkig niet van ernstige aard), volgens een plan dat we nagenoeg geheel zelf ontworpen hadden, tijdens de rustige perioden van de vorige patrouilles.

De volgende morgen, zette onze sloep met een kleine "beachparty", bestaande uit twee officieren, een onderofficier, een korporaalseiner voor de verbindingen (RTF) en twee manschappen koers naar de LST beach, teneinde te assisteren, indien nodig bij de evacuatie.

Het hele garnizoen van Sokto was op het strand verzameld, circa 800 man R.O.K. Mariniers, een handvol U.S. Mariniers, jeeps, trucks, dukw's, kanons en een geweldige hoeveelheid mitrailleurs en mortieren in alle soorten en maten en bergen munitie. Dit geheel aangevuld met vrij omvangrijke rijst- en andere victualie voorraden wachtte sinds de vroege morgenuren geduldig op de komst van de LST, die met haar laadcapaciteit van 2100 ton, dit hele zaakje wel aan zou kunnen. Met hoogwater schoof zij ten 09.00 op het, strand en direct hierna begonnen de dukw's vanaf het strand rijdend, door het water varend en vervolgens de LST weer binnenrijdend met het overbrengen van de munitie.

Later, toen het strand bij eb geheel drooggevallen was, fungeerde het bataljon R.O.K. mariniers als een menselijke transportband zonder eind en uren achter elkaar zeulden deze taaie kerels door. Ze waren dan ook goed gediciplineerd en vonden het blijkbaar heel normaal wanneer zij door hun onderofficieren wegens een of ander vergrijp, pal in het gezicht geslagen werden 's Lands wijs, 's lands eer, en een van de matrozen die in een Jappenkamp gezeten had, begreep er alles van.

Om kort te gaan, de Koreanen gingen door, met laden van de, LST 805, onze "beach-party" maakte zich verdienstelijk door met enige dukw's, om het eiland heen te varen en te kijken of verschillende boeien en een oude LST, die al sind jaar en dag hoog op de rotsen zat, vernietigd moesten worden of zonder bezwaar in vreemde handen konden vallen. Men werkte de hele dag, de hele avond en de hele nacht en toen de laatste dukw te water schoof en naar de LST voer, bleef onze "beach-party" eenzaam in de prille ochtend achter op het strand van een eiland, waarop zich geen levende ziel bevond, en waarvan bijna iedere bunker vernietigd was. Een paal stond op het strand met daarop als laatste herinnerin aan de oorspronkelijke bezetting een bord dat in het Engels, Chinees en Koreaans vertelde, dat aan de voet van de paal een trommel met kaarten te vinden was van alle op het eiland aanwezige mijnenvelden.

Toen riep de korporaal seiner de "Maurits" op en vertelde, dat de ontruiming voltooid was, de sloep haalde de "overlevenden" van het eiland af en enige dagen later ging de Johan Maurits" anker op en trok zich met een beetje gemengde gevoelens terug uit de nu Noord-Koreaanse territoriale wateren. Zelfs in dit geval was "partir un peu mourir."

Commander Task-Unit en laatste loodjes

De periode die nu volgde kenmerkte zich voornamelijk door de ietwat zorgelijke trekken op het, gezicht van de commandant, wanneer hij aan dek stapte en zijn vloot bezag.

"Onze" vloot, we waren nu regelmatig Commander van een Task Unit, die ter verdediging van de nog resterende eilanden diende, bestond meestal uit twee of neer R.O.K. mijnevegers (type BYMS), een LST (U.S.N. of R.O.K.) een LSMR (van de U.S.N.) en soms ook nog een R.O.K. Navy patrouille vaartuig (type "Queen"). Overdag lagen ze om ons heen ten anker, 's nachts werden ze door ons naar de diverse "Night stations" gedirigeerd.

Het ging allemaal voortreffelijk, hoogstens wat taal- en victualie moeilijkheden met de uiteraard ietwat primitieve R.O.K.-Navy. Vooral met de U.S.N. schepen was het contact allerplezierigst, we dineerden en kaartten bij elkaar, ruilden films bij elkaar en vaak werden, we terug in Sasebo, die vriendschapsbanden wat nauwer aangehaald. Het leven aan boord was wel veranderd na de wapestilstand, oorlogswacht, gevechtswacht was-t-er niet meer bij, gewoon reewacht lopen, iedere avond een nieuwe film op het halfdek en 's middags sporten aan de wal of souvenirskist timmeren voor moeders.

