De reis naar Klamono

door: Piet de Raad

 Toen ik een paar weken in Sorong was werd ik uitgenodigd door Jan Hannema om met hem mee naar Klamono te gaan.

Klamono is een olieveld in het binnenland en is door ons te bereiken over een zand-asfaltweg en gelukkig hoefden we dat niet lopend te doen maar hadden we de beschikking over een motor, een echte BMW, die Jan kon lenen van een Chinees.
Dat heb je dan voor als je er al wat langer bent en een beetje van de taal kent.
Jan zegt dat hij iets voor die chinees gedaan heeft en dat de motor niets kost. 

Dus op een zondagmorgen, lekker op tijd, het binnenland in met het idee dat als er iets te koop is of wat te zien is dat we dat wel gaan doen. 

Zoveel mogelijk zien is ons motto en bij de eerste woning stoppen wij dan ook al , gewoon uit nieuwsgierigheid, en we zien al direct een aantal vogels zitten, een soort papagaaien en ook een soort beo. Ze zitten aan een soort kettinkje gewoon op een stok en de meeste zijn al redelijk mak

Wij zijn ook bezienswaardigheden want binnen de kortste keren zijn wij omringd door grote en kleine Papoea’s en er wordt heel wat afgekakeld. Deze mensen hebben al heel vaak blanken gezien, want ze wonen aan de weg, maar blanken die contact zoeken zoals wij, dat is nog wel vreemd.De vogels zijn niet interessant en wij vervolgen de reis, per slot van rekening hebben wij nog een heel eind voor de boeg. 

Wij hebben er wel over gepraat dat we eigenlijk toestemming hadden moeten vragen naar Klamono te gaan, maar de angst voor de weigering hield ons tegen.
Maar wij hebben geen angst voor onderweg.
Het is echt een redelijk begaanbare weg, meest asfalt en deels verhard met stenen.

Wij hebben hele mooie vergezichten op de boesboes, en wij kijken tegen de bergen aan alsof het wereldwonderen zijn. En wij zien veel vogels, veel hele mooie gekleurde vogels, onder anderen een jaarvogel, die wel zo groot als een gans is, maar met een hele grote snavel. 

Hier en daar moeten wij van de motor want dan is er een hek over de weg, eigenlijk wel een beetje gek zo n wegversperring maar het zal een reden hebben. Men wil òf voorkomen dat er mensen komen òf voorkomen dat men handig weg kan komen. De temperatuur is heel aangenaam, wij gaan namelijk omhoog, en het is hoger een lagere temperatuur dan beneden. Bovendien geeft onze snelheid ons een aanzienlijke verkoeling. Regelmatig stoppen wij ook om even te praten en te kijken, wat is het hier mooi, een ideale omgeving om vakantie te houden, hier is werkelijk alles, een lekkere temperatuur, mooie bossen , een goede weg en als je dan ook nog een onderkomen zou hebben, zie daar.

Wij spreken af dat wij terug in Nederland, dit stuk zullen propageren. 

Na zo` n drie uur rijden, naderen wij Klamono, en wat we verwacht hadden , niet dit dorpje, maar ja wij weten natuurlijk ook nog niets van hier. Wij zien een groot aantal opslagtanks en verschrikkelijk veel niet gebruikte buizen,allemaal opgestapeld en ook allemaal hartstikke verroest.
Het roesten gaat hier trouwens heel snel. Binnen een paar uur roest het metaal hier omdat het hier warm en vochtig is.

Wij worden ontvangen in een soort kantoor, waar de mensen heel verwonderd zijn dat wij er maar zo aankomen. Dat is ze nog niet eerder gebeurd en daarom gaat ook alles goed. 

Maar eigenlijk mogen hier geen buitenstaanders komen. Het is een pomp- en verzamelstation van de NNGBPM of zo iets en alle mensen die er wonen , werken ook voor die maatschappij. 
De bewindvoerder vindt het trouwens wel leuk dat we er zijn en wil ons best iets van het verzamelstation laten zien.
Het pompen op de diverse locaties valt trouwens tegen. Men maakt nog geen vijftig procent van datgene wat men hoort te maken, maar wij krijgen er niet uit waarom dat zo gaat.

De mensen vinden het om de een of andere reden wel goed zo, maar zeggen zelf dat er meer productie zou kunnen zijn als de technische voorzieningen beter onderhouden zouden worden. Hele aardige mensen, meest Indische , mannen ,vrouwen en kinderen, en ook nog een paar Papoea’s , maar de Indische mensen hebben niet zoveel op met de Papoea’s,zo te horen.
Als je het zo hoort dan vinden ze de Papoea’s maar een inferieur volkje wat nog niet te best wil werken en waar je niet op aan kunt.

Ja , als je als indringer in zo` n land komt, dan moet je er maar niet te veel van zeggen, ik vind dat we hier als gast zijn en niet een te grote mond moeten hebben.
Het klopt natuurlijk voor geen meter ,dat je als indringer komt en dan alles te zeggen wilt hebben over zo` n land en over de mensen.

Het verblijf in Klamono is maar kort want we willen ook niet te laat terug en we praten er nog wel even over wat er gezegd moet worden als er in het kamp over gevraagd gaat worden.

De terugrit gaat mooi vlot , ook omdat we nou natuurlijk niets nieuws meer zien, maar wij blijven ons verwonderen over de overdadige natuur. De bloemen en planten die wij in huis en in de tuin hebben, die staan hier als bomen in het bos en langs de kant van de weg..

Langs de hele weg loopt trouwens een olieleiding, overal verroest en voor ons idee niet heel degelijk,maar het zal wel functioneren. Hier en daar extra opslag van pijpleidingen, ik denk dat men nog veel meer van plan geweest is maar als de opbrengst niet genoeg is dan heeft het geen zin om te investeren. Als Nederland Nieuw-Guinea als wingewest wil zien dan zal er toch geïnvesteerd moeten worden en bij datgene wat nou al geïnvesteerd is zou men er veel beter iets bij kunnen doen want dan kan het geld opleveren. 

Indonesië wil niet voor niets dit land er bij hebben.

Aan de stamtafel wordt verteld dat het land rijk is aan delfstoffen en ik vind dat die best geëxploreerd kunnen worden.

Nieuw-Guinea is geen land waar je je heel erg lichamelijk in moet spannen, maar dat kun je ook aan anderen overlaten. De Indische mensen en de Papoea’s zijn meer geëigend om te werken in deze temperatuur ,dus kunnen we die het beste het werk laten doen, maar de grote lijnen moeten toch door de Nederlanders in de gaten gehouden worden. Er wordt trouwens ook gezegd dat er ook goud te vinden is, alleen als je denkt aan graven in de grond dan kun je al wel kapot gaan, de temperaturen zijn daar helemaal niet voor geschikt, en het is ook roof van de Papoea’s want die zijn eigenlijk eigenaar van het hele spul.

De Papoea’s die wij langs de weg zien, die kijken vreemd, zomaar twee militairen op een motor een heel eind van de bewoonde wereld, maar wij voelen ons heel erg op ons gemak.

Het enige is dat we niet gezien moeten worden door hogere militairen als we van de weg naar Klamono komen. Maar dat lukt en we rijden bij de Chinees langs waar de motor van is en wij kunnen er met een hartelijk bedankt van af. Dit was een heel leuk avontuur en ik denk dat we ook de enigen zijn die dat gedaan hebben.