Wie mompelde daar iets over schaal negen-en-zestig? Inderdaad, de laatste loodjes wogen vrij licht, alleen de dagen en patrouilles gingen wel langzaam voorbij en soms dachten we met een beetje heimwee terug aan de tijd van luchtalarm en "stukbemanning en munitieaanvoer kanon op je posten", toen ging de tijd tenminste wat vlugger, maar de gedachte aan de toestand aan het front en de Hollanders die daar zaten en een paar dagen voor wapenstilstand nog vijf man verloren hadden, verbande snel deze egoïstische gedachtengang.

We hadden wel wat contact met het Korea-detachement Nederland, een oorlogscorespondent, de luitenant Rups, bracht bijna drie weken boord door en zijn gezelschap werd door een ieder op hoge prijs gesteld, verder mochten we nog twee legerpredikanten aan hoord ontvangen en meestal werd dan voor protestante schepelingen een kerkdienst gehouden en soms het Avond maal gevierd. Ook deze bezoeken werden zeer gewaardeeerd en de concurrentie onze Pater aangedaan werd op vreedzame wijze bijgelegd.

Tijdens onze laatste patrouille vloog deze Pater zelfs samen met nog een officier, naar het front, en bracht een paar dagen aan "de lijn" door, en op dee terugweg de arts van het batallon en een luitenant mee terug.

Hongkong, hartelijkheid

De typhoon Rita onderscheidde zich van haar vele voorgangers (Quenie, Ophelia, Mammie) door een grote wispelturigheid en een ongekende heftigheid. De berichten over de plaats en toestand van Rita die drie á vier maal per dag binnenkwamen gaven ons volop gelegenheid haar te "tracen" en scherp op de hoogte te blijven van haar doen en laten. Ons rendez,vous met haar had ten naaste bij de Westkust van Formosa moeten zijn, maar tot ieders grote opluchting ging de pret niet door. We hadden een prachtige overtocht van het patrouilleterrein naar Hongkong, hoopjes zon en kalme zee, en de enige schokkende gebeurtenis was het geschaduwd worden door vliegtuigen van Tsjang Kai Sjek bij Formosa.

Hongkong was heet, het dok was heet, overigens waren we daar door een of andere wulpse weerverandering van ons aller Rita een dag te vroeg ingegaan, maar de Nederlandse kolonie was enorm, dat moet nog maar eens duidelijk gezegd worden.

Het waren zeker niet alleen de officieren die bij de Nederlandse gezinnen op bezoek kwamen, de telefoon in het verbindingsbureau was continu in bedrijf, Mevrouw X wilde graag 3 gasten hebben morgenavond, diner inbegrepen; Mevrouw Y zocht. 4 matrozen die konden bridgen; Mevrouw Z was tot haar grote spijt iedere avond bezet, maar wilde toch graag iets "doen" en vroeg of er 4 mensen 's middags met haar een autotocht om het eiland wilden maken. En zo ging het maar door, voetbal- en waterpolowedstrijden werden georganiseerd en gespeeld, een cabaret- en dansavond samen met leden van de Nederlandse Vereniging werd een groot succes, waar vooral de band en het optreden van geheel nieuwe artisten een belangrijk aandeel aan hadden.

Het mooie zwembad op de Dockyard was na vastwerken het privébad van de "Maurits", want zeker 30 % van de bemanning zwom daar iedere middag rond of zat te zonnebaden en vanaf het terras de vele fraaie flatgebouwen die hoog tegen de bergen opgebouwd waren, te bewonderen.

Iedereen was het er ruim over eens dat Hongkong de mooiste en plezierigste stad in de Far East is met prachtige winkelstraten, prima wegen en overal een schitterend uitzicht. Maar Hongkong was ook duur, na 14 dagen was ons kat verleden tijd en toen officieren en équipage hun afscheidspartys achter de rug hadden, waarbij ijverig getracht werd een kleine tegenprestatie te leveren voor alle ondervonden gastvrijheid, verstoomde het schip naar Stone-Cutters Island om de dieptebommen weer aan boord te nemen, maakte vervolgens als een bijzonder eerbewijs front voor het hoofdkantoor van de R.I.L. om aan onze grote erkentelijkheid voor alle, van deze zijde geboden hartelijkheid uitdrukking te geven en verliet de rede van Hongkong met bestemming Sasebo, dankbaar en voldaan over dit zeer geslaagde bezoek.

Finale, climax en vertrek

Dat was dus Hongkong, voor het laatst, en voor liet laatst stoomden we door de Gele Zee terug naar Sasebo, want inmiddels was het dilemma om-de-West-en-voor-de-kerst-thuis of om-de-Oost-en-een-mooie-trip opgelost en werden de verdiensten van Honolulu en San Francisco en Kerst in de West breed uitgesponnen ...

Na een verblijf te Sasebo van enige uren, waarin olie en films aan boord genomen werden voor de laatste patrouille, gingen we dan voor de laatste maal naar de Westkust van Korea.

Gedurende deze laatste patrouille werden ons alle jobs toegewezen die er nog over waren op de Westkust, we waren Commander Task Unit van beide resterende Task Units en zelfs gedurende enige dagen O.T.C. Westcoast wat in goed Nederlands overgezet zoveel betekent als: de baas van alle U.N.schepen op de Westkust van Korea.

Verder gebeurde er weinig, de R.O.K. Navy had zoals gewoonlijk weer moeilijkheden met hun side-food en freshwater, Amerikanen van leger en vloot waren regelmatig gast aan boord en waagden zich aan bols en rijsttafel en ondertussen was de bescherming van deze Zuid-Koreaanse eilanden tegen communistische infiltratie vast in handen. Tenslotte kwam het grootste momentent waarop we voorgoed anker op gingen, de eilanden Taechong-Do, Paengnyong-Do, Yongyong Do en hoe ze verder heten mogen al het goede toewensten en dat we ze maar nooit meer terug mochten zien en welgemoed om de Zuid langs Machau en Flower Island en langs Quelpart weer terug stoomden naar good-old Sasebo, om de laatste souvenirs te kopen. Hier bleven we nog 10 dagen. waarin links en rechts bij R.N. en U.S.N. breedvoerig afscheid genomen werd, adressen genoteerd werden en de hele slimme jongens hadden bij voorbaat al grandioze ontvangsten in San Francisco en San Diego voor zichzelf georganiseerd.

0p een grootscheepse fare-well party op de bak en kanonbordes 1, waarbij de schipper het record overfluiten leverde, admiraals of schouten bij nacht, dat ging hem allemaal niets aan, de pettengarderobe bij de valreep bezweek bijna onder al het goud, werden vele goede woorden gewijd aan ons adres, we werden er bijna verlegen onder.

De volgende morgen inspectie en toespraak van de Admiraal, onze hoogste chef, alles stond piekfijn opgepoetst en gekleed aangetreden en in zijn toespraak tijdens een alle hens op de bak, sprak de admiraal zijn voldoening uit over het feit dat ons schip hem nooit enige reden tot zorg gegeven had, dat we al onze taken op zeer efficiente wijze uitgevoerd hadden en hij zeide er trots op te zijn "such a fine ship" onder zijn commando gehad te mogenhebben. Dit compliment kon de Koninklijke Marine voorlopig weer in z'n zak steken.

s Middags vertrokken we, iedereen op één gelid aangetreden langs de gehele brede zijde en op ieder Engels oorlogsschip waar we langs voeren, waaronder een carrier en een kruiser, stond de gehele bemanning aangetreden op de bak, werden de mutsen afgenomen en klonk steeds weer een daverend ,,three cheers for Her Majesty's Ship Johan Maurits van Nassau" over het water. Ook bij ons was het dan mutsen af geblazen en schalden na het front maken luide "Hoezee's ten antwoord.

Het was een indrukwekkend afscheid en het was zonder meer duidelijk dat de samenwerking met de andere Navy's niets te wensen had overgelaten en de NATO zich van zijn beste kant had laten zien.

"Scheiden doet lijden" en om dit lijden wat te verzachten zetten we koers naar het Japanse stadje Beppu aan de N.O. kant van het eiland Kyushu om weer wat op verhaal te komen.